ECLI:NL:GHARL:2017:4871 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-06-2017 / WAHV 200.173.628

Uitspraak

WAHV 200.173.628

8 juni 2017

CJIB 177408523

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 18 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (bijv. laten stilstaan op een trottoir/voetpad etc.)”, welke gedraging zou zijn verricht op 14 november 2013 om 13:54 uur op de Maastrichterlaan te Vaals met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene ontkent niet dat hij zijn voertuig op voormelde datum, tijd en plaats heeft neergezet. Hij parkeert hier echter al sinds jaar en dag en had ook een parkeerkaartje gekocht. Ter plekke staat een verkeersbord E4 (‘Parkeergelegenheid’). Eén week voor 14 november 2013 is er aan dit bord een onderbord bevestigd met de tekst: ‘alleen in de vakken’. Dit onderbord was de betrokkene niet opgevallen. Het onderbord is volgens de betrokkene ook overbodig en het voldoet niet aan Europese wetgeving. De parkeervakken waren bovendien niet zichtbaar vanwege op de nieuwe bestrating uitgestrooid zand. Door de verklaring van de verbalisant zwaarder te laten wegen dan de verklaring van de betrokkene, suggereert de kantonrechter dat de verbalisant geen fouten maakt. De betrokkene klaagt verder over de lange duur van de procedure en het laat beslissen door de kantonrechter.

3. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Deze bepaling luidt:“Andere bestuurders dan die genoemd in de artikelen 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.”

4. Doorgaans volstaat in zaken als deze voor de vaststelling dat de gedraging is verricht de ambtsedige verklaring van de verbalisant.

5. In de onderhavige zaak houdt deze verklaring, die is opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, niet meer in dan dat de verbalisant de onder 1. vermelde gedraging heeft geconstateerd. De betrokkene heeft aangegeven dat hij zijn voertuig buiten een parkeervak heeft geparkeerd. Echter, uit zijn verklaring noch enig ander stuk blijkt waar het voertuig zich precies bevond en dus evenmin of dit al dan niet was op een tot de rijbaan behorend weggedeelte. Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op het uitvoerige en consistente verweer van de betrokkene, de ambtsedige verklaring van de verbalisant in dit geval te summier om op basis daarvan te kunnen vaststellen dat deze gedraging is verricht.

6. Mogelijk heeft de verbalisant bedoeld de betrokkene een sanctie op te leggen voor het overtreden van artikel 24, vierde lid, van het RVV 1990: kort gezegd het parkeren buiten de parkeervakken bij een bord E4. Nog daargelaten de vraag of uit de stukken voldoende blijkt dat die gedraging is verricht, acht het hof het in dit stadium van de procedure wijzigen van de feitcode niet opportuun.

7. Bij voormelde stand van zaken kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.

Dat brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd evenals, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking. De overige bezwaren van de betrokkene kunnen nu onbesproken blijven.

8. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 10,10 (Sint Dyonisiusweg, Wittem naar Sint Annadal, Maastricht v.v.).

9. Het Bpb voorziet niet in een vergoeding van de overige door de betrokkene genoemde kosten.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 31 januari 2014, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 177408523 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 10,10.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.