ECLI:NL:GHARL:2017:2969 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 06-04-2017 / 200.202.977

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.202.977

(zaaknummer rechtbank Gelderland 5313585 en 5313656)

beschikking van 6 april 2017

inzake


[verzoeker], h.o.d.n. [… 1]
,

wonende dan wel gevestigd te [woonplaats],verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker],

advocaat: mr. R.N. Brugge te Doetinchem,

en


[belanghebbende 1]
,

[adres],

verder te noemen: [belanghebbende 1],

belanghebbende in hoger beroep.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:


[belanghebbende 2]
,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 augustus 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 26 oktober 2016;

- de begeleidingsbrief van 26 oktober 2016 van mr. Brugge bij het beroepschrift;

- het journaalbericht met producties 27, 28 en 29 van 7 februari 2017;

- de fax met bijlage van mr. Brugge van 14 februari 2017.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2017 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, vergezeld door [A.], zijn echtgenote, en bijgestaan door zijn advocaat. Tevens is verschenen [belanghebbende 1], vergezeld door mr. J.M. Schaeffer, juridisch adviseur. Ook is verschenen de rechthebbende, vergezeld door [B.]. Voorts heeft [C.] de mondelinge behandeling bijgewoond als toehoorder. Eerder heeft op 9 november 2016 een mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van mr. Lieber als raadsheer-commissaris, waarbij zijn verschenen [verzoeker], [A.], Brugge, [belanghebbende 1] en Schaeffer, allen voornoemd, en waarop de wijze van behandeling van deze zaak en de overige zaken waarin [verzoeker] hoger beroep heeft ingesteld is besproken.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft over alle tegenwoordige en toekomstige goederen die toebehoren aan rechthebbende een bewind in de zin van artikel 1: 431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ingesteld en [verzoeker] tot bewindvoerder benoemd. Tevens heeft de kantonrechter een mentorschap ingesteld en [verzoeker] tot mentor benoemd.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter:

- vastgesteld dat [verzoeker] niet voldoet aan de in het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit kwaliteitseisen vermelde eisen die worden gesteld aan curatoren, bewindvoerders en mentoren;

- [verzoeker] ambtshalve met ingang van 1 september 2016 ontslagen als bewindvoerder en mentor en [belanghebbende 1] met ingang van diezelfde datum als opvolgend bewindvoerder en mentor benoemd;

- gelast dat [verzoeker] het dossier, zowel papieren stukken als digitale gegevens op een voor [belanghebbende 1] leesbare gegevensdrager onmiddellijk na de vraag daartoe van [belanghebbende 1] over dient te dragen;

- bepaald dat [verzoeker] eindrekening aflegt van het gevoerde beheer aan [belanghebbende 1];

- de jaarbeloning van [belanghebbende 1] overeenkomstig artikel 5 juncto artikel 2 lid 2 sub b van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren vastgesteld;

- de beloning van [belanghebbende 1] voor de aanvangswerkzaamheden vastgesteld op een bedrag van € 934,90, exclusief BTW, waarop € 129,80 in mindering wordt gebracht, nu [belanghebbende 1] geen werkzaamheden heeft verricht voor de mondelinge behandeling;

- [belanghebbende 1] de verplichting opgelegd dat jaarlijks verslag van de werkzaamheden aan de kantonrechter wordt gedaan.

3.3

Bij vonnis in kort geding van 12 september 2016 heeft de kantonrechter, voor zover hier van belang en mede ten aanzien van de rechthebbende:

- [verzoeker] veroordeeld tot het binnen twee weken na betekening van het vonnis verstrekken van alle in zijn bezit zijnde bankpassen van bankrekeningen waarop gelden van rechthebbende staan en/of waarmee gelden van rechthebbende kunnen worden beheerd aan [belanghebbende 1], zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [verzoeker] in gebreke blijft na verloopt van de genoemde termijn aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-;

- [verzoeker] veroordeeld tot het binnen twee weken na betekening van het vonnis overdragen van de dossiers van de rechthebbende aan [belanghebbende 1], zowel papieren stukken als digitale gegevens, voor zoveel mogelijk in een xml-bestand voor zover het bankgegevens betreft, op een voor [belanghebbende 1] leesbare gegevensdrager, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [verzoeker] na genoemde termijn in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-;

- [verzoeker] veroordeeld tot het binnen drie weken na betekening van het vonnis afleggen van een eindrekening ten aanzien van de bewindvoering van de rechthebbende aan [belanghebbende 1], zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [verzoeker] na genoemde termijn in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 10.000,-;

- dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is het ontslag door de kantonrechter van [verzoeker] als bewindvoerder en mentor van de rechthebbende.

