ECLI:NL:GHARL:2017:5119 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 15-06-2017 / 200.211.761/01 en 200.216.682/01

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.211.761/01 & 200.216.682/01

(zaaknummer rechtbank C/18/168568 / JE RK 16-553)

beschikking van 15 juni 2017

inzake

1 [verzoeker] ,

wonende te [A] ,verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. Bredius te Gorinchem,en

2. [verzoekster] ,

wonende te [B] ,verder te noemen: de moeder,

advocaat mr. G.J. Boven te Leusden,verzoekers in hoger beroep,hierna gezamenlijk genoemd: de ouders,

enstichting Jeugdbescherming Noord | Groningen,

gecertificeerde instelling,gevestigd te Groningen,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:


[de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,
verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst naar de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 februari 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met nummer 200.211.761/01:
2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vader met productie(s), ingekomen op 15 maart 2017;- het journaalbericht van mr. Bredius van 11 april 2017 met productie(s);

- het verweerschrift van de GI met productie(s);- een brief van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 23 maart 2017;- een journaalbericht van mr. Bredius van 22 mei 2017 met productie(s);- een brief van de GI van 23 mei 2017 (gericht aan de kinderrechter en zonder begeleidend schrijven naar het hof gezonden) met productie(s).

In de zaak met nummer 200.216.682/01:
2.2 Het verloop van de procedure blijkt uit:- het beroepschrift van de moeder met productie(s), ingekomen op 26 mei 2017;- een faxbericht van de GI van 2 juni 2017 (uitstelverzoek).

2.3

Gelet op de onderlinge samenhang van de zaken worden de in de procedure van de vader (200.211.761/01) ingediende stukken door het hof met instemming van betrokkenen beschouwd als mede te zijn ingediend in de procedure van de moeder (200.216.682/01).

In beide zaken
2.4 De zaken zijn gezamenlijk behandeld ter zitting van het hof van 6 juni 2017 waarbij zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. Bredius;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Boven;

- mevrouw [C] en mevrouw [D] namens de GI;- mw. [E] (pleegmoeder);

- de heer [F] namens de raad; en- de heer [G] als tolk in de Somalische taal die daartoe door het hof is beëdigd.

De GI heeft ter zitting haar uitstelverzoek zoals ingediend per faxbericht van 2 juni 2017 ingetrokken.

3 Feiten

3.1

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn sinds medio 2015 gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren te [H] [in] 2012 (hierna: [de minderjarige1] ) en [de minderjarige2] , geboren te [I] [in] 2014 (hierna: [de minderjarige2] ).

3.2

De ouders wonen niet meer bij elkaar. De vader woont met zijn vijf minderjarige kinderen uit een eerdere relatie ( [J] , [K] , [L] , [M] en [N] ) in [A] . De moeder van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] woont in [B] . Zij heeft nog een zoon, [O] , die onder voogdij staat en elders woont.

3.3

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 8 juni 2015 (voorlopig) onder toezicht en deze maatregel is laatstelijk verlengd tot 8 september 2017. Zij verblijven sinds medio 2015 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing in het gezin bij [de pleegouders] op een geheime plek. De GI heeft inmiddels een ander, perspectief biedend, pleeggezin voor hen in beeld.

3.4

In de bestreden beschikking is, voor zover hier van belang, de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd van 8 maart 2017 tot 8 september 2017. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de ouders.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het geschil betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] over de periode van 8 maart 2017 tot 8 september 2017.

4.2

De vader en de moeder verzoeken het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en - kort gezegd - te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader worden geplaatst. De vader heeft zijn subsidiaire verzoek betreffende een contactregeling tussen hem en de kinderen ter zitting van het hof ingetrokken.

4.3

De GI heeft de verzoeken van de ouders voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen bestreden en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de ouders in hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende geïnformeerd om een oordeel te kunnen geven over de bestreden beschikking.

5.2

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat enerzijds de GI terugplaatsing van de kinderen in het gezin bij de vader niet verantwoord vindt op grond van ervaringen van de GI met de vader in het kader van de begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, terwijl anderzijds uit het afgeronde raadsonderzoek eind december 2016 naar de opvoedingssituatie van de vijf andere kinderen bij de vader geen ernstige zorgen zijn gebleken. Op basis van de nu bij het hof bekende gegevens is dat onvoldoende met elkaar te rijmen. Denkbaar is dat de verschillende voorgeschiedenis van de kinderen, hun leeftijd als ook de taalbarrière tussen de vader en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en het feit dat zij hun vader niet goed kennen hierbij een rol speelt maar het hof acht het noodzakelijk dat hier nader onderzoek naar plaats vindt.

5.3

Namens de raad is ter zitting gewezen op de mogelijkheid van een nader raadsonderzoek. Daarbij is benadrukt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] op een kruispunt staan in hun leven nu op korte termijn belangrijke beslissingen over hun toekomstperspectief moeten worden genomen. Duidelijk is immers dat zij niet in het huidige pleeggezin kunnen blijven, waardoor hoe dan ook een wijziging in hun verblijfplaats aan de orde zal zijn. Daarbij is het de vraag of zij in een ander perspectief biedend pleeggezin kunnen worden geplaatst ofwel in het gezin van de vader kunnen opgroeien. Gelet op de belangen van alle betrokkenen en met name die van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] acht het hof een dergelijk onderzoek door de raad aangewezen.

5.4

Het hof verzoekt de raad daarom -met spoed- een onderzoek in te stellen naar de vraag of een eventuele plaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader tot de mogelijkheden behoort dan wel dat, bezien vanuit het ontwikkelingsbelang en de gehechtheid van de kinderen, plaatsing van hen in een andere setting noodzakelijk moet worden geacht. Het hof verzoekt de raad daarbij in het bijzonder in te gaan op de voorgeschiedenis van de verschillende betrokken kinderen en het belang van (identiteitsgebonden) hulpverlening in relatie tot de opvoedingsvaardigheden, waaronder de sensitiviteit en responsabiliteit, van de vader.

5.5

Het hof zal in afwachting van de bevindingen van de raad iedere verdere beslissing aanhouden. Partijen en belanghebbenden zullen door het hof na ontvangst van het rapport en advies van de raad in de gelegenheid worden gesteld daarop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren. Het hof zal daarna in beginsel de zaak zonder verdere mondelinge behandeling afdoen. Partijen kunnen evenwel daaromtrent te zijner tijd hun wensen bekend maken in hun reacties op het raadsrapport.

6 De slotsom

6.1

Het voorgaande betekent dat het hof de inhoudelijke beslissing zal aanhouden en voor nu zal beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

In beide zaken:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen als hiervoor omschreven en zo spoedig mogelijk maar uiterlijk 1 augustus 2017 aan het hof daaromtrent te rapporteren en een afschrift van zijn rapport toe te sturen aan de advocaat van de moeder en de vader, als ook de GI;

bepaalt dat partijen en belanghebbenden door het hof in de gelegenheid zullen worden gesteld om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op dat rapport en advies van de raad;

bepaalt dat de zaak na ontvangst van het rapport en de eventuele reacties daarop zonder nadere mondeling zal worden afgedaan, tenzij het hof anders beslist;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, M.P. den Hollander enI.M. Dölle en is in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2017 in bijzijn van de griffier.