ECLI:NL:GHARL:2017:6010 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 14-07-2017 / 21-007489-15

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007489-15

Uitspraak d.d.: 14 juli 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2015 met parketnummer 18-730103-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. Voor het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren. Daarbij heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 28 november 2016, 30 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ter terechtzitting van 28 november 2016 is verdachte zelf niet verschenen maar wel zijn gemachtigd raadsman, mr. R.P. van der Graaf. Ter terechtzitting van 30 juni 2017 verscheen wederom deze raadsman. Hij verklaarde zich niet meer gemachtigd te achten door verdachte om de verdediging te voeren. Verdachte is ook op deze zitting niet verschenen. Aangezien het onderzoek op tegenspraak is aangevangen, is de uitspraak op tegenspraak gewezen.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot:

 de niet-ontvankelijk verklaring van verdachte in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde;

 vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde;

 veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van het voorarrest;

 de toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (€ 8.419,12), met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

 de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] tot een bedrag van € 150,-- met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

 de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde 2] in het meer gevorderde;

 de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot een bedrag van € 1.762,12 met wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

 de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij [benadeelde 3] in het meer gevorderde.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover in hoger beroep aan de orde- tenlastegelegd dat:

1. primair:hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] (in een ruimte deel uitmakende van een winkelpand gelegen aldaar aan de [adres] ) en/of de provincie Friesland, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

 die [slachtoffer] tegen de grond geslagen en/of - die [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de hals en/of tegen de romp en/of andere lichaamsde(e)l(en) geschopt en/of (met gebalde vuist) geslagen en/of

 met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, meermalen (met kracht) tegen de rug en/of de romp en/of op/tegen het hoofd en/of de hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geslagen en/of

 (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag) een knie gezet op de rug van die [slachtoffer] en/of op die [slachtoffer] gaan zitten en/of tegen het hoofd geslagen en/of - de polsen en/of armen en/of handen en/of benen en/of het hoofd/gezicht en/of de mond en/of de nek/hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l)en van die [slachtoffer] omwikkeld/gebonden/afgeplakt met tape en/of

 de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met elektriciteitsdraad gebonden en/of op de rug van die [slachtoffer] de handen en voeten met elektriciteitsdraad aan elkaar gebonden en/of elektriciteitsdraad om de hals van die [slachtoffer] gebonden en/of

 terwijl die [slachtoffer] in hulpeloze toestand op de rug lag, die [slachtoffer] met kracht op de rug en/of tegen het hoofd en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geschopt en/of (met gebalde vuist) geslagen en/of met een honkbalknuppel althans een (slag)voorwerp althans een stomp voorwerp, tegen een of meer lichaamsde(e)l(en) geslagen en/of

 die [slachtoffer] op een deken gelegd en/of in de kofferbak van een personenauto getild en/of vervolgens die [slachtoffer] vervoerd naar de provincie Friesland,

ten gevolge van welk fors uitwendig geweld voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1. subsidiair:dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en) in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] (in een ruimte deel uitmakende van een winkelpand gelegen aldaar aan de [adres] ) en/of de provincie Friesland, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben en/of is/zijn die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer ander(en) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

 die [slachtoffer] tegen de grond geslagen en/of

 die [slachtoffer] (terwijl hij op de grond lag) meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de hals en/of tegen de romp en/of andere lichaamsde(e)l(en) geschopt en/of (met gebalde vuist) geslagen en/of

 met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, meermalen (met kracht) tegen de rug en/of de romp en/of op/tegen het hoofd en/of de hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geslagen en/of

 (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag) een knie gezet op de rug van die [slachtoffer] en/of op die [slachtoffer] gaan zitten en/of tegen het hoofd geslagen en/of

 de polsen en/of armen en/of handen en/of benen en/of het hoofd/gezicht en/of de mond en/of de nek/hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l)en van die [slachtoffer] omwikkeld/gebonden/afgeplakt met tape en/of

 de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met elektriciteitsdraad gebonden en/of op de rug van die [slachtoffer] de handen en voeten met elektriciteitsdraad aan elkaar gebonden en/of elektriciteitsdraad om de hals van die [slachtoffer] gebonden en/of