4.2

[verzoeker] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoeker] verzoekt - na wijziging ter gelegenheid van de mondelinge behandeling - de bestreden beschikkingen te vernietigen, dan wel, indien het ontslag als bewindvoerder in stand blijft, mevrouw [C.], te benoemen tot opvolgend bewindvoerder.

5 De motivering van de beslissing

ontvankelijkheid

5.1

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoek overweegt het hof als volgt. [verzoeker] is door de kantonrechter ontslagen als bewindvoerder of als mentor of als curator ten aanzien van al zijn cliënten. Het betreft vijfenzestig zaken en zesenvijftig beschikkingen van de kantonrechter, alle van 19 augustus 2016. [verzoeker] heeft ten aanzien van alle zesenvijftig beschikkingen één beroepschrift ingediend bij het hof op 26 oktober 2016.

Uit de vaste jurisprudentie volgt dat een goede procesorde zich in het algemeen ertegen verzet dat beroep tegen in verschillende zaken gewezen uitspraken wordt ingesteld bij een en hetzelfde beroepsschrift. Dit geldt echter niet in alle gevallen en kan bijvoorbeeld anders zijn in uitspraken die tussen dezelfde partijen op dezelfde dag door dezelfde rechter zijn gedaan. Indien het gaat om verschillende partijen, maar wel om rechterlijke uitspraken die zijn gewezen op dezelfde dag door dezelfde rechter, stelt de Hoge Raad strengere eisen

(HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8317). Aanstonds moet voldoende vaststaan dat een genoegzame samenhang bestaat tussen de verschillende zaken om een gezamenlijke behandeling daarvan te rechtvaardigen.

Het hof is ten aanzien van het onderhavige beroepsschrift van oordeel dat sprake is van voldoende samenhang tussen de zesenvijftig zaken, nu [verzoeker] in al die zaken ambtshalve is ontslagen als bewindvoerder of mentor of curator op grond van het oordeel van de kantonrechter dat hij niet voldoet aan de in het BW en Besluit kwaliteitseisen gestelde kwaliteitseisen. Het hof acht [verzoeker] ontvankelijk in alle zaken op grond van één verzoekschrift. Vooralsnog worden de zaken in hoger beroep niet gezamenlijk behandeld. Op de mondelinge behandeling van 9 november 2016 is afgesproken dat eerst de zaak van de rechthebbende en de zaak met zaaknummers 200.202.975 en 200.202.976 zullen worden behandeld alvorens in de andere drieënvijftig zaken, indien nodig, een mondelinge behandeling zal worden bepaald.

juridische kaders

5.2

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:431 lid 1 BW kan, indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand dan wel verkwisting of het hebben van problematische schulden, de kantonrechter een bewind instellen over één of meer goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

5.3

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:450 lid 1 BW kan, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, de kantonrechter te zijnen behoeve een mentorschap instellen.

5.4

Op grond van artikel 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, de rechthebbende of het openbaar ministerie dan wel ambtshalve.

De kantonrechter kan op grond van artikel 1:448 lid 5 BW, in geval van ontslag wegens gewichtige redenen of omdat de bewindvoerder niet meer voldoet aan de eisen om de bewindvoerder te kunnen worden, bepalen dat geen verdere rekening en verantwoording behoeft te worden afgelegd. Tevens kan de kantonrechter de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de bewindvoerder, en alle aan de rechthebbende toekomende goederen in beslag nemen.

5.5

Ingevolge artikel 1:461 lid 1 aanhef en onder e BW eindigt de taak van de mentor door ontslag dat hem door de kantonrechter met ingang van een door deze bepaalde dag wordt verleend.

