ECLI:NL:GHARL:2017:4001 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 04-05-2017 / WAHV 200.192.474

Uitspraak

WAHV 200.192.474

4 mei 2017

CJIB 183184885

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 21 april 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 17 februari 2017 heeft het hof nog een nader schrijven van de betrokkene ontvangen. Daarbij is verzocht om een behandeling ter zitting.

De zaak is behandeld ter zitting van 21 april 2017. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. H. de Ruijter.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 juli 2014 om 09:25 uur op de Amsterdamseweg t.h.v. OV 80-1026 te Amersfoort met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene heeft aangevoerd dat hij ervan uitging dat de geeltijd vier seconden zou zijn, zoals volgens de betrokkene gebruikelijk is. De overtreding is het gevolg van een grijs gebied in de regelgeving en de willekeur van de wegbeheerder betreffende verkeerslichtinstallaties. De betrokkene heeft daartoe aangevoerd dat de overheid de geeltijd en de marge van de roodlichtcamera (het hof begrijpt: de pardontijd) laat afhangen van de wegbeheerder. De overheid geeft geen voorlichting over de variabele geeltijd en de geeltijd wordt nooit ter plaatse aangegeven. De weggebruiker weet derhalve niet wanneer wel of wanneer niet moet worden gestopt. Van de weggebruiker wordt verwacht dat deze precies op het juiste moment stopt. De overheid zorgt voor verwarring en schuift de verantwoordelijkheid af op weggebruikers die niet allemaal dezelfde inschatting maken en niet dezelfde reactie tijd hebben om veilig te stoppen of door te rijden. Voorts heeft de betrokkene aangevoerd dat het beroepschrift tijdens de zitting bij de kantonrechter niet behoorlijk is behandeld.

3. Het hof stelt met betrekking tot dit laatste verweer vast dat uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter blijkt dat de kantonrechter het beroep op 21 april 2016 ter openbare zitting heeft behandeld. De betrokkene is verschenen en heeft de gelegenheid gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen. Voorts blijkt dat de kantonrechter kennis heeft genomen van de door de betrokkene aangedragen argumenten en daarop heeft gereageerd. Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat de betrokkene voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt naar voren te brengen. Dat de betrokkene geen antwoord heeft gekregen op alle bij hem levende vragen maakt niet dat er sprake is van een onbehoorlijk behandeling. Het hof verwerpt het verweer.

4. De betreffende gedraging is een overtreding van artikel 62 in verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).

5. Artikel 68, eerste lid, van het RVV 1990 houdt in:

“Bij driekleurige verkeerslichten betekent:

a. groen licht: doorgaan;

b. geel licht: stop: voor bestuurders die het teken zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;

c. rood licht: stop.”

6. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht.

7. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“De overtreding is geautomatiseerd met roodlichtapparatuur met twee foto's digitaal/fotografisch vastgelegd.

Foto 1: Het betreffende voertuig activeert de radardetectie of de lus achter de stopstreep van het rode verkeerslicht. Op het moment van constatering brandde het rode licht reeds 0,7 seconden.

Foto 2: Circa een seconde later. Op foto 2 is duidelijk te zien dat het voertuig verder is gereden.

De geeltijd van deze constatering is zichtbaar op de flitsfoto."

8. De foto's van de gedraging bevinden zich in het dossier. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig met bovenvermeld kenteken ter plaatse rijdt. Het voertuig bevindt zich met de voorwielen op de stopstreep behorend bij het voor het voertuig bestemde verkeerslicht. Dat verkeerslicht straalt rood licht uit. De tweede foto is circa 1 seconde later genomen. Op die foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene zich voorbij het verkeerslicht bevindt, op de kruising. Uit de gegevens in de databalken onderaan de foto's blijkt dat het verkeerslicht op het moment dat de eerste foto werd genomen 0,7 seconden rood licht straalde. Voorts is vermeld dat de geelfase 3,1 seconden bedroeg.

9. Uit het samenstel van de foto's, de daarbij behorende gegevens en de verklaring van de verbalisant die de foto's heeft uitgelezen volgt dat door middel van roodlicht apparatuur is vastgesteld dat het voertuig met het kenteken [kenteken] op voormelde datum, tijd en plaats niet is gestopt voor het rode licht. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

10. Artikel 68 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 verplicht tot stoppen voor een geel verkeerslicht tenzij dat redelijkerwijs niet meer mogelijk is. In het algemeen mag worden verwacht dat een bestuurder te allen tijde in staat is zijn voertuig tijdig en op een verantwoorde wijze voor een verkeerslicht tot stilstand te brengen. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Slechts indien men het verkeerslicht zo dicht genaderd is dat stoppen niet meer mogelijk is, mag men doorrijden. Daarbij geldt dat van een bestuurder mag worden verwacht dat hij zelf een inschatting maakt of in een bepaald geval nog op een verantwoorde wijze kan worden gestopt. Daarbij dient betrokken te worden de snelheid waarmee gereden wordt en de afstand tot het verkeerslicht. De duur van de geeltijd speelt bij die afweging geen rol. In verband hiermee is niet vereist dat voorlichting wordt gegeven over de geeltijd of dat de geeltijd ter plaatse wordt aangegeven dan wel dat de regelgever harmoniserend optreedt ter zake van de duur van de geeltijd. Niet is gebleken van omstandigheden waardoor in de onderhavige situatie veilig stoppen voordat het verkeerslicht rood licht uitstraalde, redelijkerwijs niet mogelijk was. De geeltijd is daartoe niet te kort geweest. Bij een geeltijd van 3,1 seconden moet het bij een toegestane snelheid van 50 km/h en in aanmerking genomen de remvertraging van de in het voertuig van de betrokkene aanwezige bedrijfsrem mogelijk zijn geweest veilig en tijdig tot stilstand te komen. Dat de betrokkene ervan uitging dat de geeltijd langer was, betreft een omstandigheid die voor zijn rekening komt.

11. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben zich geen omstandigheden voorgedaan, die het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel nopen tot de vaststelling van een lager bedrag van de administratieve sanctie. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Dörholt als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.