 terwijl die [slachtoffer] in hulpeloze toestand op de rug lag, die [slachtoffer] met kracht op de rug en/of tegen het hoofd en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geschopt en/of (met gebalde vuist) geslagen en/of met een honkbalknuppel althans een (slag)voorwerp althans een stomp voorwerp, tegen een of meer lichaamsde(e)l(en) geslagen en/of

 die [slachtoffer] op een deken gelegd en/of in de kofferbak van een personenauto getild en/of vervolgens die [slachtoffer] vervoerd naar de provincie Friesland,

ten gevolge van welk fors uitwendig geweld voornoemde [slachtoffer] is overleden,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,

 tape aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te geven waarmee die [slachtoffer] werd vastgebonden en/of ingetaped en/of de mond van die [slachtoffer] werd dichtgeplakt en/of

 niet in te grijpen terwijl er fors geweld werd uitgeoefend op die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] zwaar gewond was;

1. meer subsidiair:dat hij in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] (in een ruimte deel uitmakende van een winkelpand gelegen aldaar aan de [adres] ) en/of in de provincie Friesland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (onder meer een aantal gebroken ribben en/of bloeduitstortingen op het hoofd en/of in de halsspieren en/of in de buik en/of rond de nieren en/of in de slijmvliezen en/of elders in het lichaam en/of beschadiging van een long en/of letsel aan de neus en/of zwelling van het neusslijmvlies), heeft toegebracht, door opzettelijk

 die [slachtoffer] tegen de grond te slaan en/of

 (terwijl hij op de grond lag) meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de hals en/of tegen de romp en/of andere lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer] te schoppen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of

 met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, meermalen (met kracht) tegen de rug en/of de romp en/of op/tegen het hoofd en/of de hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer] te slaan en/of

 (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag) een knie op de rug van die [slachtoffer] te zetten en/of op hem te gaan zitten en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of

 de polsen en/of armen en/of handen en/of benen en/of het hoofd/gezicht en/of de mond en/of de nek/hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l)en van die [slachtoffer] te omwikkelen/binden/afplakken met tape en/of

 de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met elektriciteitsdraad te binden en/of op de rug van die [slachtoffer] de handen en voeten met elektriciteitsdraad aan elkaar te binden en/of elektriciteitsdraad om de hals van die [slachtoffer] te binden en/of

 terwijl die [slachtoffer] in hulpeloze toestand op de grond lag, die [slachtoffer] met kracht op de rug te slaan en/of tegen het hoofd en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) te schoppen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, tegen een of meer lichaamsde(e)l(en) te slaan en/of

 die [slachtoffer] op een deken te leggen en/of in de kofferbak van een personenauto te tillen en/of vervolgens die [slachtoffer] te vervoeren naar de provincie Friesland,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

1. meest subsidiair:dat [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of een of meer ander(en) in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] (in een ruimte deel uitmakende van een winkelpand gelegen aldaar aan aan de [adres] ) en/of in de provincie Friesland, althans in Nederland, een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel (onder meer een aantal gebroken ribben en/of bloeduitstortingen op het hoofd en/of in de halsspieren en/of in de buik en/of rond de nieren en/of in de slijmvliezen en/of elders in het lichaam en/of beschadiging van een long en/of letsel aan de neus en/of zwelling van het neusslijmvlies), heeft toegebracht, door opzettelijk

 die [slachtoffer] tegen de grond te slaan en/of

 (terwijl hij op de grond lag) meermalen (met kracht) tegen het hoofd en/of in het gezicht en/of tegen de hals en/of tegen de romp en/of andere lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer] te schoppen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of

 met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, meermalen (met kracht) tegen de rug en/of de romp en/of op/tegen het hoofd en/of de hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) van die [slachtoffer] te slaan en/of