Ingevolge artikel 1:461 lid 2 BW, voor zover hier van belang, wordt het ontslag hem verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van de medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in artikel 451, eerste en tweede lid, dan wel ambtshalve.

5.6

Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW respectievelijk 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de (nieuwe) bewindvoerder en/of mentor de uitdrukkelijke voorkeur van respectievelijk de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.

5.7

In artikel 1:383 lid 7 en lid 8, artikel 1:435 lid 7 en lid 8 en artikel 1:452, lid 7 en lid 8 BW is bepaald aan welke eisen een professionele curator, beschermingsbewindvoerder of mentor moet voldoen. Deze eisen zijn nader uitgewerkt in het op 1 april 2014 in werking getreden Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren. Aan professionele bewindvoerders, mentoren en curatoren die op het moment van inwerkingtreding reeds als zodanig functioneerden, is een overgangstermijn gegeven van twee jaar om aan de eisen van het Besluit te voldoen. Deze termijn is verstreken op 1 april 2016.

5.8

Overeenkomstig artikel 1:435 lid 7 BW en artikel 1:452 lid 7 komt een andere persoon dan in het vierde lid bedoeld, die ten behoeve van drie of meer personen bewindvoerder of mentor is, alleen dan voor benoeming in aanmerking indien deze wat zijn bedrijfsvoering en scholing betreft, alsmede, voor zover van toepassing, de werving, de scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij de taken van een bewindvoerder uitoefent, voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen kwaliteitseisen, alsmede aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1:436, vierde lid, en artikel 15i van boek 3 BW.

Het achtste lid van 1:435 BW en artikel 1:452 BW bepaalt dat de persoon, bedoeld in het zevende lid, aan de rechter die hem benoemt, overlegt:

a. zijn verklaring dat hij aan de in het zevende lid bedoelde kwaliteitseisen en verplichtingen voldoet,

b. een verslag van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 BW, van diens bevindingen over de wijze waarop aan de eisen en verplichtingen wordt voldaan, en

c. een verklaring van de accountant omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van boek 2 BW, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van boek 2 BW. Artikel 396, zevende lid, van boek 2 BW is ten aanzien van artikel 2:393 lid 1 BW niet van toepassing.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vorm en de inhoud van de verklaringen en het verslag, alsmede de wijze van overlegging. Dat is geschied in het Besluit kwaliteitseisen. Toont de persoon aan dat hij in de twaalf maanden voorafgaande aan zijn benoeming de verklaringen en het verslag reeds aan de rechter heeft overgelegd, dan is hij van de overlegging vrijgesteld.

5.9

In artikel 3 lid 1 en lid 4 van het Besluit kwaliteitseisen zijn eisen gesteld aan de opleiding van de (professionele) bewindvoerder/mentor/curator.

In artikel 3 lid 1 is bepaald dat de rechtspersoon die curator/mentor/bewindvoerder is ten minste een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen d en e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs met goed gevolg heeft afgerond. Het betreft de middenkaderopleiding (letter d) en de specialistenopleiding (letter e), die zich richten op de kwalificatie voor het vierde en hoogste niveau van beroepsuitoefening (art. 7.2.2 lid 3

van de laatstgenoemde wet). De studieduur van de middenkaderopleiding bedraagt drie volledige studiejaren; die voor de specialistenopleiding één volledig studiejaar (art. 7.2.4a van deze wet)

Aanvullend is in het vierde lid van dat artikel bepaald dat de bewindvoerder die is benoemd in een bewind wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden als bedoeld in artikel 431, eerste lid, onderdeel b, van boek 1 BW, ten minste een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met goed gevolg heeft afgerond, dan wel gedurende een periode van ten minste twee jaar als curator of bewindvoerder heeft gefungeerd.

5.10

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit van 20 mei 2015 tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen (Staatsblad 2015/186) is het bewust aan de (kanton)rechter overgelaten om te beoordelen of in een bepaald geval is voldaan aan de hiervoor genoemde kwaliteitseisen. De aan te leveren documenten vormen daarbij de minimale vereisten. De kantonrechter dient te beoordelen of een opleiding vergelijkbaar is met MBO-4, en in specifieke gevallen vergelijkbaar is met een HBO-diploma, of MBO-4 diploma, of vergelijkbaar diploma plus twee jaar werkervaring.

