ECLI:NL:GHARL:2017:5497 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 29-06-2017 / WAHV 200.175.147 en 200.175.148

Uitspraak

WAHV 200.175.147 en 200.175.148

29 juni 2017

CJIB 182785941 en 183001385

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissingen

van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel

van 23 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissingen ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene zijn als kentekenhouder bij inleidende beschikkingen twee administratieve sancties à € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren voor een in- en/of uitrit”, welke gedragingen zouden zijn verricht op 30 juni 2014 om 16:59 uur en op 1 juli 2014 om 11:31 uur in de Halvesteeg te Deventer met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene erkent dat hij zijn voertuig op voormelde data in de Halvesteeg had geparkeerd. Hij stelt echter dat van een uitrit geen sprake was. Achter het hek staat namelijk een picknicktafel, zodat voertuigen niet kunnen passeren. De afwijkende bestrating valt niet op wanneer er aan weerszijden auto’s staan geparkeerd. Bovendien had er een parkeerverbodsbord aanwezig moeten zijn. De betrokkene stelt verder dat de parkeerwachter hem pas na de tweede sanctie telefonisch waarschuwde. Had hij dit direct na de eerste sanctie gedaan, dan had de betrokkene de tweede sanctie kunnen voorkomen.

3. De sanctie is opgelegd voor een vermeende overtreding van het bepaalde in artikel 24, eerste lid en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin het parkeren voor in- en uitritten is verboden.

4. In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5. Naast de in de inleidende beschikkingen vermelde gegevens, houden de verklaringen van de verbalisant zoals opgenomen in de zaakoverzichten van het CJIB in, kort gezegd, dat de gedragingen met het voertuig van de betrokkene zijn verricht.

6. Bij de stukken bevinden zich diverse foto’s van de situatie ter plaatse, die zowel door de verbalisant als door de betrokkene zijn aangeleverd. Op de foto’s is een rij parkeervakken te zien, die haaks op de weg is gesitueerd. Achter de vakken bevindt zich een muur, die op enig moment wordt onderbroken door een toegangspoort met een dubbel hekwerk. Vaststaat dat de betrokkene zijn voertuig op beide dagen voor dit hekwerk heeft geparkeerd.

Ter beoordeling van het hof is of het weggedeelte voor de toegangspoort als in- of uitrit is aan te merken.

7. De wet kent geen definitie van de begrippen ‘inrit’ en ‘uitrit’. Of sprake is van een in- of uitrit moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden ter plaatse die voor verkeersdeelnemers voldoende kenbaar zijn. Doorgaans zal als in- of uitrit worden aangemerkt een wegdeel of pad dat toegang geeft tot de openbare weg. Bebording waarmee een in- of uitrit als zodanig wordt gemarkeerd, is niet vereist. Ook een parkeerverbodsbord is niet nodig, aangezien in artikel 24, eerste lid, en onder b, van het RVV 1990 reeds een algemeen verbod om voor in- en uitritten te parkeren is opgenomen.

8. Naar het oordeel van het hof is in de onderhavige situatie sprake van een in-/uitrit. Daarbij neemt het hof in overweging dat het pad en de toegangspoort voldoende breed zijn om toegankelijk te zijn voor motorvoertuigen, dat de bestrating van het pad duidelijk afwijkt van die op de parkeervakken aan weerszijden en ook dat het pad – anders dan de parkeervakken – niet is voorzien van een zgn. ‘varkensrug’, een afgeronde betonnen verhoging die doorgang door voertuigen belemmert. Dat op het terrein achter het hek een picknicktafel staat, doet niet ter zake. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit is de wijze waarop het daaraan grenzende (privé)terrein is ingericht niet van belang.

9. Nu het hof heeft vastgesteld dat de betrokkene zijn voertuig op 30 juni en 1 juli 2014 voor een in-/uitrit heeft geparkeerd, staat vast dat beide gedragingen zijn verricht. Gelet op het verweer van de betrokkene heeft het hof nu te beoordelen of niettemin aanleiding bestaat om in dit geval van oplegging van sancties af te zien of het bedrag van de sancties te matigen. Dat is slechts het geval als sprake is van bijzondere omstandigheden.

10. Naar het oordeel van het hof is er in dit geval geen sprake van bijzondere omstandigheden. Het verweer van de betrokkene dat de verbalisant hem na de eerste sanctie telefonisch had moeten waarschuwen, slaagt niet. Geen rechtsregel schrijft dat voor.

11. Het hof concludeert dat de kantonrechter het beroep in beide zaken terecht ongegrond heeft verklaard. De beslissingen van de kantonrechter worden daarom bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissingen van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

Verder lezen