ECLI:NL:GHARL:2017:5405 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-06-2017 / 21-000134-17

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000134-17

Uitspraak d.d.: 28 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 december 2016 met parketnummer 05-720095-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1973] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde feit en veroordeling van verdachte voor het subsidiaire feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken;

subsidiair:hij op of omstreeks 11 maart 2016 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en derhalve wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

-

Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte, p. 39-40;

-

Het NFI-rapport ‘Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood’ van 23 maart 2016, p. 625-637;

-

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 13 december 2016.

-

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof op 14 juni 2017.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:hij op 11 maart 2016 te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich – kort samengevat - op het standpunt gesteld dat de rechtbank het beroep van verdachte op noodweerexces had moeten honoreren en dat hij ontslagen had moeten worden van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft dit beroep op noodweerexces op onjuiste gronden verworpen, nu zij heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de hevige gemoedsbeweging van doorslaggevende betekenis is geweest bij het overschrijden van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Voorts heeft de rechtbank haar beslissing onvoldoende gemotiveerd.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat een beroep op noodweer niet kan slagen, nu verdachte de grenzen van de proportionaliteit heeft overschreden. Ook het beroep op noodweerexces kan niet slagen, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste van de dubbele causaliteit. Met de rechtbank is de advocaat-generaal van mening dat, nu verdachte negen keer met kracht met een groot en scherp mes op vitale plaatsen in het lichaam van het slachtoffer heeft gestoken terwijl het slachtoffer op dat moment onbewapend was, de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging dusdanig is dat niet aannemelijk is dat de hevige gemoedsbeweging hierbij van doorslaggevend belang is geweest. Derhalve dient het beroep op noodweerexces niet te slagen.

Beoordeling door het hof

De rechtbank heeft met betrekking tot het beroep op noodweer het volgende overwogen.

Beroep op noodweer

De rechtbank stelt voorop dat indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer, de rechter moet onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. Die houden volgens artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht in dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is, volgens vaste rechtspraak, onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Feitelijke toedracht

De rechtbank stelt op grond van de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent de rechtbank aan dat uitgegaan wordt van de verklaringen van verdachte. Het door verdachte in deze verklaringen gedane relaas - onbetwist gebleven door de officier van justitie - is immers aannemelijk geworden, nu hij hierover (direct na het gebeurde en ook later) consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd, zijn verklaringen door het sporenonderzoek worden bevestigd en zij door de overige verklaringen in het dossier niet weersproken worden.

Verdachte (1,76 meter) en slachtoffer [slachtoffer] (2,02 meter) woonden in hetzelfde pand en hadden een kamer naast elkaar. Tussen hun kamers zat een scheidingswand van gipsen platen opgevuld met glaswol. [slachtoffer] ervoer grote stankoverlast afkomstig van de kamer van verdachte. Dit probleem was al een jaar (of twee) gaande. [voornaam slachtoffer] had er bij verdachte al meermalen op aangedrongen zijn kamer op te ruimen. Daarbij had hij wel eens bedreigingen geuit. Behalve een duw, had [voornaam slachtoffer] zich verder niet eerder fysiek uitgelaten jegens verdachte. Wel had [voornaam slachtoffer] enkele weken vóór het incident een gat (ongeveer 40 cm bij 20 cm) in de gipsen scheidingswand, links naast het hoofdeinde van het bed van verdachte, gemaakt en had hij een paar keer met een brandslang water door het gat in de kamer van verdachte gespoten. Verdachte en [voornaam slachtoffer] gebruikten beiden regelmatig veel alcohol en hadden beiden op de bewuste dag behoorlijk wat gedronken. Hun bloed is onderzocht. Naast ethanol (alcohol) zij in hun bloed sporen van THC (passend bij cannabis) aangetoond, en bij [voornaam slachtoffer] ook nog amfetamine. Verdachte verklaarde die dag 2 jointjes te hebben geblowd. Als [voornaam slachtoffer] gedronken had, kon hij agressief worden.

Op 11 maart 2016 rond 20.00 uur, toen verdachte al op bed lag, hoorde hij iemand hard tegen zijn kamerdeur aan trappen. Hij deed de deur open om te kijken wat er aan de hand was en werd direct naar binnen geduwd door [voornaam slachtoffer] . [voornaam slachtoffer] begon verdachte gelijk te stompen. Verdachte werd door [voornaam slachtoffer] een paar keer naar de grond gewerkt. Verdachte werd daarbij ook geschopt. Buurman [buurman] , die een kamer had aan de andere kant van verdachte, kwam erbij en trok [voornaam slachtoffer] van de kamer van verdachte af. Verdachte deed zijn deur dicht en direct weer op slot. Aan deze mishandeling hield verdachte twee hoofdwonden, een blauw oog en verschillende kneuzingen en schrammen over. Ook verloor hij een ondertand.