5.11

In de Aanbevelingen meerderjarigenbewind van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton (LOVCK) (versie 15 december 2015) is mede naar aanleiding van voormelde nota van toelichting bij het Besluit van 20 mei 2015, is de volgende uitleg gegeven aan voormeld artikel 3 van het Besluit kwaliteitseisen:"De bewindvoerder dan wel natuurlijk persoon, die de rechtspersoon die bewindvoerder is vertegenwoordigt, heeft ten minste:

a. een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.1 onder d van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met goed gevolg afgerond (HBOdiploma), of

b. een passende beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen d en e van de Wet educatie en beroepsonderwijs (MBO-4 diploma) of een passende opleiding als bedoeld in artikel 7 of 8 van de Wet op het voorgezet onderwijs (HAVO of VWO diploma) met goed gevolg afgerond en in beide voornoemde gevallen gedurende een periode van ten minste twee jaar de taken van bewindvoerder verricht onder verantwoordelijkheid van een door de kantonrechter benoemde professionele bewindvoerder die voldoet aan de onder a. of b. genoemde opleidingseisen.

In de Aanbevelingen curatele van het LOVCK vastgesteld op 8 juni 2015 is uitsluitend vermeld dat de professionele curator dient te voldoen aan de kwaliteitseisen vermeld in het Besluit Kwaliteitseisen.

5.12

In gevallen waarin het niveau van de opleiding van de bewindvoerder/curator niet duidelijk is, dient de bewindvoerder/curator zijn diploma te voorzien van een verklaring van het opleidingsinstituut dat het diploma heeft afgegeven of de opvolger van dat instituut. Uit deze verklaring moet blijken dat het een diploma is zoals hiervoor onder punt b beschreven. Deze verklaring kan ook worden afgegeven door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) of door de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB).

Daarnaast is er de mogelijkheid tot het volgen van een EVC-traject (Erkenning van eerder Verworven Competenties). Een dergelijk traject voldoet alleen aan de diploma-eisen zoals hiervoor onder punt b beschreven als het traject is gevolgd door een diploma.

