ECLI:NL:GHARL:2017:4676 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-05-2017 / 200.191.106/01

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.191.106/01

(zaaknummers rechtbank C/08/171454 / ES RK 15-1397 en C/08/176050 / ES RK 15-2896)

beschikking van 30 mei 2017

inzake


[verzoekster]
,

wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.L.J.M. Kersten te Zwolle,

en


[verweerder]
,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. E.H. de Jonge-Wiemans te Zeist.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:


[bewindvoerder]
, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de man,

wonende te [C] ,

verder te noemen: de bewindvoerder.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 11 februari 2016, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 mei 2016;

- een journaalbericht van mr. Kersten van 18 mei 2016 met productie(s);

- een fax namens mr. De Jonge-Wiemans van 31 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Kersten van 12 juli 2016 met productie(s);

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van mr. De Jonge-Wiemans van 29 juli 2016;

- een akte houdende uitlatingen en aanvulling van het verzoek in hoger beroep van

mr. Kersten van 19 oktober 2016 met productie(s);

- een akte houdende uitlatingen en aanvulling van het verzoek in hoger beroep van

mr. Kersten van 31 oktober 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Kersten van 14 november 2016 met productie(s);

- een antwoordakte houdende bezwaar/verweer tegen akten houdende uitlatingen en

aanvulling in hoger beroep d.d. 19 oktober 2016 en 31 oktober 2016 van

17 november 2016;

- een journaalbericht van mr. De Jonge-Wiemans van 25 november 2011 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 28 november 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen de bewindvoerder. Mr. Kersten en mr. De Jonge-Wiemans hebben het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van door hun overgelegde pleitnota's.

3 De vaststaande feiten

3.1

In 2012 hebben partijen onder leiding van een mediator een overeenkomst opgesteld, waarin zij aangeven dat zij formeel gehuwd wensen te blijven maar afspraken hebben gemaakt op grond waarvan zij duurzaam gescheiden zullen leven. De overeenkomst met de gemaakte afspraken is gedateerd 7 december 2012 maar daadwerkelijk ondertekend op

21 december 2012.

3.2

Bij inleidend verzoekschrift heeft de man, voor zover nodig vertegenwoordigd door de bewindvoerder, de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken tussen hem en de vrouw en daarbij te bepalen dat partijen dienen over te gaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden als volgens het namens de man in te vullen en in te dienen webformulier.

3.3

De vrouw heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht primair ten aanzien van het namens de man ingediende echtscheidingsverzoek de niet-ontvankelijkheid uit te spreken dan wel de verzoeken af te wijzen en subsidiair, in het geval de rechtbank de echtscheiding wel uitspreekt:

- te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand maandelijks, steeds bij wijze van vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 2.500,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexering voor het eerst per 1 januari 2016, althans te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand maandelijks, steeds bij wijze van vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.072,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexering voor het eerst per 1 januari 2016;

- te bepalen dat de man gehouden is om per 1 juni 2015 maandelijks, waar nog mogelijk steeds bij wijze van vooruitbetaling te voldoen, een bijdrage verschuldigd is in het levensonderhoud van zijn zoon [D] (verder te noemen: [D] ), geboren [in]

1971 te [A] , van € 370,-, althans € 100,-, althans € 1.000,- per jaar, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;

- te bepalen dat de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen bij de overeenkomst van 21 december 2012 (gedateerd 7 december 2012) is vastgesteld en dat de man gehouden is tot nakoming van deze overeenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de man daarmee in gebreke blijft;

- te bepalen dat de vrouw het recht van gebruik heeft van de (voormalige) echtelijke woning van partijen aan de [a-straat] 15 te [A] , ook na het overlijden van de man en zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning aan de [a-straat] 15 te [A] en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort te zetten, zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is.

Ten slotte heeft de vrouw de rechtbank verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure en wel in de werkelijke door de vrouw gemaakte kosten aan de hand van de door de vrouw nader in het geding te brengen stukken en voorlopig te begroten op € 5.000,-, te vermeerderen met btw.