 (terwijl die [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag) een knie op de rug van die [slachtoffer] te zetten en/of op hem te gaan zitten en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of

 de polsen en/of armen en/of handen en/of benen en/of het hoofd/gezicht en/of de mond en/of de nek/hals en/of een of meer andere lichaamsde(e)l)en van die [slachtoffer] te omwikkelen/binden/afplakken met tape en/of

 de handen en/of de voeten van die [slachtoffer] met elektriciteitsdraad te binden en/of op de rug van die [slachtoffer] de handen en voeten met elektriciteitsdraad aan elkaar te binden en/of elektriciteitsdraad om de hals van die [slachtoffer] te binden en/of

 terwijl die [slachtoffer] in hulpeloze toestand op de grond lag, die [slachtoffer] met kracht op de rug te slaan en/of tegen het hoofd en/of een of meer andere lichaamsde(e)l(en) te schoppen en/of (met gebalde vuist) te slaan en/of met een honkbalknuppel, althans een (slag)voorwerp, althans een stomp voorwerp, tegen een of meer lichaamsde(e)l(en) te slaan en/of

 die [slachtoffer] op een deken te leggen en/of in de kofferbak van een personenauto te tillen en/of vervolgens die [slachtoffer] te vervoeren naar de provincie Friesland,

terwijl dat feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door,

 tape aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te geven waarmee die [slachtoffer] werd vastgebonden en/of ingetaped en/of de mond van die [slachtoffer] werd dichtgeplakt en/of

 niet in te grijpen terwijl er fors geweld werd uitgeoefend op die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] zwaar gewond was.

3:hij in of omstreeks de periode van 20 juni 2013 tot en met 22 juni 2013 te [plaats 2] en/of elders in Nederland en/of België, nadat er in of omstreeks de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] , het misdrijf was gepleegd van moord, althans doodslag, althans zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, althans nadat er enig misdrijf was gepleegd, met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerpen waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd of andere sporen van dat misdrijf heeft vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft verdachte de personenauto waarmee het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was vervoerd van [plaats 1] naar Friesland, meegenomen naar [plaats 2] en/of vervolgens achtergelaten in België.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 1

Moord

Voorop staat dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan, dat de dader zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de dader voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar aan contra-indicaties kan een zwaarder gewicht worden toegekend.

Dat de levensberoving van het slachtoffer [slachtoffer] met voorbedachten rade is gebeurd, baseert het hof op de volgende feiten en omstandigheden:

 Vóór de aanvang van de levensberoving heeft [medeverdachte 2] tegen verdachte [verdachte] gezegd dat hij wraak wilde nemen op het slachtoffer en hem wilde vermoorden.

 Het slachtoffer is op enig moment op 19 juni 2013 overdag aangekomen in de winkel van [medeverdachte 2] en naar een ruimte achterin de winkel geleid. Ook verdachte ging naar deze ruimte.

 Het slachtoffer werd daar tegen het hoofd geslagen en geschopt.

 Hij werd met tie-wraps vastgebonden. Deze tie-wraps werden op een gegeven moment verbroken door het slachtoffer.

 Het slachtoffer is daarna met een honkbalknuppel geslagen op diverse plaatsen van het lichaam en ook weer geschopt.

 Door al dit geweld was het slachtoffer ernstig gewond.

 Op verzoek van [medeverdachte 2] heeft verdachte tape gepakt. Het slachtoffer is vervolgens over de mond getaped.

 De handen en voeten van het slachtoffer zijn bij elkaar gebonden.

 [medeverdachte 2] heeft vervolgens enige tijd de winkel verlaten en het slachtoffer daar gewond, gebonden en getaped achtergelaten. Verdachte bleef bij het slachtoffer.

 Het slachtoffer overleed uren nadat het geweld tegen hem was aangevangen in aanwezigheid van verdachte.

 Na telefonisch contact met [medeverdachte 2] vanuit de winkel, keerde deze in de avond terug en trof hij in de winkel het stoffelijk overschot van het slachtoffer aan. Verdachte was nog steeds aanwezig in de winkel.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat er een vooropgezet plan was om het slachtoffer van het leven te beroven. Op grond hiervan staat vast dat vóór de uitvoering van de daad, is nagedacht over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daad en daarvan daadwerkelijk rekenschap is genomen. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin zou zijn gehandeld is niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Het hof is dan ook van oordeel dat er met voorbedachte raad is gehandeld en dat er een moord is gepleegd.

Medeplegen/medeplichtigheid

Voorop staat dat de kwalificatie medeplegen slechts dan gerechtvaardigd is als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit.

