ECLI:NL:GHARL:2017:4099 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 17-05-2017 / 200.172.331

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.172.331

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/295928)

arrest van 16 mei 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Montfoort Beheer B.V.

gevestigd te Montfoort,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna: Montfoort,

advocaat: mr. C.P. Visser,

tegen:


[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.P.G. Bouwman.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen die de rechtbank Utrecht, respectievelijk de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen partijen heeft uitgesproken op 29 december 2010, 9 november 2011, 4 april 2012, 4 september 2013, 30 december 2013 en 5 maart 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de door [geïntimeerde] op 28 maart 2014 uitgebrachte dagvaarding in hoger beroep,

- het exploot van 23 december 2014, waarbij Montfoort [geïntimeerde] heeft opgeroepen om voort te procederen,

- de door Montfoort genomen memorie van grieven tevens akte eiswijziging, met producties,

- de door [geïntimeerde] genomen memorie van antwoord, tevens van incidenteel hoger beroep, met producties,

- de door Montfoort genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- een door [geïntimeerde] genomen uitlaten akte met producties, en een antwoordakte uitlating producties van Montfoort,

- de ter openbare terechtzitting van 25 januari 2017 gehouden pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 10 januari 2017 door mr. Visser namens Montfoort zijn ingebracht, alsmede van de stukken bij het bericht van eveneens 10 januari 2017 van mr. Bouwman, namens [geïntimeerde] .

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald (op één dossier).

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.9. van het vonnis van 9 november 2011.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Partijen zijn elkaars buren in die zin dat zij de eigenaren zijn van buurpercelen: Montfoort is eigenaresse van de percelen ‘ [perceel A] ’ en ‘ [Perceel B] ’ ( [Perceel B] ) en [geïntimeerde] is eigenaar van de aan perceel [Perceel B] grenzende percelen ‘ [Perceel C] ’ en ‘ [Perceel D] ’ ( [Perceel D] ). In het bestreden vonnis (zoals gecorrigeerd bij herstelvonnis van 5 maart 2014) is in conventie vastgesteld dat er ten dienste van perceel [Perceel B] een recht van buurweg rust op het voorterrein van [Perceel C] , waarvan het tracé is getekend in een schets die aan het vonnis is gehecht. [geïntimeerde] heeft blijkens zijn memorie van antwoord/grieven berust in het vonnis, voor zover daarbij het bestaan en het tracé van de buurweg zijn vastgesteld.

4.2

In het principaal hoger beroep is het geschil in reconventie aan de orde, waarin de rechtbank bij eindvonnis heeft uitgesproken:

Verbiedt dat Montfoort Beheer gebruik maakt of laat maken dan wel voertuigen parkeert of laat parkeren op de percelen die in eigendom zijn van [geïntimeerde] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 200,00 per overtreding voor iedere keer dat Montfoort Beheer dit verbod (laat) overtreden en € 100,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 10.000,00.

Dit verbod is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is op 5 februari 2015 aan Montfoort betekend. Een eveneens door [geïntimeerde] ingestelde tegenvordering om Montfoort te gebieden het gedeelte van de buurweg dat op [geïntimeerde] perceel ligt vrij te houden voor verkeer is in het eindvonnis afgewezen. De proceskosten zijn bij het bestreden vonnis gecompenseerd.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

[geïntimeerde] heeft bij dagvaarding in hoger beroep aan Montfoort aangezegd dat hij hoger beroep instelt tegen de vonnissen van 9 november 2011, 4 april 2012, 4 september 2013, 30 december 2013 en 5 maart 2014, maar vervolgens heeft hij de zaak niet bij het hof aangebracht. Daarna heeft Montfoort hem gedagvaard voor het hof, onder aanzegging van hoger beroep van elk van de in het exploot van [geïntimeerde] vermelde vonnissen. Bij memorie van grieven heeft Montfoort geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, de vorderingen in reconventie alsnog in hun geheel zal afwijzen en ‘voor zover nodig expliciet [zal] bepalen dat Montfoort dan ook geen dwangsommen heeft verbeurd’.