3.4

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw. Bij aanvullend verzoek heeft de man de rechtbank verzocht de overeenkomst van december 2012 te vernietigen, althans voor recht te verklaren dat de overeenkomst van december 2012 nietig is, althans nietig door vernietiging daarvan, althans tijdig is opgezegd door de man, althans niet meer geldt vanaf de echtscheiding, althans dat deze overeenkomst niet geldt als een echtscheidingsconvenant omdat deze niet met het oog op echtscheiding is opgesteld noch als (gewijzigde) huwelijksvoorwaarden, omdat het stuk niet voldoet aan artikel 1:115 e.v. BW en de vrouw te bevelen de woning te verlaten. Voor het geval het verzoek van de vrouw tot voortzetting van het gebruik van de woning wordt toegewezen, heeft de man verzocht om bij de (echtscheidings)beschikking te bepalen dat de vrouw vanaf de datum van de inschrijving van de ten deze uit te spreken echtscheiding een bedrag van € 17.760,- per jaar (€ 1.480,- per maand) zal voldoen, als redelijke vergoeding, als bedoeld in artikel 1:165 BW, zolang zij de woning van de man niet heeft verlaten.

3.5

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:

- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;

- voor recht verklaard dat de overeenkomst d.d. 7 december 2012 geen rechtskracht heeft met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

- de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil bepaald;

- partijen bevolen over te gaan tot afwikkeling van de tussen hen geldende huwelijkse voorwaarden;

- bepaald dat de vrouw, als deze op het ogenblik van de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [a-straat] 15 te

[A] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden voort te zetten zonder gebruiksvergoeding;

- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens voor zover het de echtscheiding en de verklaring voor recht betreft;

- de kosten in de procedure gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.6

De man heeft, nadat hij van dit hof een zogenaamde akte non-appel heeft verkregen, de beschikking op 7 september 2016 doen inschrijven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

11 februari 2016. Partijen twisten over de vraag of de vrouw met haar appelschrift ook hoger beroep heeft ingesteld tegen de echtscheiding zelf. Het hof stelt voorop dat het lichaam van het beroepschrift en het petitum in onderling verband en samenhang moeten worden beschouwd. De eerste grief van de vrouw is enkel en alleen gericht tegen het uitspreken van de echtscheiding door de rechtbank. Daarnaast heeft de vrouw een subsidiair verzoek gedaan voor het geval dat het hof de echtscheiding in stand zou laten. Gelet daarop is het - hoewel de vrouw heeft nagelaten een verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking dan wel vernietiging van de bestreden beschikking op het punt van de echtscheiding op te nemen in het petitum van haar beroepschrift - evident dat de vrouw de bedoeling had om ook tegen de echtscheiding appel in te stellen en dient een verzoek tot vernietiging van de bestreden beschikking op het punt van de echtscheiding in het petitum van het verweerschrift te worden ingelezen. De man heeft zich ook hiertegen kunnen verweren. Dit houdt in dat het hof ook dient te beoordelen of de rechtbank op goede gronden de echtscheiding heeft uitgesproken. Overigens betekent het voorgaande dat het hof ten onrechte een akte non-appel heeft afgegeven en dat de echtscheidingsbeschikking, nu deze nog geen kracht van gewijsde had, niet had mogen worden ingeschreven.

4.2

De vrouw verzoekt het hof (naar het hof begrijpt:) de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel zijn verzoeken af te wijzen en voorts te bepalen dat de man gehouden is uitvoering te geven aan de inhoud van de overeenkomst van 7/21 december 2012 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat de man daarmee in gebreke blijft, althans te bepalen dat:

- de man jaarlijks - met ingang van 2016 - € 1.000,- aan zoon [D] voldoet;

- de man maandelijks € 800,- aan de vrouw dient te voldoen (naar het hof begrijpt:) als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;

- de vrouw levenslang het recht van gebruik van de woning aan de [a-straat] 15 te [A] heeft, zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is.