Uit de bewijsmiddelen blijkt met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde dat:

 hij op de hoogte was van het plan om het slachtoffer te vermoorden;

 hij aanwezig was bij de uitvoering van de moord;

 hij op verzoek van [medeverdachte 2] de tape heeft aangereikt om over de mond van het slachtoffer te plakken;

 hij zich op geen enkel moment gedurende het gepleegde geweld hiervan heeft gedistantieerd.

De bijdrage van verdachte is van onvoldoende gewicht om van medeplegen van de moord te spreken nu verdachte geen aandeel heeft gehad in het feitelijk jegens het slachtoffer uitgeoefende geweld en zijn rol beperkt is gebleven tot het aanreiken van de tape die daarna door [medeverdachte 2] is gebruikt om deze over de mond van het slachtoffer te plakken. De bijdrage van verdachte is wel voldoende voor een bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan moord omdat zijn handelen (aanreiken tape) bijdroeg aan de door [medeverdachte 2] in gang gezette moord op het slachtoffer.

Verklaring verdachte niet enige bewijsmiddel

Het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan wordt niet uitsluitend gebaseerd op zijn eigen verklaring(en), inhoudende dat hij bij de uitvoering van de moord was en tape heeft aangereikt om over de mond van het slachtoffer te plakken. Die verklaring(en) worden, onder andere, in voldoende mate gesteund door de, als bewijsmiddel te hanteren, technische bevindingen in het opsporingsonderzoek. Immers, op de mond van het stoffelijk overschot van het slachtoffer is ook bruine tape aangetroffen. Dit past precies bij hetgeen verdachte daarover heeft verklaard. Van strijd met de regel dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de opgaven van de verdachte zelf (art. 341 lid 4 Sv), is dus geen sprake.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. subsidiair:dat [medeverdachte 2] en een of meer ander(en) in de periode van 19 juni 2013 tot en met 20 juni 2013 te [plaats 1] (in een ruimte deel uitmakende van een winkelpand gelegen aldaar aan de [adres] ), opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven hebben beroofd, immers hebben die [medeverdachte 2] en een of meer ander(en) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

 die [slachtoffer] tegen de grond geslagen en

 die [slachtoffer] meermalen met kracht tegen het hoofd en in het gezicht en tegen de hals en tegen de romp en andere lichaamsdelen geschopt en met gebalde vuist geslagen en

 met een honkbalknuppel meermalen met kracht tegen de rug en tegen het hoofd en een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geslagen en

 terwijl die [slachtoffer] op zijn buik op de grond lag een knie gezet op de rug van die [slachtoffer] en

 de mond en de nek/hals van die [slachtoffer] omwikkeld/afgeplakt met tape en

 de handen en de voeten van die [slachtoffer] met elektriciteitsdraad gebonden en op de rug van die [slachtoffer] de handen en voeten met elektriciteitsdraad aan elkaar gebonden en

 terwijl die [slachtoffer] in hulpeloze toestand op de rug lag, die [slachtoffer] met kracht tegen een of meer andere lichaamsde(e)l(en) geschopt

ten gevolge van welk fors uitwendig geweld voornoemde [slachtoffer] is overleden,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 19 juni 2013 te [plaats 1] , opzettelijk behulpzaam is geweest door

 tape aan die [medeverdachte 2] te geven waarmee die [slachtoffer] werd ingetaped en de mond van die [slachtoffer] werd dichtgeplakt en

 niet in te grijpen terwijl er fors geweld werd uitgeoefend op die [slachtoffer] en die [slachtoffer] zwaar gewond was;

3:hij in de periode van 20 juni 2013 tot en met 22 juni 2013 te [plaats 2] en elders in Nederland en in België, nadat er op 19 juni 2013 te [plaats 1] , het misdrijf was gepleegd van moord, met het oogmerk om de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, sporen van dat misdrijf heeft verborgen en aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken, immers heeft verdachte de personenauto waarmee het stoffelijk overschot van [slachtoffer] was vervoerd van [plaats 1] naar Friesland, meegenomen naar [plaats 2] en vervolgens achtergelaten in België.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Overweging ten overvloede

Het bewijs in deze zaak is, zoals hiervoor gemotiveerd, in belangrijke mate gebaseerd op de verklaring(en) van verdachte zelf. In diens verklaring(en) en in navolging daarvan in de bewezenverklaring van deze zaak worden als feitelijke uitvoerders van de jegens het slachtoffer uitgeoefende geweldshandelingen aangewezen [medeverdachte 2] en diens zoon, in deze zaak tevens medeverdachte, [medeverdachte 1] . Laatstgenoemde wordt echter in zijn eigen zaak vrijgesproken van medeplegen of medeplichtigheid aan moord. Dat lijkt innerlijk tegenstrijdig maar is het niet.

