ECLI:NL:GHARL:2017:5280 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-06-2017 / 21-001960-16

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001960-16

Uitspraak d.d.: 9 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Utrecht van 11 juni 2001 met parketnummer 16-115350-01 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16‑115783-99, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1966] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. H.K. Jap‑A‑Joe, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 maart 2001 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening en / uit een winkelpand gelegen op / aan [locatie] aldaar heeft weggenomen een trouwjurk en een etalagepop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door met gebruikmaking van een straattegel, althans een hard voorwerp, een ruit van dat winkelpand stuk te gooien, in elk geval door middel van braak en/of verbreking.

Ontvankelijkheid van verdachte in het hoger beroep en het openbaar ministerie in de vervolging

De advocaat-generaal en de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging.

Voorop gesteld wordt, dat het dossier in deze zaak niet meer voorhanden is. Verdachte heeft op 24 maart 2016 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 11 juni 2001. Het vonnis waarvan beroep is bij verstek gewezen. Uit een screenprint uit COMPAS kan worden afgeleid dat de inleidende dagvaarding aan verdachte in persoon is betekend. Een akte van uitreiking van die inleidende dagvaarding is er echter niet (meer). Nu door de verdediging deze betekening is betwist en er geen akte van uitreiking is die hieromtrent zekerheid zou kunnen bieden, is verdachte – die hoger beroep heeft ingesteld binnen veertien dagen nadat hij, naar het hof op basis van het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 24 mei 2017 aanneemt, op 13 maart 2016 – is geconfronteerd met de executie van de bij het vonnis van 11 juni 2001 opgelegde straf, ontvankelijk in het hoger beroep.

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3o, (oud) van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na twaalf jaren voor misdrijven als het onderhavige waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren en minder dan tien jaren is gesteld. De verjaringstermijn vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71, aanhef, van het Wetboek van Strafrecht). Ingevolge artikel 72, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht stuit elke daad van vervolging de verjaring. Als daad van vervolging dient te worden aangemerkt iedere formele daad uitgaande van het openbaar ministerie of de rechter om in de fase voorafgaand aan de tenuitvoerlegging tot een uitvoerbare rechterlijke beslissing te geraken.

Niet is gebleken dat in de periode tussen het wijzen van het vonnis van 11 juni 2001 en 13 maart 2016, toen verdachte naar het hof aanneemt met het vonnis bekend is geworden, een daad van vervolging is verricht die de verjaring heeft gestuit. Dit betekent dat het feit is verjaard en het recht tot strafvordering is komen te vervallen.

Het vorenstaande brengt met zich dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het hof verklaart het openbaar ministerie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. H. Abbink en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.H. Diepeveen, griffier,

en op 9 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 9 juni 2017.

De samenstelling van het gerechtshof is als bovenvermeld.

mr. J.J.T.M. Pieters, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.