Subsidiair verzoekt de vrouw, in het geval het hof tussen partijen de echtscheiding uitspreekt:

- te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand maandelijks, steeds bij wijze van vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.500,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2017, althans:

- te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand maandelijks, steeds bij wijze van vooruitbetaling, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.075,- bruto per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2017;

- te bepalen dat de man per 1 januari 2016, maandelijks, waar nog mogelijk steeds bij wijze van vooruitbetaling te voldoen, een bijdrage verschuldigd is in het levensonderhoud van zijn zoon [D] van € 262,25 per maand, althans € 1.000,- per jaar, te vermeerderen met de wettelijke rente in geval van niet tijdige betaling en per 1 januari van ieder jaar te vermeerderen met de wettelijke indexeringen als bedoeld in artikel 1:402a BW;

- te bepalen dat de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen bij overeenkomst van 21 december 2012 (gedateerd 7 december 2012) is vastgesteld en dat de man gehouden is tot nakoming van deze overeenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per keer dat de man daarmee in gebreke blijft;

- te bepalen dat de vrouw het recht van gebruik heeft van de (voormalige) echtelijke woning van partijen aan de [a-straat] 15 te [A] , ook na het overlijden van de man en zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning aan de [a-straat] 15 te [A] en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende 6 maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand voort te zetten, zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is.

4.3

De vrouw heeft haar verzoek bij akte van 31 oktober 2016 gewijzigd, in die zin dat bij het subsidiaire verzoek onder het vijfde gedachtestreepje zij het hof, indien het hof de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding bekrachtigt, verzoekt te bepalen dat de vrouw het recht van gebruik heeft van de (voormalige) echtelijke woning van partijen aan de [a-straat] 15 te [A] , ook na het overlijden van de man en zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans voor recht te verklaren dat de inschrijving van de echtscheiding op 7 september 2016 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam ten onrechte heeft plaatsgevonden en voorts te bepalen dat de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning aan de [a-straat] 15 te [A] en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende 6 maanden na de datum van de uitspraak van het hof voort te zetten, zonder dat zij daarvoor een gebruiksvergoeding verschuldigd is, althans voor recht te verklaren dat de inschrijving van de echtscheiding op

7 september 2016 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam ten onrechte heeft plaatsgevonden en voorts te bepalen dat de man niet eerder dan na het verstrijken van een periode van 6 maanden na de datum van de uitspraak van het hof gerechtigd is de vrouw te verzoeken of te dwingen de woning aan de [a-straat] 15 te [A] te verlaten en voorts te bepalen dat de vrouw gedurende haar bewoning van deze woning geen gebruiksvergoeding verschuldigd is.

4.4

De man heeft verweer gevoerd en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en de verzoeken van de vrouw in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren althans af te wijzen.

4.5

De man heeft het hof bij antwoordakte van 18 november 2016 verzocht de gewijzigde/vermeerderde/aangevulde verzoeken van de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen. Nu het hof van oordeel is dat het hoger beroep van de vrouw ook gericht is tegen de echtscheiding, zoals hiervoor overwogen, acht het hof de bezwaren van de man in deze ongegrond.

4.6

Tussen partijen zijn de volgende punten in geschil:

● de echtscheiding;

● de verzoeken ten behoeve van [D] ;

● de werking van de overeenkomst van december 2012;

● de door de man te betalen partneralimentatie, en wel op de volgende punten:

○ de behoeftigheid van de vrouw;

○ de draagkracht van de man, en in het bijzonder:

○ het inkomen van de man;

○ de huurinkomsten van de man;

○ de te betalen inkomstenbelasting over de voormalige echtelijke woning;

○ het vermogen van de man;

○ de woonkosten van de man;

● de bewoning van de voormalige echtelijke woning.