5.2

Er zijn geen grieven gericht tegen de vonnissen van 4 april 2012 en 4 september 2013, zodat Montfoort niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen die vonnissen.

5.3

[geïntimeerde] heeft zich ten onrechte beroepen (onder 49 memorie van antwoord) op niet-ontvankelijkheid van Montfoort in haar vordering om te bepalen of er dwangsommen zijn verbeurd. De eisvermeerdering in conventie is in hoger beroep tijdig gedaan, namelijk bij de eerste conclusie. Dat het hoger beroep van Montfoort beperkt is tot de in reconventie gewezen vonnissen, blijkt niet.Uit het gebruik van de woorden ‘dan ook’ moet echter opgemaakt worden dat de vordering uitsluitend ter beoordeling voorligt indien het door de rechtbank opgelegde verbod zal worden vernietigd.

5.4

In het bestreden eindvonnis in reconventie zijn de vorderingen van [geïntimeerde] gedeeltelijk afgewezen. Door de zaak niet aan te brengen bij het hof heeft hij de bevoegdheid om grieven tegen de bestreden vonnissen aan te voeren niet prijsgegeven. Het beroep van Montfoort op de niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] is daarom ongegrond. Hieraan doet niet af dat [geïntimeerde] in zijn pleitnota heeft geschreven dat hij zijn hoger beroep heeft ingetrokken (§ 5) en in het eindvonnis heeft berust (§ 19), omdat [geïntimeerde] daarmee kennelijk alleen de zaak in conventie heeft bedoeld. In incidenteel hoger beroep vordert [geïntimeerde] , zo begrijpt het hof, om de door de rechtbank in reconventie uitgesproken veroordeling te versterken met de oorspronkelijk gevorderde dwangsombedragen, althans de dwangsom te stellen op aanzienlijke bedragen door het hof in goede justitie te bepalen.

is het verbod ten onrechte opgelegd? (principaal hoger beroep)

5.5

Uit rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis van 9 november 2011 en rechtsoverweging 2.18 van het eindvonnis blijkt dat de vordering van [geïntimeerde] om het verbod op te leggen is toegewezen, omdat [geïntimeerde] , als eigenaar, mag verhinderen dat gebruik van zijn terrein wordt gemaakt door (buiten de buurweg) daar overheen te rijden en/of door daarop te parkeren. Montfoort wil met het principaal hoger beroep bereiken dat dit verbod niet wordt opgelegd. Naar het hof begrijpt beroept zij zich daartoe op misbruik van het verbod door [geïntimeerde] , althans op het feit dat daarvan misbruik kan worden gemaakt en dat er, mede door interpretatieverschillen, executiegeschillen kunnen ontstaan.

5.6

Dat misbruik van het verbod kan worden gemaakt en dat dit verbod verschillend kan worden uitgelegd, met het daaraan verbonden risico van executiegeschillen, kan noch op zichzelf, noch in combinatie wegnemen dat [geïntimeerde] mag optreden tegen onrechtmatig gebruik dat Montfoort maakt of laat maken van Van Leeuwens perceel. [geïntimeerde] heeft daarbij nog steeds belang, ook al staat zijn perceel te koop. Montfoort heeft niet aangevoerd dat de kans op misbruik en/of op executiegeschillen kan worden verminderd door het verbod op een andere, maar nog steeds voldoende effectieve manier te formuleren.

5.7

Niet uit te sluiten valt dat [geïntimeerde] geen aanspraak meer mag maken op het verbod indien blijkt dat hij misbruik van de veroordeling heeft gemaakt. Het hof zal daarom onderzoeken in hoeverre daarvan sprake is geweest.