het verloop bij de kantonrechter

5.13

Nadat op 1 april 2014 het Besluit kwaliteitseisen in werking was getreden, heeft [verzoeker] de kantonrechter bij brief van 5 januari 2015 uitstel verzocht voor het aanleveren van de ingevolge het Besluit kwaliteitseisen over te leggen stukken. Dit uitstel is verleend tot 15 februari 2015. Bij brief van 12 februari 2015 heeft [verzoeker] diverse stukken bij de kantonrechter aangeleverd in het kader van de voldoening aan het Besluit kwaliteitseisen. Bij brief van 12 maart 2015 heeft de griffier van de rechtbank de ontvangst van de bij brief van 12 februari 2015 aangeleverde stukken bevestigd en op acht onderdelen een aanvulling van die stukken gevraagd, met het verzoek die stukken vóór 1 mei 2015 aan te leveren. Bij brief van 26 oktober 2015 heeft [verzoeker] een accountantsverklaring van mr. A.W. Maalderink te Zelhem en de jaarrekening 2014 overgelegd. Bij brief van 24 december 2015 heeft de griffier van de rechtbank de ontvangst van de bij brief van 26 oktober 2015 aangeleverde stukken bevestigd en op vijf onderdelen aanvulling van die stukken verzocht. In januari 2016 heeft de griffier van de rechtbank [verzoeker] meegedeeld dat de bij brieven van 12 maart 2015 en 24 december 2015 opgevraagde aanvullende stukken nog niet zijn ontvangen. [verzoeker] is daarbij verzocht de ontbrekende stukken uiterlijk vóór 15 februari 2016 in te sturen. Dit betrof een laatste rappel. Bij brief van 16 februari 2016 heeft [verzoeker] uitstel gevraagd voor het aanleveren van de ontbrekende stukken. Bij emailbericht van 21 maart 2016 heeft [verzoeker] de aanvullende stukken ingediend. Bij brief van 1 april 2016 heeft de griffier van de rechtbank de ontvangst van de bij e-mail van 21 maart 2016 aangeleverde stukken bevestigd. In deze brief is medegedeeld dat de aanvullende stukken op een vijftal onderdelen niet toereikend zijn en is een eenmalig uitstel verleend tot uiterlijk 9 april 2016. Bij e-mailberichten van 8 april 2016 en 23 april 2016 heeft [verzoeker] de aanvullende stukken overgelegd, met uitzondering van de verklaring van het opleidingsinstituut als bedoeld in artikel 7.2.2. lid 1 onderdelen d en 2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs. Daarbij heeft [verzoeker] verzocht om uitstel voor het aanleveren van de stukken met betrekking tot zijn opleidingsniveau. Bij emailbericht van 28 april 2016 heeft de griffier van de rechtbank [verzoeker] uitstel verleend voor het aanleveren van een officiële verklaring van een erkend opleidingsinstituut tot uiterlijk 1 juli 2016. Bij emailbericht van 29 juni 2016 heeft [verzoeker] een verklaring van de SBB van 13 juni 2016 opgestuurd. Op 7 juli 2016 heeft er een mondelinge behandeling in eerste aanleg plaatsgevonden. Nadat de kantonrechter [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling had meegedeeld dat [verzoeker] in al zijn zaken zou worden ontslagen, omdat hij niet voldoet aan de in het Besluit kwaliteitseisen gestelde kwaliteitseisen, is [verzoeker] vier weken gegund om iemand aan te dragen die aan het Besluit kwaliteitseisen voldoet en de dossiers van [verzoeker] kan overnemen. Bij email van 28 juli 2016 heeft [verzoeker] [D.] voorgedragen voor benoeming als opvolgend bewindvoerder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de kandidaat bewindvoerder niet benoembaar was, omdat door het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM is vastgesteld dat de opleiding van [D.] niet passend is. Bij brief van 12 augustus 2016 heeft mr. C.W.J. de Bont, advocaat, namens [verzoeker] verzocht om een gesprek met de kantonrechter en de rechtbank aansprakelijk gesteld indien niet wordt ingegaan op het voorstel tot overleg en een kort geding aangekondigd. De kantonrechter is hierop niet ingegaan en heeft de bestreden beslissingen gegeven.

de standpunten

5.14

[verzoeker] stelt dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft ontslagen. Hij werkte fulltime in zijn onderneming en had de verantwoordelijkheid voor circa zeventig dossiers die betrekking hebben op ongeveer honderd cliënten. Hij had twee werknemers in dienst van de onderneming, de een heeft een opleiding op HBO-niveau en was zesendertig uur per week werkzaam en de ander heeft een opleiding op MBO-niveau en was eenentwintig uur per week werkzaam. De omzet van de onderneming bedroeg circa € 105.000,- per jaar. Hij voert deze onderneming vanaf 2006 naar ieders tevredenheid. Gedurende de laatste jaren is er geen klacht tegen [… 1] gegrond verklaard.

In zijn eerste grief voert [verzoeker] aan dat het oordeel van de kantonrechter dat hij niet heeft aangetoond op 1 juli 2016 aan de gestelde opleidingseis te voldoen en dat een verklaring van de accountant als bedoeld in artikel 1:435 lid 8 sub c BW juncto artikel 11, lid 4, Besluit kwaliteitseisen met betrekking tot de jaarstukken/staat van baten en lasten over het verslagjaar 2014 ontbreekt, niet juist is. Hij heeft veel tijd geïnvesteerd om te voldoen aan de kwaliteitseisen en hij onderschrijft het belang van deze vereisten, omdat er gewerkt wordt met kwetsbare mensen. Hij heeft op 15 november 1983 een ondernemersdiploma behaald bij het Centraal Onderwijsinstituut voor de Levensmiddelenbranche (COL) te Driebergen. Dit is een instituut dat niet meer bestaat en daarom kan niet meer worden vastgesteld welk niveau aan deze opleiding moet worden toegekend. Hij was in de veronderstelling dat zijn opleiding correspondeerde met HBO werk- en denkniveau en dat uit de wijze waarop hij zijn onderneming voerde ook genoegzaam kon worden afgeleid dat hij voldoende was opgeleid. De opleiding kan in ieder geval worden gekwalificeerd op MBO-niveau 4. Er was bij de rechtbank sprake van vertrouwen in zijn functioneren. In 2011 is hij op initiatief van de rechtbank in elf zaken benoemd. Vijf dagen na de mondelinge behandeling in eerste aanleg, waarbij hem is meegedeeld dat hij zou worden ontslagen, is hij ook nog opnieuw benoemd door de kantonrechter tot bewindvoerder. Het is niet redelijk hem nu te verwijten dat hij te laat actief is geworden om te voldoen aan de kwaliteitseisen. De jaarstukken 2014 waren voorts niet door een RA-accountant opgesteld, maar die van 2015 wel. De kantonrechter heeft niet kenbaar gemaakt dat dat ten aanzien van 2014 alsnog zou moeten en nooit een fatale termijn gesteld.