5 De motivering van de beslissing

De echtscheiding

5.1

Blijkens artikel 1:151 BW wordt de echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is. Tussen partijen is niet in geschil dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw is echter van mening dat er ten opzichte van 2012 niets is veranderd, in die zin dat beide partijen nog steeds hun echtscheiding niet willen formaliseren. De vrouw stelt dat de bewindvoerder achter het verzoek van de man zit en dat dit niet de eigen wil van de man is. Zij kan zich niet voorstellen dat de man wil dat de vrouw de woning verlaat, waarvan hun beider zoon [D] , die gehandicapt is, de dupe wordt. De vrouw is dan ook van mening dat de rechtbank de echtscheiding tussen partijen ten onrechte heeft uitgesproken. De man heeft ter zitting van zowel de rechtbank als het hof echter duidelijk verklaard dat hij van de vrouw wil scheiden. Het hof heeft geen aanleiding te veronderstellen dat dit niet de eigen wil van de man is. De man is consistent in deze wens, beseft naar het oordeel van het hof goed wat hij zegt en wat de gevolgen van een echtscheiding zullen zijn. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de echtscheiding op juiste gronden is uitgesproken. Het hof zal de bestreden beschikking op dat punt bekrachtigen.

De verzoeken ten behoeve van [D]

5.2

De vrouw heeft het hof verzocht te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [D] dient te voldoen. Naar het oordeel van het hof is dit geen nevenvoorziening die de vrouw op grond van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de onderhavige (echtscheidings)procedure kan verzoeken. Het hof zal de vrouw daarom niet-ontvankelijk verklaren voor zover haar appel ziet op een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van [D] .

De werking van de overeenkomst van december 2012

5.3

Partijen verschillen van mening over de bedoeling van de overeenkomst die zij in december 2012 sloten. De vrouw stelt dat in die overeenkomst een complete financiële afwikkeling op grond van de huwelijkse voorwaarden is overeengekomen alsook de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van [D] en de vrouw.

Het officieel gehuwd blijven had volgens haar voor de financiële afwikkeling geen enkele betekenis; de afwikkeling zou exact dezelfde zijn geweest wanneer partijen op dat moment wel officieel gescheiden waren.

Naar de mening van de vrouw geldt de tussen partijen in december 2012 gesloten overeenkomst dan ook onverkort, ook in het geval tussen hen een officiële echtscheiding tot stand zou komen.

De man stelt echter dat deze overeenkomst niet tot stand is gekomen met het oog op een echtscheiding en dus ook niet gezien kan worden als een echtscheidingsconvenant zodat de overeenkomst haar werking verliest na de echtscheiding.

5.4

Nu partijen twisten over de bedoeling en de uitleg van de overeenkomst van

december 2012 dient het hof deze uit te leggen aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf. Het komt dan aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij die uitleg is de tekst van (de diverse bepalingen van) de overeenkomst van belang. De uitleg van de overeenkomst dient daarbij niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld, maar in praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen in het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van de overeenkomst wel van groot belang. Daarnaast is onder meer de context van belang, dat wil zeggen de verschillende bepalingen bezien in onderling verband, en verder de aard en strekking van de diverse bepalingen en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan.

5.5

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat partijen in 2012 de bedoeling hadden om uit elkaar te gaan. Ter zitting van het hof is gebleken dat de man aanvankelijk formeel wilde scheiden maar dat hij van gedachten is veranderd omdat een echtscheiding geld zou gaan kosten. Dat partijen in 2012 weliswaar gescheiden van elkaar wilden gaan leven maar niet formeel wilden scheiden blijkt ook uit de inhoud van de overeenkomst, immers op de eerste pagina staat:

De heer [verweerder] (...)

en

Mevrouw [verzoekster] (...)

Nemen het volgende in aanmerking:

(...)

4. Het huwelijk van partijen is ontwricht. Partijen wensen formeel gehuwd te blijven, maar willen afspraken maken op grond waarvan zij duurzaam gescheiden zullen leven.

5. Deze afspraken wensen zij vast te leggen in deze onderhandse overeenkomst.

(...)

