ECLI:NL:GHARL:2017:3972 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 11-05-2017 / WAHV 200.169.289

Uitspraak

AHV 200.169.289

11 mei 2017

CJIB 176263814

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland

van 13 maart 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “de lichtdoorlatendheid van voorruit / voorste zijruit(en) bedraagt minder dan 55%”, welke gedraging zou zijn verricht op 8 oktober 2013 om 13.51 uur op de Zuiderweg te Schagen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene voert aan dat niet de rechter beweegbare zijruit is gemeten, zoals in de aanvullende verklaring van de verbalisant staat, maar dat de linker beweegbare zijruit is gemeten. De rechter beweegbare en vaste zijruit en de linker vaste zijruit zijn helemaal niet gemeten en zijn op het oog te donker bevonden door de verbalisant. Voorts is de ruit voor de meting niet schoon gemaakt en er is voor aanvang van de meting geen simulatie test gedaan met het meetapparaat. Na de meting is tevens een foutieve berekening gemaakt. Dit geeft naar mening van de betrokkene aan dat de meting niet secuur is gedaan. Daarnaast staat in de verklaring van de verbalisant opgenomen dat hij vanuit de zitplaats van de bestuurder gezien heeft dat het zicht naar buiten beduidend minder was dan gebruikelijk. De betrokkene geeft aan dat de verbalisant nooit in de auto heeft gezeten.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt, naast de in de beschikking vermelde datum, tijd, plaats en het kenteken van het voertuig, onder meer het volgende in:

"Ik zag dat op de naast de bestuurder aanwezige zijruiten van het voertuig een folie was aangebracht waardoor deze ruiten er aanmerkelijk donkerder uitzagen dan gebruikelijk voor dit merk en type voertuig. Ik zag dat vanaf de bestuurderszitplaats het zicht door deze ruiten naar buiten ook beduidend minder was dan het zicht dat bij soortgelijke voertuigen gebruikelijk is. Het aanbrengen van een folie op een autoruit zal de lichtdoorlaatbaarheid van een ruit verminderen waardoor het zicht van de bestuurder naar buiten wordt belemmerd en daarnaast zal het zicht op de bestuurder voor andere weggebruikers worden belemmerd. (…)

Vervolgens heb ik, met een voor de meting gekalibreerd, NMI gecertificeerd en op de voorgeschreven wijze gebruikt meetmiddel, merk Tintman, de lichtdoorlatendheid van de zijruiten gemeten. Conform de in de geldende aanwijzing meting lichtdoorlatendheid van het college van procureurs-generaal voorgeschreven werkwijze heb ik per zijruit drie metingen verricht. Beide zijruiten voldeden niet aan de gestelde eis en de laagste gemiddelde gemeten waarde van deze drie metingen bedroeg 31% transmittantie. De gemiddelde gemeten waarde heb ik vervolgens gecorrigeerd met de maximale fout van 5% transmittantie. De gemiddelde gecorrigeerde waarde bedroeg derhalve: 31% transmittantie, zijnde een waarde die lager is dan de in de regeling voertuigen opgenomen lichtdoorlatendheidseis voor deze ruiten. Zijruiten, 3-plaatsenmeting, meting 1: 31%, meting 2: 30%, meting 3: 31%. Gemiddelde percentage 30,66% + 5% = 35,66%. Betrof (vul in: F of C) folie op de zijruit. Serienummer Tintman: TMN1684. Geldigheid calibratie tot: 20-12-2013."