In zijn tweede grief stelt [verzoeker] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvankelijk door hem voorgestelde opvolgend bewindvoerder, [D.], niet aan de opleidingseis voldoet. Inmiddels is [D.] echter niet meer verbonden aan zijn onderneming. Hij heeft [C.], onder de naam [… 2] geplaatst op de lijst van professionele bewindvoerders, bereid gevonden om de zaken van hem over te nemen. Zij zal zich dan als zzp-er laten inhuren bij de onderneming van [verzoeker].

In zijn derde grief stelt [verzoeker] dat de belangen zorgvuldig moeten worden afgewogen en in zijn geval een coulanceregeling moet worden getroffen. Zijn onderneming zal indien de beslissing van de kantonrechter in stand blijft uitsluitend vanwege een formele eis te gronde gaan. Hij heeft altijd goed gefunctioneerd en is nu in de nadagen van zijn werkende leven. Hij is inmiddels 63 jaar oud en gelet op de omstandigheden kan het alsnog starten van een EVC-traject niet van hem worden verlangd. Zijn medewerkers zullen hun baan verliezen en zijn ontslag zorgt voor veel onrust bij zijn cliënten. Hij legt een aantal verklaringen van cliënten over waarin zij bevestigen dat zij tevreden zijn over zijn functioneren.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verzoeker] verklaard dat hij thans nog een paar cliënten bijstaat in hun inkomensbeheer en enkele diensten verricht voor een paar kleine bedrijven. Zijn inkomen is op dit moment € 600,- tot € 700,- per maand. Hij wil proberen nog wat nieuw werk binnen te halen. Een positie bij een bewindvoerderskantoor heeft hij nog niet overwogen, omdat hij eerst meer duidelijkheid wil hebben over het ontslag dat door de kantonrechter is verleend.

5.15

De rechthebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat [verzoeker] zijn taken als bewindvoerder altijd naar tevredenheid heeft verricht. [verzoeker] was altijd goed bereikbaar voor overleg en functioneerde als een vertrouwenspersoon voor hem. De overname door [belanghebbende 1] was wennen, maar deze samenwerking verloopt ook goed. Hij heeft nog niet voor de overdracht getekend, omdat hij eerste de uitkomst van deze procedure wilde afwachten.

5.16

[belanghebbende 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep toegelicht dat voor de rechthebbenden in alle zaken bijzondere bijstand is aangevraagd voor de kosten die verbonden zijn aan de overgang van [verzoeker] naar [belanghebbende 1]. In de gevallen waarin die bijzondere bijstand niet zal worden verleend zal een schadevergoeding bij de verzekeraar van [verzoeker] worden aangevraagd.

De zaken die zijn overgekomen van [verzoeker] zijn voortvarend opgepakt met het bestaande personeelsbestand van negentien personen. Daarnaast is één tijdelijk personeelslid aangenomen. In verband met de overgang van het bestand van [verzoeker] zijn de afgelopen periode door [belanghebbende 1] geen andere nieuwe zaken aangenomen. Indien de beslissing van de kantonrechter door het hof zal worden vernietigd dan zal dat voor de cliënten van [verzoeker] betekenen dat zij weer terug moeten naar [verzoeker]. Daarmee zullen opnieuw extra kosten gepaard gaan.