Het hof leidt hieruit af dat partijen op het moment van het sluiten van de overeenkomst de bedoeling hadden om gehuwd te blijven. De afspraken die partijen hebben gemaakt waren gericht op de situatie dat partijen (gehuwd) duurzaam gescheiden van elkaar zouden gaan leven. Partijen hebben beoogd voor deze situatie een financiële regeling te treffen. De overeenkomst kan niet worden gezien als een echtscheidingsconvenant want is niet gesloten met het oog op een aanstaande echtscheiding. Uit dit alles volgt dat de overeenkomst gezien moet worden als een overeenkomst waarvan de duur is beperkt tot het moment dat partijen formeel zijn gescheiden.

Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank dat met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de overeenkomst van partijen geen rechtskracht heeft bekrachtigd kan worden, zij het op de hiervoor overwogen gronden.

5.6

Het hof ziet geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid bij de afrekening tussen partijen als ex-echtelieden af te wijken van de huwelijkse voorwaarden en te oordelen dat de financiële afwikkeling dient plaats te vinden zoals tussen hen bij overeenkomst van december 2012 is geregeld, zoals de vrouw subsidiair heeft aangevoerd. Zoals hiervoor is aangegeven hebben partijen de overeenkomst in 2012 gesloten met het oog op de situatie waarin zij weliswaar gehuwd bleven maar gescheiden van elkaar zouden gaan leven. Het enkele feit dat partijen zich de afgelopen jaren aan die overeenkomst hebben gehouden vormt geen aanleiding om op grond van de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zullen de financiële afwikkeling van hun huwelijk derhalve nog dienen te regelen.

De door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw

5.7

De vrouw heeft het hof verzocht te bepalen dat de man gehouden is om maandelijks een bijdrage te voldoen in de kosten van haar levensonderhoud. Om te beoordelen of de man daartoe gehouden en in staat is zal het hof om proceseconomische redenen allereerst de vraag bespreken of en zo ja in hoeverre de man in staat is om deze bijdrage aan de vrouw te voldoen. Het hof zal voor de draagkracht het jaar 2017 als uitgangspunt nemen. Zoals hiervoor is overwogen, had de echtscheidingsbeschikking nog geen kracht van gewijsde ten tijde van de inschrijving ervan. Door de bekrachtiging in deze beschikking van de beslissing van de rechtbank kan, nadat deze (hof)beschikking kracht van gewijsde heeft verkregen, de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank alsnog worden ingeschreven, waarna het huwelijk pas is ontbonden. Een eventuele alimentatieverplichting zal derhalve niet eerder dan in 2017 ingaan.

Het inkomen van de man

5.8

De man had in 2017, net als de vrouw, aanspraak op een bruto AOW-uitkering van afgerond € 1.153,- per maand en daarover vakantiegeld ad afgerond € 72,- bruto per maand. Daarnaast heeft hij inkomsten vanuit zijn eigen pensioen en het pensioen van de vrouw. Niet in geschil is dat partijen hun pensioenen zullen verdelen, zodat zij beiden aanspraak hebben op de helft van het pensioen van de ander. De man heeft daardoor aanspraak op de volgende bedragen:

- de helft van het pensioen van de [E] , zijnde afgerond € 552,- bruto per maand;

- de helft van het pensioen van het [F] , zijnde afgerond € 73,- bruto per maand;

- de helft van het levenslang pensioen van [G] , zijnde afgerond € 89,- bruto per maand;

- de helft van het pensioen van de [H] , zijnde € 60,- netto per maand.

Voorts ontvangt de man de helft van de rente over een lening die partijen in het verleden aan hun zoon [I] hebben verstrekt, zijnde € 75,- per maand.

De huurinkomsten van de man

5.9

De man heeft voorts huurinkomsten van in totaal (afgerond) € 1.727,- per maand, zijnde € 20.724,- per jaar. Partijen twisten over de vraag of hierop kosten in mindering dienen te worden gebracht en zo ja, hoe hoog deze kosten dan zijn.

