ECLI:NL:GHARL:2017:3783 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 03-05-2017 / WAHV 200.189.765

Uitspraak

WAHV 200.189.765

3 mei 2017

CJIB 187175978

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 9 maart 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 april 2017. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. P. Belopavlovic.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “met een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan om trottoir/voetpad etc.)”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 januari 2015 om 09.29 uur op de Starstraat te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene ontkent niet op voornoemde datum, tijd en plaats te hebben geparkeerd, maar voert onder meer aan dat in de wet geen definitie is opgenomen van het begrip trottoir, zodat het onderscheid tussen rijbaan en trottoir onduidelijk is. De door de kantonrechter gehanteerd uitgangspunten voor de vaststelling of de betrokkene op het trottoir of de rijbaan heeft geparkeerd zijn niet aan de wet, dan wel aan het studiemateriaal voor rijexamens ontleend. De betrokkene heeft de situatie ter plaatse aldus begrepen dat het gedeelte aan de andere zijde van het muurtje - waar eveneens trottoirtegels lagen - bedoeld was als trottoir en dat het gedeelte waar de betrokkene geparkeerd stond die bestemming niet had. Het muurtje is zijns inziens duidelijk de scheiding tussen het trottoir en de rijbaan. Voorts voert de betrokkene aan dat de wet wel een duidelijk onderscheid maakt tussen de rijbaan en een fietspad door in de wet expliciet op te nemen dat het fietspad van de rijbaan gescheiden dient te worden door wegmarkering. Wegens gebrek aan parkeergelegenheid staan op deze plaats vaker auto's geparkeerd.

3. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de betrokkene zijn voertuig op het trottoir had geparkeerd. Daarnaast is door de vertegenwoordiger aangevoerd dat voertuigen in verband met de beperkte breedte van de straat over dat deel van het trottoir kunnen rijden om elkaar op die manier te kunnen passeren.

4. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, komt erop neer dat op voormelde datum, tijd en plaats het voertuig met voornoemd kenteken niet op de rijbaan (bijvoorbeeld op een trottoir/voetpad) stond geparkeerd, hetgeen in strijd is met artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De vraag die het hof dient te beantwoorden is of de betrokkene bij het parkeren van zijn auto op de onderhavige plaats al dan niet gebruik van de rijbaan heeft gemaakt.

6. Op de foto's en afbeeldingen in het dossier neemt het hof het volgende waar omtrent de plaats waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd. Het betreffende gedeelte van de Starstraat bevindt zich tussen twee bochten in deze straat en is met een lage muur gescheiden van een kade aan het water. In de straatgedeelten voor en na het betreffende deel van de Starstraat zijn trottoirs zichtbaar die voorzien van een trottoirband verhoogd zijn gelegen ten opzichte van de rijbaan. Van het deel van de Starstraat waar de betrokkene stond geparkeerd kan de volgende dwarsdoorsnede van de oppervlakte worden waargenomen. Op de kade is een brede strook bestrating zichtbaar van trottoirtegels, waarna een lage muur volgt. Aan de straatzijde van dit muurtje ligt eveneens een strook met trottoirtegels van ongeveer 4 à 5 tegels breed. Dan volgt een gedeelte bestrating van klinkers, gevolgd door weer een strook trottoirtegels, grenzend aan tuinen/woningen. De trottoirtegels bevinden zich op gelijke hoogte met de klinkers en zijn niet zichtbaar afgescheiden van de andere bestrating door middel van trottoirbanden of een andersoortige markering. De auto van de betrokkene stond deels op de strook trottoirtegels naast het muurtje en deels op de klinkerbestrating.

7. Gegeven de hierboven geschetste inrichting van het deel van de Starstraat waar de betrokkene zijn voertuig had geparkeerd, oordeelt het hof dat tussen het muurtje en de tuinen/woningen niet een zodanige scheiding is aangebracht tussen de verschillende soorten bestratingen, dat gesproken kan worden van een trottoir. De weg is hier zo ingericht dat voertuigen gebruik kunnen maken van de gehele breedte van dit weggedeelte. Dit betekent dat dit deel van de Starstraat in zijn geheel als rijbaan moet worden aangemerkt. Dat de hieraan voorafgaande en opvolgende weggedeelten wel van een herkenbaar trottoir zijn voorzien, maakt dit niet anders.

8. Het voorgaande brengt mee dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. De inleidende beschikking dient derhalve, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, te worden vernietigd. Het bedrag van de zekerheidstelling zal aan de betrokkene worden gerestitueerd.

9. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en de zitting in hoger beroep. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 78,26, zijnde € 17,62 ( [woonplaats] - Rotterdam retour) + € 60,64 ( [woonplaats] - Leeuwarden retour).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 3 april 2015, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 187175978 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 78,26.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.