ECLI:NL:GHAMS:2017:2647 Gerechtshof Amsterdam , 05-07-2017 / 23-000221-17

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000221-17

datum uitspraak: 5 juli 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-215021-16 tegen


[verdachte]
,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 20 oktober 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld door deze éénmaal (met kracht) te slaan en/of te stompen op/in/tegen het gezicht/hoofd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.

Vrijspraak

Het hof overweegt met betrekking tot de aan de verdachte ten laste gelegde mishandeling het volgende.

Vast staat dat de aangeefster op 20 oktober 2016 tijdens een bezoek met haar kleinkinderen aan [speelpark] in Amsterdam door een vrouw tegen de linkerkant van haar hoofd is geslagen; deze vrouw zou vermoedelijk dronken zijn en zij zou een joggingbroek dragen met daarop drie Andreaskruizen. Enige tijd later zien de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een vrouw met bovenstaand signalement lopen, waarna deze vrouw (zijnde verdachte) wordt aangehouden. De verdachte heeft echter steeds ontkend de ten laste gelegde gedraging te hebben begaan en zij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg tevens ontkend in het bezit te zijn van een trainingsbroek met drie kruizen. Gelet op deze ontkenning acht het hof het proces-verbaal van aanhouding van voornoemde verbalisanten te weinig concreet om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Met name kan op basis van dit proces-verbaal niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte bij haar aanhouding (wel) een trainingsbroek met drie kruizen droeg, welke trainingsbroek door een getuige als het meest specifieke signalementskenmerk van de dader is genoemd.

Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 juli 2017.

De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[.........]

.