Naar de inhoud

ECLI:NL:GHARL:2017:3961 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 10-05-2017 / WAHV 200.171.373

Uitspraak

WAHV 200.171.373

10 mei 2017

CJIB 170053199

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 9 april 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] , kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie van de hoorplicht kon afzien.

2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift aan de officier van justitie heeft verzocht te worden gehoord. De officier van justitie heeft op het beroep beslist zonder aan dit verzoek te voldoen. De gemachtigde heeft vervolgens bij de kantonrechter geklaagd over schending van de hoorplicht.

3. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie in het bepaalde in artikel 7:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanleiding heeft kunnen zien om het horen achterwege te laten, nu sprake was van een kennelijk ongegrond beroep. Overwogen is dat de officier van justitie beleidsvrijheid heeft om een betrokkene al dan niet te horen.

4. Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de WAHV moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar, voor zover hier van belang, van afzien, indien het beroep kennelijk ongegrond is.

5. In de onderhavige zaak is de gedraging op inhoudelijke gronden betwist en heeft de officier van justitie het beroep op inhoudelijke gronden afgedaan. Van een kennelijk – dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is – ongegrond beroep is dan ook geen sprake. Nu ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 Awb zich niet voordoen, had de officier van justitie niet mogen afzien van het horen van de gemachtigde. Gelet op het vorenstaande kan de beslissing van de officier van justitie niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “andere richting volgen dan voorsorteerstrookrichting”, welke gedraging zou zijn verricht op 25 februari 2013 om 19.21 uur op de Schieweg te Delft met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

7. De gemachtigde heeft namens de betrokkene aangevoerd dat de betrokkene zich niet bewust is geweest van het begaan van deze gedraging. Daarnaast stelt de gemachtigde dat de gegevens uit het zaakoverzicht te summier zijn om een sanctie op te baseren. In het zaakoverzicht is bij de toelichting van de verbalisant als gedragingsgegevens opgegeven: zie bondocument (het hof begrijpt: brondocument). Dat de officier van justitie het brondocument bij de verbalisant heeft opgevraagd maakt dit niet anders, omdat dit nimmer aan de betrokkene is toegezonden. Thans is er, aldus de gemachtigde, sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht en artikel 6 van het EVRM.

8. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

9. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt - zakelijk weergegeven - in dat voormeld voertuig op voornoemde datum, tijd en plaats niet de door het voorsorteervak aangegeven richting heeft gevolgd.

10. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in de aankondiging van beschikking (het brondocument) houdt het volgende in:

“Betr. reed op Schieweg Delft komend Kruithuisweg gaand kruising Energieweg. Voor betr. reed vrachtauto. Betr. reed over rijstrook voor linksaf en haalde vrachtauto in en dook op laatste moment rechts van vrachtauto. Moest remmen om aanrijding te voorkomen. Aso. Verb. in privé auto.”

11. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht en artikel 6 van het EVRM. In het zaakoverzicht staat - naast de verwijzing van de verbalisant naar het brondocument - dat de verbalisant heeft geconstateerd dat met het voertuig van de betrokkene de gedraging als genoemd onder 8. is verricht. Het is thans niet zo - anders dan de gemachtigde meent - dat de gegevens in het zaakoverzicht te summier zijn om een sanctie op te baseren, nu de betrokkene weet welke gedraging hem wordt verweten.

12. Voorts brengt de omstandigheid dat het brondocument - kennelijk - niet naar de betrokkene (of diens gemachtigde) is verzonden, niet met zich mee dat er sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het rechtsbeginsel van equality of arms. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als de onderhavige daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en - indien aanwezig - een foto van de gedraging (vgl. het arrest van dit hof van 28 september 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7246). Gelet op het voorgaande valt het brondocument daar niet onder. De gemachtigde had er voor kunnen kiezen om dit alsnog op te vragen. Daarnaast had hij ook gebruik kunnen maken van het recht op inzage.

13. De gemachtigde heeft voor het overige geen voor deze zaak specifieke feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisant. Nu uit het dossier evenmin blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot twijfel, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het voorgaande brengt mee dat de sanctie terecht is opgelegd. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.

14. Vervolgens is de vraag aan de orde of termen aanwezig zijn voor toewijzing van het verzoek om door de betrokkene gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te vergoeden. Het hof kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het hoger beroep, het beroep bij de kantonrechter en het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. In aanmerking genomen dat de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie enkel op een formele grond worden vernietigd, in verband met de klacht van de betrokkene over schending van de hoorplicht door de officier van justitie, stelt het hof vast dat de betrokkene en/of diens gemachtigde niet ter zitting bij de kantonrechter is verschenen en evenmin in hoger beroep verzocht is te worden gehoord. In dit verband heeft de betrokkene ook geen concrete omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij in zijn belangen is geschaad door het achterwege blijven van een hoorzitting. Daarnaast heeft de gemachtigde andere formele bezwaren opgeworpen, maar in geen enkel stadium van de procedure inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de administratieve sanctie. Gelet daarop kan de wijze waarop de gemachtigde heeft geprocedeerd niet redelijkerwijs geacht worden de belangen van de betrokkene te dienen. Dit belang was gelegen in het aanvechten van de sanctie. Ook bij een uiterst terughoudende toetsing kunnen de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden niet redelijkerwijs geacht worden hierop gericht te zijn geweest. Aldus is niet gebleken van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die de betrokkene redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarom zal het hof het verzoek tot vergoeding van proceskosten afwijzen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Vlieger-Dijkstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Het brondocument is niet een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, Awb. Afwijzing verzoek proceskosten rechtsbijstand.

Gegevens

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak10-05-2017
Datum publicatie15-06-2017
ECLIECLI:NL:GHARL:2017:3961
ZaaknummerWAHV 200.171.373
Bijzondere kenmerkenHoger beroep
RechtsgebiedStraf(proces)recht