ECLI:NL:GHARL:2017:4358 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 23-05-2017 / 200.197.631

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.631

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 4075874)

arrest van 23 mei 2017

in de zaak van


[appellant]
,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant in het hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.C. de Jong,

tegen:

de besloten vennootschap Auto Service Arnhem B.V.,

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde in hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: ASA,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 mei 2015, 7 oktober 2015 en 4 mei 2016 die de kantonrechter bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 29 juli 2016,

- de memorie van grieven tevens wijziging van eis (met producties),

- het exploot van betekening van de memorie van grieven, tevens wijziging van eis.

2.2.

[appellant] heeft in hoger beroep na eiswijziging, kort gezegd, gevorderd om het eindvonnis van de rechtbank van 4 mei 2016 te vernietigen en voor recht te verklaren dat de overeenkomst dan wel overeenkomsten tussen partijen tot reparatie van de auto van [appellant] rechtsgeldig is of zijn vernietigd op grond van dwaling dan wel deze overeenkomst(en) alsnog te vernietigen op grond van dwaling dan wel deze te ontbinden. [appellant] vordert voorts veroordeling van ASA tot teruggave van de Nissan Primera met sleutels, papieren en verder toebehoren, en bij gebreke van die afgifte betaling van € 1.000,-- aan vervangende schadevergoeding met wettelijke rente daarover, terugbetaling aan [appellant] van een bedrag van € 1.000,-- aan betaalde reparatiekosten met de wettelijke rente daarover, betaling van € 1.709,-- aan schadevergoeding met wettelijke rente en de proceskosten.

2.3

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De beoordeling

3.1

De in de memorie van grieven opgenomen wijziging van eis is, blijkens het overgelegde betekeningsexploot, op 3 november 2016 aan ASA betekend. Ingevolge art. 353 lid 1 jo. 130 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is art. 120 lid 3 Rv ten deze van toepassing. In art. 120 lid 3 Rv is bepaald dat in het betekeningsexploot, op straffe van nietigheid, de voor dagvaarding voorgeschreven termijn (van zeven dagen, art. 114 Rv) in acht genomen moet worden. Dat is niet gebeurd. In het betekeningsexploot is als roldatum 8 oktober 2016 genoemd welke dag dus is gelegen vóór de dag van betekening van de eiswijziging. De memorie van grieven is vervolgens op 8 november 2016 genomen. Als in het exploot de juiste roldatum (8 november 2016) was vermeld, was het oordeel overigens niet anders zijn geweest: ook dan zou de conclusie zijn dat de toepasselijke termijn niet in acht is genomen. Het hof zal [appellant] , met analogische toepassing van art. 121 Rv (vgl. HR 25 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2357), in de gelegenheid stellen de eiswijziging opnieuw (met inachtneming van de voor dagvaarding voorgeschreven termijn) aan ASA te betekenen met aanzegging van de roldatum van 27 juni 2017.

3.2

De zaak zal tevens worden verwezen naar deze roldatum voor overlegging van het (nieuwe) betekeningsexploot. De kosten voor dit herstelexploot zullen voor rekening komen van [appellant] .

3.3

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

beveelt [appellant] om de (memorie van grieven houdende) wijziging van eis bij herstelexploot te doen betekenen aan ASA met aanzegging van de rol van 27 juni 2017;

verwijst de zaak naar genoemde rol teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen het herstelexploot te overleggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, I. Brand en B.J. Engberts en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2017.