Enkele minuten na dit incident, kwam [voornaam slachtoffer] opnieuw naar de kamer van verdachte en riep hij ;’ [voornaam verdachte] , tweede ronde’. [voornaam slachtoffer] kon de kamer niet in, want de deur zat op slot. Direct daarna, terwijl verdachte trillend op bed zat bij te komen van het eerdere incident, stak [voornaam slachtoffer] een (uitschuifbare) buis van metaal van bijna 2 meter lang door het gat en probeerde hij verdachte daarmee te slaan. Dat lukte niet. [voornaam slachtoffer] gooide vervolgens de buis richting verdachte en begon gelijk tegen de gipsen scheidingswand te trappen teneinde het gat groter te maken. Doordat er al een zaagsnede in de lengte van de wand zat, werd het gat snel groter. [voornaam slachtoffer] was woest en probeerde door het gat in de kamer van verdachte te komen. Met zijn hoofd en een groot deel van zijn bovenlijf kwam hij door het gat en hing hij in de kamer van verdachte.

Verdachte pakte het koksmes dat op het tafeltje naast zijn bed lag en is op verdachte in gaan steken net zo lang totdat [voornaam slachtoffer] zich naar zijn eigen kamer terugtrok.

Verdachte heeft [voornaam slachtoffer] negen keer gestoken. De steken in zijn nek (1), rug (7) en schouder (1) variëren van 4 tot 20 cm diepte. Verder had [voornaam slachtoffer] ook een oppervlakkige huidklieving in zijn rechterhand. Verdachte verwondde ook zichzelf tijdens het steken; hij stak of sneed zichzelf in zijn linkerhand. [voornaam slachtoffer] overleed als gevolg van bloedverlies en verstikking door de steekverwondingen.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Vorenstaande door [voornaam slachtoffer] geïnitieerde handelingen tijdens het ‘tweede incident’, waarbij hij verdachte met de buis probeerde te raken en hij vervolgens met geweld via de gipsen muur de kamer van verdachte probeerde binnen te dringen, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. Er was immers sprake van onmiddellijk dreigend gevaar, nu verdachte enkele minuten daarvoor nog in zijn eigen kamer door een dronken en agressieve [voornaam slachtoffer] in elkaar was geslagen en [voornaam slachtoffer] daarna bij de gesloten deur ‘ [voornaam verdachte] , tweede ronde’ had geroepen. De aanranding eindigde niet nadat [voornaam slachtoffer] de buis niet meer vasthad. [voornaam slachtoffer] probeerde immers vervolgens -na het tevergeefs gebruiken van de buis- middels het groter trappen van het gat opnieuw de kamer van verdachte binnen te dringen en was al met zijn hoofd en een groot deel van zijn bovenlijf door het gat heen.

Gezien de genoemde omstandigheden - waaronder de aaneenschakeling van gebeurtenissen voorafgaande aan het steken -, op grond waarvan aannemelijk wordt dat verdachte uit angst en paniek reageerde op het handelen van het slachtoffer, is de rechtbank van oordeel dat verdachtes gedragingen (naar de kern) als ‘verdedigend’ kunnen worden aangemerkt.

Mogelijkheid tot vluchten of onttrekken

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat van verdachte niet gevergd kon worden te vluchten. De theoretische mogelijkheid daartoe was wellicht aanwezig, nu verdachte zijn kamer had kunnen verlaten terwijl het slachtoffer zich door het gat in de muur probeerde te wringen. Echter, de rechtbank acht een vluchtplicht minder snel aanwezig zodra de aanranding in eigen huis/kamer plaatsvindt. In dit geval, waarin verdachte enkele minuten ervoor bij het opendoen van zijn deur zijn kamer ingeduwd was door [voornaam slachtoffer] , vervolgens door hem in elkaar geslagen was, hem kort daarna ‘tweede ronde’ hoorde roepen en weer wat later met een buis door het gat in de muur zag komen, is de rechtbank van oordeel dat het gerechtvaardigd is dat verdachte de veiligheid van zijn afgesloten kamer zocht en [voornaam slachtoffer] uit zijn kamer probeerde te weren. Het lukte [voornaam slachtoffer] niet om verdachte met de buis te raken, waarna [voornaam slachtoffer] verdachtes kamer probeerde binnen te dringen door het gat groter te schoppen en zijn lichaam door het grotere gat te wringen. Het was dus duidelijk dat [voornaam slachtoffer] het opnieuw op verdachte gemunt had.

