ECLI:NL:GHARL:2017:5538 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 30-06-2017 / 21-005685-16

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005685-16

Uitspraak d.d.: 30 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2016 met parketnummer 16-652077-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [1951] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. M.J.N. Vermeij, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.zij op of omstreeks 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, in het openbaar, mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding, heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, te weten moslims en/of gewelddadig optreden tegen mensen, te weten moslims, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging door op een openbare (Pegida-)bijeenkomst een speech te houden en de schriftelijke uitwerking van deze speech op Facebook te plaatsen en daarin te zeggen en/of schrijven: "Een andere reden om Moslims te verachten en te haten is/ om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de/een religie van vrede";

2.zij op of omstreeks 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, zich in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of afbeelding, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Moslims, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging, door op een openbare (Pegida-)bijeenkomst een speech te houden en de schriftelijke uitwerking van deze speech op Facebook te plaatsen en daarin te zeggen en/of schrijven: "Een andere reden om Moslims te verachten en te haten is/om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de/een religie van vrede".

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft gesteld, zakelijk weergegeven, dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in de tenlastelegging is opgenomen het aanzetten tot haat tegen moslims of het beledigen van moslims wegens hun ras hetgeen onmogelijk. Derhalve is sprake van een obscuur libel.

Het hof verwerpt dit verweer.

De zinsnede wegens hun ras is een onderdeel van de delictsomschrijving van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dat in een op dat artikel gestoelde tenlastelegging pleegt te worden opgenomen. Of moslims al dan niet een ras vormen, is een bewijskwestie. De dagvaarding is in overeenstemming met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat geen sprake is van (partiële) nietigheid van de dagvaarding

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. Daartoe heeft hij aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat er sprake is van détournement de pouvoir. De raadsman heeft gesteld dat er sprake is van een politieke vervolging. Dat daarvan sprake is, blijkt uit het feit dat ondanks de vrijspraak in het eerste Wildersproces een identieke uitspraak van verdachte in de onderhavige strafzaak als strafwaardig wordt aangemerkt en blijkt ook uit de vragen die de politie aan verdachte heeft gesteld. Een dergelijke vraagstelling is niet passend in een politieverhoor en op onderdelen in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Gelet op de anti-grondwettelijke inslag van de vervolging moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof vermag niet in te zien dat er vanwege eerdergenoemde vrijspraak of de door de politie gestelde vragen aan verdachte sprake zou zijn van een politieke vervolging.

De raadsman heeft het voorwaardelijk verzoek gedaan de verbalisanten die verdachte hebben verhoord als getuigen te horen. Het hof acht het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk en het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een vormverzuim, gelet op de wijze waarop het verhoor met verdachte bij de politie is gepland. Volgens de raadsman moet dat leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Hoewel de gang van zaken rondom het plannen van het verhoor van verdachte zeker niet de schoonheidsprijs verdient, is naar het oordeel van het hof geen sprake van een vormverzuim. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort wordt gedaan aan haar recht op een eerlijk proces. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op 11 oktober 2015 heeft verdachte in Utrecht tijdens een demonstratie van Pegida (Hof: Patriotische Europäer gegen Islamisierung des Abendlandes) een toespraak gehouden die zij zelf heeft geschreven en later op Facebook heeft geplaatst.

In haar toespraak heeft verdachte verklaard dat moslims in onder meer Europa “hun systeem door middel van de Sharia” willen opdringen. Vervolgens heeft zij gewezen op de ernstige, negatieve gevolgen daarvan voor (de positie van) vrouwen en jonge meisjes. Als conclusie van dit deel van haar toespraak volgt dan de zin: ”Een andere reden om moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit een religie van vrede.” Deze zin is in de tenlastelegging opgenomen. De vraag is of verdachte met het uitspreken van die zin haat heeft gezaaid, heeft aangezet tot haat tegen moslims.

In de memorie van toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State (TK 2014-2015, 34 051, nr. 5, p. 2) heeft de minister erop gewezen dat artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht dateert uit 1971 en in de volksmond vaak als “haatzaaien” wordt aangeduid om vervolgens – klaarblijkelijk met instemming – het volgende citaat te gebruiken: “Haatzaaien” is door de wetgever in deze bepaling bedoeld als het (opzettelijk) agiteren, als het opruien door openlijk uiting te geven aan vijandschap of grove minachting.”

Om tot bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen, vindt het hof de tenlastegelegde zin onvoldoende. Het gaat om een conclusie die verdachte uit haar betoog meent te kunnen trekken, zonder gebruik van bijzonder krachtige termen of herhalingen, zonder verzoek, opdracht of oproep haar in die conclusie te volgen. De context van zowel de gehele toespraak en van de gelegenheid, de eerste demonstratie van de Nederlandse afdeling van Pegida, waarin deze is uitgesproken, maakt dit niet anders. Derhalve dient verdachte van het onder 1 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft bepleit dat verdachte van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de tenlastegelegde uitlating bezien in het geheel van de toespraak niet als beledigend voor moslims wegens hun godsdienst valt te kwalificeren. Indien het hof van oordeel is dat de tenlastegelegde uitlating groepsbeledigend is stelt de raadsman dat de context waarin deze uitlating is gedaan dat beledigende karakter geheel en al wegneemt. Tot slot heeft de raadsman ook nog gesteld dat de tenlastegelegde uitlating niet onnodig grievend is.

Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

De vraag of sprake is van strafbare belediging van een groep mensen als omschreven in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht dient te worden beantwoord aan de hand van de volgende in de jurisprudentie ontwikkelde criteria.

1. de uitlating dient op zichzelf beledigend te zijn en onmiskenbaar betrekking te hebben op een groep mensen die door hun godsdienst wordt gekenmerkt;

2. de context waarin de uitlating wordt gedaan neemt het beledigend karakter niet weg;

3. de uitlating is, indien de context het beledigend karakter wegneemt, niet onnodig grievend.

Ad 1. Beledigend

De door verdachte gedane uitlating richt zich op moslims. Zij heeft daarbij, anders dan door de verdediging is betoogd, geen onderscheid gemaakt tussen religie en ideologie. De uitlating van verdachte is naar het oordeel van het hof gericht op de belijders van de religie islam, moslims. Zij is naar het oordeel van het hof kwetsend en grievend voor moslims, zij worden door deze uitlating in diskrediet gebracht en het beeld over moslims wordt ernstig aangetast. De uitlating heeft derhalve naar objectieve maatstaven op zichzelf beoordeeld een beledigend karakter.

Ad 2. Context

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat voornoemde uitlating door verdachte is gedaan binnen de context van een publiek debat over een zaak van algemeen belang (de komst van moslims naar Europa). Verdachte deed haar uitlating in een toespraak tijdens een demonstratie van PEGIDA, een protestbeweging. Het hof vermag evenals de rechtbank echter niet in te zien op welke wijze voornoemde uitlating een bijdrage levert of dienstig zou kunnen zijn aan het betreffende maatschappelijk debat. De context waarin de uitlating is gedaan en moet worden beoordeeld, neemt het beledigende karakter van de uitlating van verdachte niet weg.

Het derde criterium behoeft gelet op het vorenstaande geen nadere bespreking.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 tenlastegelegde groepsbelediging door zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uit te laten over een groep mensen, te weten moslims wegens hun godsdienst.

Een eventuele veroordeling van de verdachte ter zake van de onder 2 bewezenverklaarde uitlating maakt in beginsel inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van het Europese verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De vraag is of een dergelijke inbreuk in dit geval is gerechtvaardigd.

Het toetsingskader van artikel 10 EVRM

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in de rechtspraak met betrekking tot de verschillende aspecten van artikel 10 EVRM benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt. Artikel 10 EVRM bevat echter geen absoluut recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan krachtens artikel 10, tweede lid, EVRM worden onderworpen aan ‘bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen’.

De term ‘noodzakelijk’ houdt in dat er een dringende maatschappelijke noodzaak moet zijn voor zodanige beperking. Daarbij moet de zaak als geheel worden bekeken en moet acht worden geslagen op de inhoud van de bestreden bewoordingen of afbeeldingen en de context waarin deze werden gebruikt. Tevens moet vastgesteld worden of de tussenkomst van de autoriteiten proportioneel was in relatie tot de legitieme doelstellingen van de beperking van de vrijheid van meningsuiting.

Beoordeling onderhavige geval

In deze zaak is voldaan aan het in het tweede lid van artikel 10 EVRM gestelde vereiste dat de mogelijke beperking is voorzien bij wet te weten in de strafbepaling van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Een mogelijke veroordeling van verdachte dient in elk geval een in het tweede lid van artikel 10 EVRM opgenomen doel, te weten de bescherming van de goede naam van anderen.

Ten slotte moet de vraag worden beantwoord of de inbreuk op de vrijheid van meningsuiting in de vorm van een strafrechtelijke veroordeling noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Het hof beantwoordt deze laatste vraag evenals de rechtbank bevestigend. Daartoe wordt van belang geacht dat de zin, zoals ten laste gelegd onder feit 2, beledigend is voor een groep personen wegens hun geloof en dat verdachte deze beledigende zin welbewust in haar speech op een demonstratie van PEGIDA in het openbaar heeft uitgesproken,

Het hof is derhalve van oordeel dat de inbreuk op het recht op vrijheid van

meningsuiting van verdachte door vervolging noodzakelijk is in

een democratische samenleving ter bescherming van de gerechtvaardigde rechten van

anderen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 11 oktober 2015 in de gemeente Utrecht, zich in het openbaar, mondeling en bij geschrift, en/of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Moslims, wegens hun ras en/of godsdienst en/of levensovertuiging, door op een openbare Pegida-bijeenkomst een speech te houden en de schriftelijke uitwerking van deze speech op Facebook te plaatsen en daarin te zeggen en/of schrijven: "Een andere reden om Moslims te verachten en te haten om hun krankzinnige ideologie, want het is nooit de/een religie van vrede".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

zich in het openbaar mondeling opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun godsdienst.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van moslims wegens hun godsdienst.

Bij de straftoemeting heeft het hof in het voordeel van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat zij blijkens het haar betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2017 niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Voorts heeft bij de bepaling van de straf een rol gespeeld dat het hof zich niet aan de indruk kan onttrekken dat verdachte, getekend door bijzondere persoonlijke ervaringen in haar jeugd, door Pegida is gebruikt en dat zij zich onvoldoende heeft gerealiseerd wat de impact van haar woorden kon zijn. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte overigens aangegeven dat zij inmiddels afstand heeft genomen van Pegida.

Alles in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Abbink, voorzitter,

mr. A. van Waarden en mr. M.B.T.G. Steeghs, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.J. Broersma, griffier,

en op 30 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.B.T.G. Steeghs is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.