5.8

Van een overtreding door Montfoort zelf is niet gebleken. [geïntimeerde] heeft een foto overgelegd waarop Montfoort haar eigen auto herkent, maar nu [geïntimeerde] niet heeft toegelicht dat die auto op zijn perceel en buiten het tracé van de buurweg reed, kan in zoverre geen sprake van overtreding zijn. Partijen verschillen ook al niet van mening over de strekking van het verbod, voor zover daarmee is beoogd om bepaald rij- en parkeergedrag van Montfoort zelf te verbieden.

5.9

[geïntimeerde] heeft voorts tientallen foto’s overgelegd (ontleend aan CCTV-opnames), waarop volgens hem valt te zien dat er door bezoekers van Montfoort overtredingen zijn gepleegd. Montfoort heeft de foto’s afzonderlijk besproken en heeft een en ander betwist. Vervolgens bleek bij pleidooi dat [geïntimeerde] intussen een bodemzaak is begonnen tegen Montfoort, met als inzet de verschuldigdheid van dwangsommen.

5.10

Bij beantwoording van de vraag of de verbodsbepaling door parkeer- en ander rijgedrag van bezoekers van Montfoort is overtreden, toetst het hof de door Montfoort ter uitvoering van het verbod verrichte handelingen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Volgens de rechtsregel van het arrest [naam arrest] (HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9400) dient de rechter daarbij doel en strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

5.11

Met het opleggen van het verbod is het blijkens rechtsoverweging 4.13 van het tussenvonnis van 9 november 2011 en rechtsoverweging 2.18 van het eindvonnis te doen om het belang van [geïntimeerde] bij de medewerking van Montfoort bij het voorkomen van de verkeershinder die [geïntimeerde] ondervindt van voertuigen, die zonder toestemming of bevoegdheid daartoe gebruik maken van zijn perceel. Het gaat meer specifiek over het rijden over zijn perceel buiten de buurweg en tevens over het parkeren van voertuigen. In discussie is wanneer Montfoort het verbod overtreedt wanneer bezoekers van Montfoort op het terrein van [geïntimeerde] komen.

5.12

[geïntimeerde] interpreteert het verbod te ruim doordat hij er kennelijk vanuit gaat dat Montfoort het verbod reeds overtreedt (en de dwangsom verbeurt) zodra een auto van een derde zich buiten het tracé van de buurweg op zijn terrein begeeft. Die opvatting strookt niet met doel en strekking van het verbod. Dat strekt er immers toe dat Montfoort er zo goed als redelijkerwijs van hem verlangd mag worden voor zal zorgen dat haar bezoekers niet op het terrein van [geïntimeerde] komen (uitgezonderd voor zover zij over de buurweg rijden). Onweersproken heeft Montfoort in dit verband aangevoerd dat het enkele stilstaan van auto’s (bijvoorbeeld omdat chauffeurs elkaar tegenkomen en een praatje met elkaar maken) niet gelijk te stellen valt met het in het verbod bedoelde parkeren. Van dit laatste kan pas sprake zijn indien een voertuig er wat langer staat. Dat [geïntimeerde] van het (korte tijd) stilstaan de hinder ondervindt, met het oog waarop het verbod is uitgesproken, valt niet in te zien. Bovendien is er een nadere toelichting nodig om te kunnen begrijpen dat het bij dergelijke voorvallen gaat om iets dat Montfoort laat gebeuren. Montfoort heeft met § 21, § 42, § 52 en § 58 van haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep aangevoerd dat zij bezoekers, van wie zij weet dat zij hun auto op het terrein van [geïntimeerde] parkeren, verzoekt om die auto te verwijderen, maar dat niet van haar mag worden verlangd om ‘de wacht te houden’. Hierop heeft [geïntimeerde] geen steekhoudende tegenargumenten ingebracht. Dat op de door [geïntimeerde] overgelegde foto’s steeds auto’s staan van bezoekers van Montfoort is daarom niet gebleken, en voor zover het wel om bezoekers gaat is niet gebleken dat het gaat om parkeren, laat staan dat Montfoort een en ander heeft laten gebeuren.