Nog afgezien van de omstandigheid dat vluchten om de voornoemde redenen niet van verdachte gevergd kon worden, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat van een reële vluchtmogelijkheid ook geen sprake was. Het is reëel om te veronderstellen dat verdachte bij zijn vertrek uit zijn kamer direct door [voornaam slachtoffer] achterna zou worden gezeten en dat hij, gezien de nabije ligging van de kamerdeuren, ingehaald zou worden en opnieuw klappen zou krijgen.

Dit mag te meer worden verondersteld nu verdachte ook niet ongezien zijn weg naar de kamerdeur kon afleggen.

De rechtbank concludeert dan ook dat er voor verdachte een noodzaak tot verdediging bestond.

Geboden zijn van de verdediging

De vraag is vervolgens of de door verdachte gekozen wijze van verdediging ook geboden was. De rechtbank is, gelet op de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, van oordeel dat verdachte de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit heeft overschreden. Het negen maal steken van het slachtoffer met een groot koksmes staat in dit geval niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Daarbij betrekt de rechtbank dat [voornaam slachtoffer] op het moment van steken ongewapend was. Hetgeen in het Pro Justitia rapport omtrent de persoonlijkheid van verdachte is vastgesteld doet hieraan niet af.

De rechtbank concludeert dat het beroep op noodweer faalt.”

Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en maakt deze tot de zijne met uitzondering van het navolgende.

Het hof wil daarbij eerst kort aangeven wat de begrippen proportionaliteit en subsidiariteit betekenen.

Proportionaliteit houdt in dat het geweld dat de persoon die wordt aangevallen gebruikt in verhouding staat tot de dreiging/het geweld van de zijde van de aanvaller.

Subsidiariteit houdt in dat degene die zich tegen een aanval verdedigt – mede gelet op de wijze waarop hij en/of het middel waarmee hij wordt aangevallen – het minst schadelijke middel kiest om de aanval te ontwijken, bijvoorbeeld door te vluchten.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank bij de beoordeling van het ‘geboden zijn van de verdediging’ ten onrechte overwogen dat, naast de grenzen van de proportionaliteit, ook de grenzen van de subsidiariteit zijn overschreden. Het hof overweegt in dit verband dat voor verdachte immers juist wel sprake was van een noodzaak tot verdediging en vluchten geen reële mogelijkheid was, zodat de grenzen van subsidiariteit niet zijn overschreden. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat hij het derhalve wel eens is met de overweging van de rechtbank dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging (proportionaliteit) heeft overschreden. Nu die grenzen zijn overschreden moet worden beoordeeld of er in dit geval sprake is geweest van noodweerexces.

Beroep op noodweerexces – het beoordelingskader

Ingevolge artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging niet strafbaar, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

Voor noodweerexces geldt in alle gevallen dat van verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging slechts sprake kan zijn indien:

a. de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden was, dan wel indien

b. op het tijdstip van de hem verweten gedraging de onder a bedoelde situatie weliswaar was beëindigd en de noodzaak tot verdediging er dus wel was geweest (maar niet meer bestond), doch zijn gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.

Uit het wettelijke vereiste dat de gedraging het "onmiddellijk gevolg" moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt dat aannemelijk moet zijn dat de aldus veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging. Niet is uitgesloten dat andere factoren mede hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging, maar aan het gevolgvereiste is niet voldaan indien de hevige gemoedsbeweging in essentie is terug te voeren op een eerder bestaande emotie, zoals een reeds bestaande kwaadheid jegens het slachtoffer.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval sprake is van het hier bedoelde "onmiddellijk gevolg", kan betekenis toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging. Voorts kan het tijdsverloop tussen de aanranding en de verdedigingshandeling van belang zijn.

Beoordeling van het beroep op noodweerexces

Zoals hiervoor reeds overwogen is het hof van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waarbij voor verdachte een noodzaak tot verdediging bestond. Enkele minuten vóór het incident is verdachte door [voornaam slachtoffer] flink in elkaar geslagen en zit hij na te trillen op zijn bed in zijn eigen kamer als [voornaam slachtoffer] eerst weer aan zijn deur komt (‘ [voornaam verdachte] , tweede ronde’) en vervolgens door de muur zijn kamer binnen komt. Dit alles vindt - zoals gezegd - plaats in een tijdsbestek van enkele minuten. Dat blijkt ook uit de verklaringen van de getuigen.

