ECLI:NL:GHARL:2017:4913 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 12-06-2017 / WAHV 200.185.050

Uitspraak

WAHV 200.185.050

12 juni 2017

CJIB 180015456

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 23 december 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

kantoorhoudende te [plaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “Als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken (feitcode R315B)”, welke gedraging zou zijn verricht op 3 maart 2014 om 22:55 uur op de Hoog Buurlostraat te Den Haag met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep dient te worden vernietigd omdat de officier van justitie niet heeft gehandeld in overeenstemming met de wettelijke hoorplicht. Er kon niet zomaar de conclusie worden getrokken dat het administratief beroep kennelijk ongegrond was. Ook is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden nu de betrokkene in de besluitvormingsfase niet de gelegenheid heeft gekregen om te reageren op het aanvullend proces-verbaal. Aan deze beroepsgrond is de kantonrechter ongemotiveerd voorbij gegaan.

Met betrekking tot de wijziging van de omschrijving van de gedraging en de feitcode waartoe de officier van justitie ter zitting bij de kantonrechter gekomen is, merkt de gemachtigde op dat de vraag of sprake is van het (niet) gebruiken van de rijbaan dan wel of een voertuig (niet) geparkeerd heeft gestaan voor een inrit of een uitrit een wezenlijk andere beoordeling vergt. De kantonrechter is niet ingegaan op het betoog van de betrokkene dat de betrokkene de enige eigenaar is van de garage en dat het dus uitsluitend zijn belang is dat er niet door anderen wordt geparkeerd.

De gemachtigde stelt verder dat uit het aanvullend proces-verbaal niet blijkt dat het voertuig van de betrokkene voor een inrit of een uitrit zou hebben gestaan. Verder hebben dienstdoende (parkeer)controleurs meerdere malen laten weten dat de betrokkene op onderhavige plaats mocht parkeren. Voorts heeft de gemachtigde bezwaren aangevoerd tegen de in rekening gebrachte administratiekosten en de hoogte daarvan en voert de gemachtigde aan dat de kosten voor het instellen van administratief beroep en beroep bij de rechtbank moeten worden vergoed, nu de feitcode is gewijzigd.

3. Ten aanzien van de klacht van de gemachtigde dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden, overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 7, tweede lid, WAHV juncto artikel 7:16 van de Awb moet de officier van justitie de indiener van het administratief beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb, kan van het horen worden afgezien indien de indiener niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

4. Het is het hof ambtshalve bekend dat de rechtsmiddelenverwijzing onder een inleidende beschikking in dit verband de volgende passage bevat: "Eventueel kunt u aangeven of u uw beroep telefonisch wilt toelichten (gehoord worden). Vermeld dit dan in uw brief samen met het telefoonnummer waarop u tijdens kantooruren bereikbaar bent."

5. Het hof stelt vast dat in administratief beroep niet is verzocht om te worden gehoord door de officier van justitie. Gelet daarop heeft de officier van justitie er van kunnen afzien de betrokkene naar aanleiding van het ingestelde beroep te horen. De stelling van de gemachtigde dat de officier van justitie niet heeft voldaan aan de hoorplicht, gaat dus niet op.

6. De opvatting van de gemachtigde dat hij in de gelegenheid had moeten worden gesteld om kennis te nemen van en te reageren op het aanvullende proces-verbaal van de verbalisant van 21 mei 2014, alvorens de officier van justitie op het administratief beroep mocht beslissen, vindt geen steun in het recht. Met de gemachtigde kan worden vastgesteld dat de kantonrechter niet op deze beroepsgrond is ingegaan. In zoverre ontbeert de beslissing van de kantonrechter een deugdelijke motivering. Dit gebrek leent zich echter op zichzelf voor verbetering van de gronden van de beslissing van de kantonrechter en brengt derhalve niet mee dat de beslissing van de kantonrechter moet worden vernietigd.

7. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Hierin is bepaald, voor zover hier van belang, dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken en dat zij voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten mogen gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.

8. Met de gemachtigde kan worden vastgesteld dat niet op het trottoir is geparkeerd. Het voertuig van de betrokkene stond voor een inrit. Daar bevond zich geen trottoir. De in de inleidende beschikking opgenomen gedraging en de daarbij behorende feitcode is derhalve niet juist.

9. Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat de vertegenwoordiger van de officier van justitie dit ook heeft onderkend. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de officier van justitie verzocht de feitcode te wijzigen in feitcode R397B. Deze feitcode heeft betrekking op de gedraging met de volgende omschrijving: "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" en betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid onder b van het RVV 1990 dat luidt: "De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit."