5.13

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2.18 van het eindvonnis overwogen: Bovendien kan Montfoort niet in alle gevallen voorkomen dat haar bezoekers op het terrein van [geïntimeerde] parkeren indien onvoldoende maatregelen zijn genomen om dit te voorkomen. Hieruit blijkt enerzijds dat Montfoort een mogelijkheid moet hebben gehad om het ongewenste verkeersgedrag van bezoekers te voorkomen, wil dat gedrag een overtreding van Montfoort kunnen opleveren. Anderzijds moet hieruit opgemaakt worden dat het van het al of niet treffen van maatregelen door Montfoort kan afhangen of zij het verbod heeft overtreden. Nu echter niet is gebleken dat bezoekers van Montfoort op het terrein van [geïntimeerde] hebben geparkeerd, of buiten de buurweg over dat terrein hebben gereden, hoeft niet te worden onderzocht of die bezoekers als gevolg van een gebrek aan voorzorgsmaatregelen van Montfoort met hun auto het terrein van [geïntimeerde] zijn opgereden. Het hof sluit zich tevens aan bij de overweging van de rechtbank dat ook de vraag of [geïntimeerde] zelf voldoende heeft gedaan om het door hem gewraakte verkeersgedrag van bezoekers van Montfoort te voorkomen, van belang is bij de vaststelling van de hoogte van de dwangsom. Daarvoor zijn immers alle omstandigheden van het geval van belang.

5.14

Uit het bovenstaande blijkt dat [geïntimeerde] tot nu toe, zo oordeelt het hof op grond van het thans gepresenteerde bewijsmateriaal en de daarover ingenomen stellingen, uitsluitend ongegronde aanspraken heeft gemaakt op betaling van dwangsommen, maar ook dat [geïntimeerde] dat deed (en intussen ook nog een procedure heeft gestart om dwangsommen te innen) op grond van een onjuiste uitleg van het verbod. Voordat van misbruik van de executiebevoegdheid sprake kan zijn, moet onder deze omstandigheden echter ook blijken van bijkomende feiten en omstandigheden. Het had op de weg van Montfoort gelegen om de gestelde onrechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde] nader te onderbouwen. Nu Montfoort dat niet heeft gedaan, gaat het hof ervan uit dat de bevoegdheid van [geïntimeerde] om, als eigenaar, tegen de parkeerhinder op te treden is blijven bestaan. De bestreden vonnissen zullen daarom in het principaal hoger beroep worden bekrachtigd.

5.15

Uit het voorgaande blijkt tevens dat [geïntimeerde] onvoldoende redenen heeft aangevoerd om te twijfelen aan de effectiviteit van het verbod. Dat een hogere dwangsom nodig is, is niet gebleken. Ook in het incidenteel hoger beroep zal het hof de bestreden vonnissen bekrachtigen.

5.16

Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien de juistheid daarvan zou blijken, tot andere beslissingen kunnen leiden. Het hof gaat daarom aan de bewijsaanbiedingen van partijen voorbij.

6 Slotsom

6.1

Zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep falen de grieven. Dit betekent dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. Aan het vaststellen in het principaal hoger beroep dat Montfoort geen dwangsommen heeft verbeurd, komt het hof niet toe, nu de daaraan verbonden voorwaarde vernietiging van het verbod niet is ingetreden.

6.2

Gelet op de samenhang tussen het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep en het feit dat partijen over en weer op belangrijke onderdelen ongelijk hebben gekregen compenseert het hof de kosten in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart Montfoort niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vonnissen van 4 april 2012 en 30 december 2013;

bekrachtigt in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep de vonnissen van de rechtbank Utrecht, respectievelijk Midden-Nederland van 9 november 2011, 30 december 2013 en 5 maart 2014;

compenseert de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, S.B. Boorsma en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.