Hoofdregel 1 is dat een verdachte niet uitsluitend op zijn eigen verklaring of uitsluitend op basis van de verklaring van één getuige kan worden veroordeeld (bewijsminima). Hoofdregel 2 is dat de bewijsminima gelden ten aanzien van de gehele tenlastelegging en niet ten aanzien van elk onderdeel afzonderlijk. Dat laatste betekent echter niet dat reeds het enkele bestaan van (een) aanvullend(e) bewijsmiddel(en) bewezenverklaring rechtvaardigt. Dat (die) aanvullend(e) bewijsmiddel(en) zullen in voldoende mate moeten bevestigen de rechtstreeks betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde feit. Wanneer steun de kwalificatie "in voldoende mate" verdient is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden in de desbetreffende zaak.

Uitgangspunt in de zaak van verdachte is dat zijn eigen verklaringen betrouwbaar zijn. Dat behoefde hiervoor, in de zaak van verdachte zelf, geen nadere motivering omdat verdachte die betrouwbaarheid in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft betwist. Die, betrouwbare, verklaring vindt voorts in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen in het bijzonder op het punt van de feitelijke betrokkenheid van verdachte. Het is hiervoor uitgelegd: verdachte zegt tape te hebben aangereikt en er is tape aangetroffen op het slachtoffer. In zijn zaak behoeft de bewezenverklaring van het onderdeel dat op [medeverdachte 1] betrekking heeft waar het betreft diens betrokkenheid bij de moord geen nader ondersteunend bewijsmiddel omdat in de zaak van verdachte diens rechtstreekse betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit bewezen moet worden en niet die van [medeverdachte 1] .

In de zaak van [medeverdachte 1] ligt de zaak ingewikkelder. De verklaring(en) van verdachte zijn ook in die zaak het belangrijkste bewijsmiddel, maar die verklaring(en) wordt/worden op het punt van de rechtstreekse betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de moord niet in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen. In diens zaak is er namelijk niet meer dan het aanvullende gegeven (gebaseerd op onder andere de eigen verklaring van [medeverdachte 1] ) dat hij ter plaatse was in de winkel, in welke winkel hij toen behoorde te zijn omdat hij daar moest werken. Al uitgaande van de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte kan bij gebreke van voldoende steun daarvoor ten aanzien van de rechtstreekse betrokkenheid van [medeverdachte 1] in diens zaak dus niet tot een bewezenverklaring worden gekomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan medeplegen van moord.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

nadat enig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om de nasporing of vervolging te bemoeilijken, sporen van het misdrijf verbergen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van moord op [slachtoffer] . Deze moord heeft op gruwelijke wijze plaatsgevonden. Verdachte is bij het door anderen toegepaste geweld aanwezig geweest, heeft op geen enkel moment getracht een einde te maken aan het geweld en heeft die anderen, op het moment dat het slachtoffer al ernstig gewond was, tape aangegeven, met welke tape het slachtoffer vervolgens daadwerkelijk is getaped.

Het stoffelijk overschot van het slachtoffer is in de auto van het slachtoffer vervoerd van [plaats 1] naar Friesland. Daar is het stoffelijk overschot in brand gestoken en verbrand achtergelaten. Verdachte was daarbij aanwezig en heeft vervolgens het voertuig van het slachtoffer meegenomen en uiteindelijk in België achtergelaten. Hij heeft een grote rol gehad in het wegmaken van de sporen.