10. Het hof stelt vast dat de kantonrechter bij de bestreden beslissing niet tot wijziging van de inleidende beschikking is overgegaan maar wel is ingegaan op de op de door de officier van justitie genoemde (nieuwe) gedraging en feitcode betrekking hebbende bezwaren en die bezwaren heeft verworpen. Dat is niet juist. Indien de kantonrechter tot de conclusie komt dat de in de inleidende beschikking opgenomen gedraging en feitcode niet juist is, maar een andere gedraging en feitcode wel, dient hij na te gaan of een wijziging van de inleidende beschikking op dat punt toelaatbaar is. Indien de kantonrechter bevindt dat dit het geval is en voorts dat de op de (nieuwe) gedraging en feitcode betrekking hebben bezwaren geen doel treffen dient hij, met gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie, tot wijziging van de inleidende beschikking over te gaan. Gelet hierop kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven en zal het hof doen wat de kantonrechter had behoren te doen.

11. Bij de beantwoording van de vraag of wijziging van de inleidende beschikking op het punt van de omschrijving van de gedraging met bijbehorende feitcode als zodanig toelaatbaar is, dient te worden nagegaan of de betrokkene door zodanige wijziging niet in zijn verdedigingsbelangen is geschaad. Het hof stelt voor dat daarvan hier geen sprake is. Voor de betrokkene was duidelijk waartegen hij zich -na de wijziging- diende te verweren en hij heeft dat ook gedaan. Het sanctiebedrag behorende bij de oude en de nieuwe feitcode is hetzelfde. In zoverre bestaat daarom geen bezwaar tegen de wijziging van de gedraging en de feitcode.

12. Vervolgens dient het hof te beoordelen of voor de gedraging "als bestuurder een voertuig parkeren voor een inrit of uitrit" een sanctie moet worden opgelegd.

13. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de betrokkene heeft geparkeerd voor de inrit tot zijn garage. Het is uitsluitend in het belang van de betrokkene dat ter plaatse niet wordt geparkeerd. Op de garagedeur is voorts het kenteken van het voertuig van de betrokkene vermeld, zodat ook voor de verbalisant duidelijk kon zijn dat het voertuig geparkeerd stond op de eigen oprit. Verder heeft de gemachtigde gesteld dat de betrokkene bij dienstdoende parkeercontroleurs in zijn straat heeft gevraagd of hij zijn voertuig op de inrit mocht parkeren. Deze vraag is telkens in positieve zin beantwoord. Gelet hierop mocht de betrokkene erop vertrouwen dat hij ter plaatse mocht parkeren.

14. Hetgeen door de gemachtigde is aangevoerd, brengt niet mee dat de gedraging niet is verricht.

15. Vervolgens rijst de vraag of hetgeen is aangevoerd meebrengt dat oplegging van een sanctie niet billijk is of de het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Daartoe stelt het hof vast dat de verbalisant niet heeft betwist hetgeen is aangevoerd. Hetgeen de verbalisant heeft gerelateerd heeft slechts betrekking op het parkeren op het trottoir. Ook van de zijde van het openbaar ministerie is niet betwist hetgeen is aangevoerd. Ter zitting van de kantonrechter is hieromtrent -zo volgt uit het proces-verbaal van de zitting- door de vertegenwoordiger van de officier van justitie niets opgemerkt. De advocaat-generaal heeft afgezien van het uitbrengen van een verweerschrift. Hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht acht het hof op zichzelf niet onaannemelijk. Deze omstandigheden brengen naar het oordeel van het hof mee dat oplegging van een sanctie voor deze gedraging niet billijk is. Daarom zal het hof niet overgaan tot wijziging van de inleidende beschikking maar volstaan met de vaststelling dat de gedraging waarvoor bij de inleidende beschikking een sanctie is opgelegd, niet is verricht.

16. Dit brengt mee dat- met gegrondverklaring van het beroep daartegen- de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking moeten worden vernietigd. Hetgeen tot zekerheid is gesteld moet worden gerestitueerd. De overige bezwaren van de gemachtigde behoeven in verband hiermee geen bespreking.

17. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Gelet op de beslissingen van het hof komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting dient telkens één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 496,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 992,- (= 4 x € 496,- x 0,5).

18. Gelet hierop beslist het hof als volgt.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie;

vernietigt de inleidende beschikking waarbij, onder CJIB-nummer 180015456, een sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 992,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Groot-Hosper als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.