Verdachte heeft over zijn gemoedstoestand kort voorafgaande aan het steken verklaard dat, toen hij zag dat [voornaam slachtoffer] met een heel boos gezicht half door het gat kwam, hij echt heel bang was en vreesde voor zijn leven. Hij verklaarde dat hij kort daarvoor al hard was geslagen en geschopt (‘hij had mij ook dood kunnen schoppen’) en dat hij in zijn hele leven nog nooit zo bang is geweest. Hij heeft [voornaam slachtoffer] gestoken omdat hij vreesde voor zijn eigen leven, aldus verdachte.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het aannemelijk is dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging die in overwegende mate is teweeggebracht door de aanranding door [voornaam slachtoffer] .

Verdachte heeft zoals het hof reeds heeft overwogen met zijn handelen – het negen keer steken in de rug van het slachtoffer met een groot (koks)mes – de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden.

Bij de beantwoording van de vraag of deze overschrijding een onmiddellijk gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging heeft het hof grote waarde gehecht aan de bizarre, zeer uitzonderlijke en specifieke omstandigheden van het geval. Verdachte is eerst – enkele minuten vóór het steekincident – in zijn eigen kamer behoorlijk geslagen en geschopt door [voornaam slachtoffer] en heeft daarbij letsel opgelopen. [voornaam slachtoffer] is door een medebewoner bij verdachte weggehaald. Verdachte waande zich, na deze eerste aanval door [voornaam slachtoffer] , veilig op zijn bed in zijn afgesloten kamer. Na enkele minuten kwam [voornaam slachtoffer] vervolgens met een absurde aanval door de muur, waarbij hij eerst met een metalen staaf door een reeds bestaand gat van enkele tientallen centimeters in de muur poogde om verdachte te raken en vervolgens dit in de muur reeds bestaande gat in een fractie van secondes zo ver intrapte dat hij – door het gat – met zijn bovenlichaam opnieuw de kamer van verdachte binnenkwam. [voornaam slachtoffer] leek door het dolle heen.

Naar het oordeel van het hof maken deze omstandigheden, tezamen en in onderling verband en samenhang bezien, mede gelet op het zeer korte tijdsbestek, het aannemelijk dat de gemoedsbeweging die bij verdachte is veroorzaakt door de aanranding zeer intens en hevig is geweest. Daarbij is het niet geheel ondenkbaar dat de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte, die gemoedsbeweging mogelijk in enige mate heeft beïnvloed, maar het hof acht die invloed van minder van belang.

Het hof overweegt dat het enkele feit dat verdachte negen keer – en zoals hij ter terechtzitting bij de rechtbank heeft verklaard – aaneengeschakeld heeft gestoken op zichzelf niet een omstandigheid is waaruit blijkt dat het steken van verdachte niet meer het onmiddellijke gevolg was van de gemoedsbeweging. Verdachte heeft immers verklaard dat [voornaam slachtoffer] door het gat bleef komen, nadat hij gestoken had. Hij verklaart: “hij werd nog bozer. Toen stak ik hem nog meer en omdat hij steeds verder door het gat kwam heb ik hem nog een paar keer gestoken. Ik moest hem tegenhouden, ik vreesde voor mijn leven”. Ook de door de rechtbank en de advocaat-generaal genoemde omstandigheid dat [voornaam slachtoffer] ongewapend bleek te zijn, acht het hof in de gegeven situatie niet zo’n omstandigheid. Nog daargelaten dat deze aanname van het ongewapend zijn van [voornaam slachtoffer] enkel en alleen kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat bij [voornaam slachtoffer] die - nadat hij gestoken was kennelijk nog zijn bovenkleding in zijn eigen kamer heeft uitgetrokken - na zijn overlijden in een andere ruimte dan zijn eigen kamer, geen wapen is aangetroffen. Uit het dossier blijkt dat [voornaam slachtoffer] woest was en veel groter en sterker was dan verdachte en ook dat hij verdachte enkele minuten daarvoor al behoorlijk letsel had toegebracht zonder wapen.

Concluderend acht het hof aannemelijk dat door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] bij de verdachte een hevige gemoedsbeweging is veroorzaakt en dat de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging van die gemoedsbeweging een onmiddellijk gevolg is geweest.

Het beroep op noodweerexces slaagt.

De verdachte is ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dat betekent ook dat aan verdachte geen straf zal worden opgelegd.

Nu verdachte geen straf wordt opgelegd, moet ook zijn voorlopige hechtenis worden opgeheven.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.785,16. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Nu aan verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin artikel 9a Sr van toepassing is geacht, kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld, verklaart de verdachte niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. K.J.C. Geeve, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier,

en op 28 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 28 juni 2017.

Tegenwoordig:

mr. B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr. drs. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr. J. de Jong, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.