Mede door het handelen van verdachte is aan de nabestaanden veel leed toegebracht. Zij moeten hun dierbare voor altijd missen. Het feit dat hun dierbare gedood is, brengt voor de nabestaanden reeds onbeschrijfelijk veel leed mee, maar door de volstrekt respectloze wijze waarop vervolgens met het lichaam van het slachtoffer is omgegaan, is de nabestaanden nog meer leed aangedaan. Weliswaar is verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk voor het in brand steken van het stoffelijk overschot, hij heeft op geen enkele wijze getracht dit in brand steken te verhinderen. Integendeel, nadat het lichaam in brand was gestoken, heeft hij nog een actieve bijdrage aan het hele gebeuren geleverd door de auto, die door het slachtoffer werd gebruikt en waarin zijn stoffelijk overschot was vervoerd, weg te maken. Het hof rekent verdachte dit zwaar aan.

Dat verdachte uiteindelijk over de tenlastegelegde feiten heeft verklaard en dat dit heeft geleid tot de oplossing van de zaak, is een feit dat door het hof als strafverminderende factor is meegewogen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 mei 2017 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor geweldsdelicten. Die documentatie werkt daarom strafverhogend noch -verlagend.

Over de persoon van de verdachte zijn diverse rapportages uitgebracht. Uit de inhoud van die rapportages blijkt niet van omstandigheden die nopen tot vermindering van de straf.

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, kan het niet anders dan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van twee jaren, doet onvoldoende recht aan de ernst van de feiten, ook wanneer rekening wordt gehouden met het gegeven dat verdachte in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de oplossing van deze zaak.

Alles afwegende is naar het oordeel van het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.419,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Vaststaat dat door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit de benadeelde partij schade heeft geleden, waarvoor verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Verdachte heeft de (hoogte van de) vordering van de benadeelde partij niet betwist. De vordering kan derhalve volledig worden toegewezen. In de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] is deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 309,12 (zijnde de kosten gemaakt in het kader van het strafproces). Indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk betaalt, zal de verdachte in zoverre zijn bevrijd om dit te betalen aan de benadeelde partij.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.150,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit € 20.000,-- affectieschade (immateriële schade) en € 150,-- reiskosten van de wettelijk vertegenwoordiger in het kader van het strafproces.

De benadeelde partij heeft door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreekse materiële schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering voor wat betreft de materiële schade toewijzen nu deze niet door de verdachte is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 150,-- materiële schade zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening. In de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] is deze vordering tot vergoeding van de materiële schade ook toegewezen. Indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk betaalt, zal de verdachte in zoverre zijn bevrijd om dit te betalen aan de benadeelde partij.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Bij de huidige stand van zaken in het recht bestaat geen recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank heeft dat in het vonnis waarvan beroep juist gemotiveerd. Om die reden volstaat het hof met deze korte en kernachtige overweging. In zoverre (€ 20.000,--) zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.762,12. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.762,12. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering bestaat uit € 20.000,-- affectieschade (immateriële schade), € 150,-- reiskosten van de wettelijk vertegenwoordiger in het kader van het strafproces en € 1.612,12 kosten kinderopvang in verband met de aanwezigheid van de wettelijk vertegenwoordiger bij het strafproces.

De benadeelde partij heeft door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit rechtstreekse materiële schade geleden, welke schade aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering voor wat betreft de materiële schade toewijzen nu deze niet door de verdachte is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van € 1.762,12 materiële schade zal derhalve worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade tot aan de dag van voldoening. In de strafzaak van de medeverdachte [medeverdachte 3] is deze vordering tot vergoeding van de materiële schade ook toegewezen, als de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk betaalt, zal de verdachte in zoverre zijn bevrijd om dit te betalen aan de benadeelde partij.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Bij de huidige stand van zaken in het recht bestaat geen recht op vergoeding van affectieschade. De rechtbank heeft dat in het vonnis waarvan beroep juist gemotiveerd. Om die reden volstaat het hof met deze korte en kernachtige overweging. In zoverre (€ 20.000,--) zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 48, 57, 63, 189 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.419,12 (achtduizend vierhonderdnegentien euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn medeverdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor een bedrag van € 309,12 en voor de overige bedrag alleen aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de medeverdachte aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, verdachte daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.419,12 (achtduizend vierhonderdnegentien euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.762,12 (duizend zevenhonderdtweeënzestig euro en twaalf cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.762,12 (duizend zevenhonderdtweeënzestig euro en twaalf cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 (zevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. W.P.M. ter Berg en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis, griffier,

en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.