ECLI:NL:GHARL:2015:9325 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-12-2015 / 21-006033-14

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006033-14

Uitspraak d.d.: 8 december 2015

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 18 juni 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-203617-13 en 16-070404-14, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 9 december 1967,

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 november 2015.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde;

- oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis;

- toewijzing van de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 8.646,79, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

parketnummer 16-203617-13:

hij op of omstreeks 8 november 2013 te Diemen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid ijzer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een onbekend gebleven (rechts)persoon, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

parketnummer 16-070404-14:

hij op of omstreeks 29 mei 2013 te Almere tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geparkeerd staande bus heeft weggenomen twee, in elk geval een trap en/of een of meer kratten en/of een of meer (technisch) gereedschap (met een totale waarde van 6625,62 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] B.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging parketnummer 16-070404-14

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid van braak, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Bewijsoverweging parketnummer 16-203617-13

Het is een feit van algemene bekendheid dat metalen zoals die door verdachte en zijn mededader uit een container zijn weggenomen, een zekere waarde vertegenwoordigen. Verdachte heeft er blijk van gegeven zich daarvan bewust te zijn geweest door er 's nachts op uit te gaan om dit materiaal te verzamelen. Gelet op de plaats waar de afvalcontainer stond, het opschrift op de container en de inhoud daarvan, kon verdachte er in redelijkheid niet vanuit gaan dat van deze goederen afstand was gedaan door de eigenaar. Uit de verklaring van verdachte dat hij meende dat de medeverdachte toestemming had valt af te leiden dat ook verdachte zich dit heeft gerealiseerd. Indien verdachte mocht hebben getwijfeld over de vraag of hij het ijzer mee mocht nemen, dan had hij alvorens daartoe over te gaan zich bij de eigenaar van de container moeten vergewissen over de geoorloofdheid. Dat heeft hij niet gedaan.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-203617-13 en in de zaak met parketnummer 16-070404-14 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 16-203617-13: hij op 8 november 2013 te Diemen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid ijzer, toebehorende aan een ander dan verdachte.

parketnummer 16-070404-14:
hij op 29 mei 2013 te Almere tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een geparkeerd staande bus heeft weggenomen twee trappen en kratten en (technisch) gereedschap, toebehorende aan [A] B.V., waarbij verdachte en/of zijn mededader de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 16-203617-13 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het in de zaak met parketnummer 16-070404-14 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Hierbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal diefstallen, waarvan een met braak. Daardoor heeft verdachte telkens een inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de benadeelden. Bovendien leveren dergelijke feiten overlast en ergernis op.

Blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 26 oktober is verdachte meermalen onherroepelijk veroordeeld wegens het plegen van (vermogens)delicten.

Bij de strafoplegging heeft het hof ook rekening gehouden met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de daaromtrent opgemaakte reclasseringsrapportages d.d. 10 juni 2015 en 27 augustus 2015. Door de raadsman is medegedeeld dat er in het kader van een andere strafzaak aan verdachte reclasseringstoezicht is opgelegd.

De raadsman heeft verzocht de in eerste aanleg opgelegde taakstraf te matigen.

Alles afwegende, is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde en ook in hoger beroep gevorderde taakstraf, ook thans passend is. Het hof ziet geen aanleiding om deze straf te matigen.

Vordering van de benadeelde partij [A] BV

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.089,46, vermeerderd met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 8.646,79.

De vordering is namens verdachte tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-070404-14 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 8.646,79 (het oorspronkelijk gevorderde bedrag minus de BTW). Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Voorts is toewijsbaar een bedrag ad € 27,60 wegens door de benadeelde partij onweersproken gemaakte kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging, zijnde reiskosten ter bijwoning van de zitting van het hof.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-203617-13 en in de zaak met parketnummer 16-070404-14 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-203617-13 en in de zaak met parketnummer 16-070404-14 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [A] BV

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] BV ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-070404-14 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.646,79 (achtduizend zeshonderdzesenveertig euro en negenenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 27,60 (zevenentwintig euro en zestig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A] BV, ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-070404-14 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.646,79 (achtduizend zeshonderdzesenveertig euro en negenenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. M.C. Fuhler en mr. J.H. Bosch, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. G.M. Fondse, griffier,

en op 8 december 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.