Het klopt dat er geen inhoudelijke klachten tegen [verzoeker] zijn geweest, maar zij heeft wel zaken moeten repareren om de budgetten van de rechthebbenden weer sluitend te krijgen.

het hof oordeelt als volgt

5.17

In dit hoger beroep is de vraag aan de orde of de bewindvoerder al dan niet voldoet aan de in het BW en het op 1 april 2014 in werking getreden Besluit kwaliteitseisen en gestelde kwaliteitseisen en of dit aanleiding is [verzoeker] ambtshalve te ontslaan.

5.18

Allereerst stelt het hof vast dat de kantonrechter de rechthebbende niet heeft gehoord in de procedure in eerste aanleg. Het ontslag van de bewindvoerder en mentor en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder en mentor raakt de rechthebbende rechtstreeks in zijn belangen. Daarbij komt dat de kantonrechter ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW bij de benoeming van een bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende dient te volgen, tenzij gegronde redenen zich hiertegen verzetten. De rechthebbende had dan ook door de kantonrechter in de gelegenheid moeten worden gesteld om over het ontslag van [verzoeker] en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder te worden gehoord. het hof heeft anders dan de kantonrechter de rechthebbende daartoe in dit hoger beroep als belanghebbende aangemerkt.

5.19

Het hof acht de omstandigheid dat de verklaring van de accountant als bedoeld in artikel 1:435 lid 8 sub c BW juncto artikel 11 lid 4 Besluit kwaliteitseisen met betrekking tot de jaarstukken 2014 ontbrak, mede gelet op het feit dat het Besluit kwaliteitseisen op 1 april 2014 in werking is getreden en sprake was van een overgangsfase, niet meer van belang voor de vraag of [verzoeker] moet worden ontslagen., temeer nu over het jaar 2015 wel is voldaan aan de eisen van artikel 11 van het Besluit kwaliteitseisen.

5.20

Het hof is voorts van oordeel dat [verzoeker] voldoet aan de hiervoor vermelde eisen in artikel 3 lid 1 en lid 4 van het Besluit kwaliteitseisen, omdat het opleidingsniveau van [verzoeker] vergelijkbaar is met een MBO-4 diploma (plus twee jaar werkervaring) en overweegt daartoe als volgt.

5.21

[verzoeker] heeft als productie 17 een overzicht van zijn opleiding en werkervaring overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft hij een toelichting gegeven omtrent zijn scholing. [verzoeker] is nadat hij een lagere beroepsopleiding (de LTS) had afgerond gaan werken. Naast zijn werkzaamheden heeft hij vervolgens de opleidingen levensmiddelen technologie en magazijnmeester gevolgd. Hij werd toegelaten op basis van zijn LTS-diploma. In sommige gevallen was dan nog een tussenscholing nodig, maar dat hoefde hij niet. Hij heeft een diploma van de primaire opleiding levensmiddelenindustrie overgelegd dat op 10 juni 1976 is afgegeven door de Landelijke Stichting Beroepsopleiding Levenmiddelenindustrie gevestigd te Apeldoorn. De opleiding levensmiddelentechnologie bestond volgens [verzoeker] uit de vakken: grondstoffen en warenkennis, bedrijfsrekenen, microbiologie, hygiëne, leidinggeven, scheikunde, wiskunde, maatschappijleer, technologie en Nederlands. De opleiding tot magazijnmeester bestond volgens [verzoeker] uit vakken die betrekking hadden op onder andere logistiek en management.

Daarna heeft [verzoeker], naar zijn zeggen, de Kaderopleiding gevolgd naast zijn werk. Omdat hij van werkgever veranderde heeft hij het praktijkexamen niet kunnen afleggen en heeft hij deze opleiding niet met een diploma afgerond.

Vervolgens is [verzoeker] in 1979 of 1980 gestart met de ondernemersopleiding bij de COL. Hij had op dat moment een leidinggevende functie en ging aanvankelijk twee avonden in de week naar school in Doorn en later naar Arnhem. Die opleiding duurde ongeveer drie jaar en bestond uit vakken die betrekking hadden op onder andere management, boekhouden, balans winst en verlies, warenkennis en recht- en wetkennis. Op basis van het op 15 november 1983 behaalde ondernemersdiploma mag hij alles verkopen, behalve vuurwapens en drogisterijartikelen.