5. Voorts bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 23 januari 2015, waarin een andere verbalisant namens de verbalisant [verbalisant] het volgende verklaart:

"Collega [verbalisant] heeft de meting verricht. De meting heeft plaatsgevonden op de rechter zijruit. De rechter zijruit is gemeten op drie plaatsen, te weten op het hart van de middellijnen van de ruit, linker onderhoek van de ruit en de rechter onderhoek van de ruit. De drie waarden die zijn gemeten: 31%, 30% en 32%. De gemiddelde waarde die gemeten is, is 31% vermeerderd met 5% transmittantie geeft dit een resultaat van 36%. Op het bijgevoegde proces-verbaal is te zien dat door collega [verbalisant] een foutieve berekening is gemaakt. Collega [verbalisant] heeft als eindwaarde genoteerd 30,66%. Hier zit dus een negatieve fout van 0,34%. Deze foutieve berekende waarde heeft geen effect gehad op het niet voldoen aan de wettelijke minimale eisen van de lichtdoorlaatbaarheid van de zijruit. Immers de gemeten waarden komen ver onder de minimale lichtdoorlatingswaarde van 55%. De linker voorste zijruit was net zo weinig licht doorlatend als de rechter voorste zijruit. Van deze linker voorste zijruit is geen meting verricht. Er is volstaan met de ervaring van het meten van de lichtdoorlatendheid van de voor-/zijruit(en)."

6. Gelet op hetgeen de betrokkene aanvoert dient het hof te onderzoeken of op juiste wijze is vastgesteld dat de lichtdoorlaatbaarheid van de voorste zijruiten van het voertuig van de betrokkene te gering was.

7. Op 1 januari 2010 is de Aanwijzing meting lichtdoorlatendheid inwerking getreden (Registratienummer 2009A025, Staatscourant 19482, 17 december 2009). Daarin is het volgende vermeld:

"Wijze van meten.

Het meetmiddel moet conform de handleiding worden bediend. Indien het vermoeden bestaat dat slechts één ruit niet aan de eisen voldoet moet deze ruit om een objectief resultaat te verkrijgen op drie verschillende plaatsen worden gemeten. Vervolgens wordt de gemiddelde waarde gecorrigeerd met de vaste correctie van 5% transmissie. Indien het vermoeden bestaat dat meer ruiten niet aan de eisen voldoen moeten per ruit drie metingen worden verricht en wordt van de drie metingen per ruit de gemiddelde waarde berekend.

Eisen aankondiging van beschikking

Indien meer dan één ruit niet aan de eisen voldoet wordt slechts één aankondiging van beschikking uitgereikt. Op de aankondiging van beschikking worden de ruiten vermeld die niet aan de eisen voldoen. Per ruit wordt de gemiddelde gemeten waarde en de gemiddelde gecorrigeerde lichtdoorlatendheidswaarde genoteerd. Deze gegevens worden eveneens ingevoerd in de Transactiemodule, zodat deze bij beroepszaken op het zaakoverzicht ten behoeve van de CVOM worden vermeld. "

Onder Wijze van meten is als noot 4 vermeld: "een lichtdoorlatendheidsmeter bestaat uit een lichtbron en een detector. De lichtbron wordt aan de buitenzijde van de te meten ruit geplaatst en de detector wordt aan de binnenzijde geplaatst. Voor aanvang van de meting moeten de 0% en 100% transmittantie (lichtdoorlatendheid) waarden worden gesimuleerd om de goede werking van het apparaat te controleren."

8. Uit hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd en het aanvullend proces-verbaal blijkt dat, anders dan in het zaakoverzicht wordt gesuggereerd, alleen de lichtdoorlaatbaarheid van de rechter zijruit is gemeten. Gelet op de Aanwijzing meting lichtdoorlatendheid dienen er, indien, zoals -volgens het zaakoverzicht- hier, het vermoeden bestaat dat meer ruiten niet aan de eisen voldoen, per ruit drie metingen te worden verricht. Ook blijkt uit het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal niet of voor aanvang van de meting de 0% en 100% transmittantie waarden zijn gesimuleerd. Het hof is daarom van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten met gegrondverklaring van het beroep daartegen de beslissing van de officier van justitie vernietigen en de inleidende beschikking vernietigen. Het aan zekerheid gestelde bedrag moet aan de betrokkene worden gerestitueerd.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 16 december 2013;

vernietigt de inleidende beschikking waarbij onder CJIB-nummer 176263814 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € 227,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.