De vrouw is van mening dat er geen rekening gehouden dient te worden met onderhoudskosten omdat er onlangs groot onderhoud aan de woningen is verricht. Naar het oordeel van het hof is het echter redelijk om de man in staat te stellen om geld te reserveren voor onderhoud dat zich de komende jaren zal aandienen. Het hof acht het, gelet op het onderhoud dat de afgelopen jaren aan de woningen is verricht, redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 300,- per maand aan onderhoudskosten, zijnde € 3.600,- per jaar. Daarnaast houdt het hof rekening met de verzekeringspremie ad € 543,58 per jaar, watersysteemheffing ad € 152,08 per jaar en gemeentelijke belastingen ad € 499,54 per jaar. Het hof zal derhalve de huurinkomsten van de man met een bedrag van afgerond € 4.795,- verminderen, zodat een bedrag ad € 15.929,- per jaar overblijft.

De te betalen inkomstenbelasting over de voormalige echtelijke woning

5.10

De vrouw stelt dat de man in box 3 geen inkomstenbelasting hoeft te betalen over de woning in [A] . Naar het oordeel van het hof is dit, voor de periode waarover het hof thans oordeelt, onjuist. De woning is onderdeel van het vermogen van de man zodat hij daarover ook inkomstenbelasting verschuldigd is.

Het vermogen van de man

5.11

De vrouw gaat in haar draagkrachtberekeningen van de draagkracht van de man uit van een rendementsgrondslag van de man van € 700.000,-, daar waar de rechtbank uitgaat van een rendementsgrondslag van € 707.000,-. Nu het hof over onvoldoende stukken beschikt om de rendementsgrondslag goed vast te stellen en de man, zoals hieronder zal blijken, ook bij een rendementsgrondslag van € 700.000,- geen draagkracht meer heeft om enige bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te voldoen zal het hof, net als de vrouw, uitgaan van een rendementsgrondslag van € 700.000,-.

De woonkosten van de man

5.12

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is genoegzaam gebleken dat de woonkosten van de man minimaal € 2.284,- per maand bedragen. De man heeft aangetoond dat hij heeft getracht deze eigen bijdrage voor zorg en verblijf aan het CAK om laag te krijgen, maar dat dit niet is gelukt omdat de man gezien zijn hoge vermogen in het hoogste tarief valt. Het hof zal in de draagkrachtberekening van de man dan ook rekening houden met dit bedrag aan woonkosten.

De draagkracht van de man

5.13

Gelet op het vorenstaande, en de overige niet betwiste posten uit de draagkrachtberekening van de rechtbank, berekent het hof de draagkracht van de man op nihil.

De bewoning van de voormalige echtelijke woning

5.14

De vrouw heeft het hof primair verzocht te bepalen dat zij tot het moment dat zij overlijdt het gebruiksrecht van de woning aan de [a-straat] 15 te [A] krijgt toegewezen, zonder dat zij hiervoor enige vergoeding is verschuldigd.

Naar het oordeel van het hof kan de vrouw het recht tot bewoning van de woning aan de [a-straat] 15 te [A] niet ontlenen aan de overeenkomst van december 2012, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Daarnaast volgt het door de vrouw geformuleerde gebruiksrecht van de echtelijke woning evenmin uit enige wettelijke regeling. Het hof zal het primaire verzoek van de vrouw ten aanzien van de echtelijke woning dan ook afwijzen.

5.15

Het subsidiaire verzoek van de vrouw om, kort gezegd, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en inboedel zonder gebruikersvergoeding tot zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, heeft de rechtbank reeds toegewezen. Aangezien de man zich hierin kan vinden kan de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigd dient te worden. Vanzelf spreekt dat de termijn pas ingaat op het moment dat, zoals overwogen in 5.7, de echtscheidingsbeschikking op de juiste wijze is ingeschreven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de grieven deels terecht voorgesteld, maar kunnen zij - behoudens de herformulering van de verklaring voor recht - niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, zodat deze dienovereenkomstig zal worden bekrachtigd.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft een berekening van de draagkracht van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekening is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar appel voor zover dit ziet op de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [D] ;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van

11 februari 2016, onder verbetering van gronden, voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en

M. van Gaalen, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 30 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.