5.22

Uit de brief van de SSB van 13 juni 2016 blijkt dat de aanvraag voor een verklaring over de waarde van het oude Nederlandse MBO-diploma, het ondernemersdiploma van [verzoeker], in vergelijking met het huidige Nederlandse onderwijssysteem is afgewezen. De reden is dat het COL in Driebergen niet meer bestaat en de ondernemersopleiding indertijd gericht was op de vestigingseisen voor de destijds geldende Vestigingswet Detailhandel van het Ministerie van Economische Zaken. Volgens het SSB is de opleiding niet te vergelijken met een huidige kwalificatie binnen het MBO-onderwijs.

Bij voormeld journaalbericht van 7 februari 2017 heeft [verzoeker] als productie 27 een brief van zijn hand van 30 januari 2017 overgelegd aan de SBB/IDW waarin hij verzoekt zijn diploma levensmiddelentechnologie uit 1976 te waarderen. [verzoeker] heeft ter zitting meegedeeld dat hij zeer onlangs een antwoord heeft ontvangen. Het diploma is bij een particuliere instelling behaald en kan evenals het ondernemersdiploma niet worden gewaardeerd.

5.23

De MBO-4 opleiding is een middenkaderopleiding die drie of vier jaar duurt (één studiejaar heeft een studielast van tenminste 1600 klokuren), waar leerlingen leren om werkzaamheden volledig zelfstandig uit te voeren. Op basis van de hiervoor vermelde reeks van opleidingen, die het hof dan in onderlinge samenhang beziet, alsmede op basis van de vele jaren aan werkervaring in verschillende functies, is de conclusie gerechtvaardigd dat [verzoeker] wat betreft zijn algehele opleidingsniveau op MBO-4niveau functioneert. Hij heeft na zijn lagere beroepsopleiding vanaf 1972 tot en met 1983 vrijwel permanent na- en bijscholing gevolgd naast zijn werk. Het is niet redelijk, nu de kwaliteitseisen pas in 2014 van kracht zijn geworden en de diploma’s van [verzoeker] al lang geleden zijn behaald, het voor rekening en risico te laten komen van [verzoeker] dat zijn diploma’s niet kunnen worden gewaardeerd naar de huidige standaardisering.

5.24

Voorts heeft [verzoeker] genoegzaam onderbouwd dat hij al gedurende vele jaren zijn werkzaamheden als bewindvoerder, mentor en curator naar behoren verricht en dat zijn cliënten tevreden over hem zijn.

5.25

[verzoeker] en [belanghebbende 1] hebben in onderling overleg tijdens een korte schorsing van de mondelinge behandeling afgesproken dat, indien het hof van oordeel is dat [verzoeker] over het vereiste opleidingsniveau beschikt, zij gezamenlijk aan alle betrokken rechthebbenden een brief willen sturen met het verzoek aan de rechthebbende om kenbaar te maken of zij willen dat [belanghebbende 1] de werkzaamheden blijft voortzetten of dat zij weer terug willen naar [verzoeker].

In verband met deze afspraak zal het hof de behandeling aanhouden tot 18 mei 2017 en [verzoeker] en [belanghebbende 1] verzoeken voor deze datum het hof schriftelijk te berichten of zij tot afspraken met elkaar zijn gekomen en welke vervolgstappen zij wenselijk achten in deze procedure.

5.26

Het hof acht het noodzakelijk een raadsheer-commissaris te benoemen, die de voortgang van de procedure bewaakt.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling van deze procedure aan tot 18 mei 2017;

verzoekt [verzoeker] en [belanghebbende 1] het hof vóór 18 mei 2017 schriftelijk te berichten of zij tot afspraken met elkaar zijn gekomen en welke vervolgstappen zij wenselijk achten in deze procedure;

benoemt mr. J.H. Lieber tot raadsheer-commissaris;

bepaalt dat [verzoeker] en [belanghebbende 1] zich voor vragen of opmerkingen zullen kunnen wenden tot voornoemde raadsheer-commissaris;

bepaalt dat partijen hun inlichtingen en verzoeken dienen te richten aan de raadsheer-commissaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, A. Smeeïng-van Hees en R. Prakke-Nieuwenhuizen, bijgestaan door de griffier, en is op 6 april 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.