ECLI:NL:GHDHA:2016:4386 Gerechtshof Den Haag , 13-12-2016 / 200.164.747/01

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer: 200.164.747/01

Zaak-rolnummer rechtbank: C/09/455996/ HA ZA 13-1357

Arrest d.d. 13 december 2016

in de zaak van

Holland Capital Partners B.V.,

gevestigd te Bussum,

appellante,

hierna te noemen: HCP,

advocaat: mr. P.J. Mijnssen te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

tegen

MN Services N.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde,

hierna te noemen: MN,advocaat: mr. B.L.P. van Reeken te Amsterdam.

Het verdere geding

Bij tussenarrest van 14 juni 2016 is een comparitie van partijen gelast die op 20 juli 2016 heeft plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens heeft eerst HCP en daarna MN een akte genomen, waarna HCP bij antwoordakte op de akte van MN heeft gereageerd. Ten slotte hebben partijen wederom hun stukken overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

  1. Tijdens de comparitie van partijen hebben de advocaten van partijen al meteen laten blijken zich met bepaalde (uitdrukkelijke en bindende) eindbeslissingen in het tussenarrest niet te kunnen verenigen. Dit hebben zij in vervolgens genomen aktes uitgewerkt, waarbij zij tevens op de standpunten van de andere partij hebben gereageerd. Het hof zal eerst bespreken wat HCP als kritiek op het tussenarrest naar voren heeft gebracht.

  2. In het tussenarrest onder 4.12. is het verweer van MN tegen de door HCP gevorderde boete van € 25.000,= per week op grond van artikel 9.6 van de Raamovereenkomst (schriftelijke meldingsplicht naar de leverancier van onder meer een samengaan met een andere organisatie) samengevat. Het verweer onder (i) is meteen verworpen. Onder 4.13. is overwogen dat HCP op de verweren onder (ii) tot en met (iv), die bij conclusie van antwoord waren aangevoerd, niet heeft gereageerd zodat het hof deze verweren als onvoldoende weersproken aanmerkt. Dit betekent dat de gevorderde boetes zullen worden afgewezen, aldus de beslissing van het hof. In haar akte stelt HCP onder verwijzing naar vindplaatsen in haar processtukken dat zij deze verweren wel heeft weersproken en zij verzoekt het hof op de beslissing terug te komen. MN verzet zich hiertegen. Zij ziet in de genoemde vindplaatsen niet de door HCP gestelde reactie op haar verweer.

  3. Het hof overweegt als volgt. Het verweer van MN onder (ii) houdt in dat volgens haar niet is voldaan aan de voorwaarde dat is beslist tot het inzetten van het informatiesysteem bij de overgenomen organisatie. Anders dan in het tussenarrest onder 4.13. overwogen kan dit verweer niet als onvoldoende weersproken worden aangemerkt. Het verweer stuit reeds af op de beslissing in het tussenarrest onder 4.8. dat MN heeft gehandeld op een wijze waardoor artikel 9.4 toepasselijk is geworden. De afdelingen van Syntrus Achmea die zich bezig hielden met de pensioenadministratie voor PME en Koopvaardij, zijn overgeheveld naar MN, wat als een samengaan met een andere organisatie in de zin van artikel 9.6 moet worden gekwalificeerd. Dit impliceert dat wel is voldaan aan genoemde voorwaarde. Het hof zal daarom terugkomen op zijn beslissing dat ertoe strekt dat dit verweer slaagt aangezien deze beslissing op een onjuiste grondslag berust. Het verweer wordt thans verworpen.

  4. De verweren onder (iii) en (iv) zijn van toepassing in het geval dat de meldingsplicht in artikel 9.6. geldt. Dat geval doet zich voor nu MN is samengegaan met een andere organisatie in de zin van artikel 9.4.

  5. De verweren onder (iii) a tot en met c houden -in de samenvatting in het tussenarrest onder 4.12- in dat MN om de navolgende redenen aan de meldingsplicht heeft voldaan.(a) Reeds vanaf de eerste contractonderhandelingen met Aquila heeft MN duidelijk gecommuniceerd dat het de bedoeling was dat MN meerdere klanten zou gaan werven. In november 2001, dus nog voor het sluiten van de Raamovereenkomst, is door MN samen met Aquila een onderzoeksrapport Informatiearchitectuur opgesteld. In paragraaf 2.2 van het onderzoeksrapport wordt het doel van MN vermeld om meerdere opdrachtgevers, zoals pensioenfondsen, te werven.(b) In 2004 en 2005 verrichtte Aquila onderzoek naar de mogelijkheden van MN om de pensioenen voor PME uit te voeren. Ten minste bij brief van 6 juli 2007 (productie 14) werd Aquila geïnformeerd dat MN PME daadwerkelijk had verworven als nieuwe opdrachtgever.(c) In 2011 heeft Aquila op verzoek van MN een onderzoek verricht naar de informatiearchitectuur van MN. Voorafgaand aan dit onderzoek heeft Aquila op 20 mei 2011 een conceptofferte opgesteld (productie 10). Op de eerste pagina van deze concept-offerte wordt reeds melding gemaakt van de grote inspanning die het MN heeft gekost om de pensioenadministratie voor PME en Koopvaardij te gaan uitvoeren. Eenzelfde tekst valt te lezen in het uiteindelijke onderzoeksrapport van 25 augustus 2011 (productie 11). Aquila was toen dus op de hoogte van het gebruik van haar softwarebouwstenen voor de pensioenadministratie van PME en Koopvaardij.

  6. Voor haar reactie op dit verweer heeft HCP in haar akte naar vindplaatsen in haar processtukken verwezen en het daarin gestelde samengevat. Blijkens deze samenvatting betwist HCP op zichzelf niet de in de verweren opgenomen feiten: (a) dat het de bedoeling van MN was meerdere klanten te gaan werven en dat door MN samen met Aquila een onderzoeksrapport Informatiearchitectuur is opgesteld waarin genoemd doel, het werven van meerdere opdrachtgevers, is vermeld; (b) dat MN bij brief van 6 juli 2007 Aquila heeft geïnformeerd over het feit dat MN met PME contracten had getekend, zij het dat deze contracten inderdaad blijkens deze brief betrekking hadden op de uitvoering van het fiduciair vermogensbeheer van PME en niet op de pensioenadministratie; (c) dat Aquila een conceptofferte als in dat verweer bedoeld heeft opgesteld waarin melding wordt gemaakt van de inspanning die het MN heeft gekost om de pensioenadministratie voor PME en Koopvaardij te gaan uitvoeren, en dat eenzelfde tekst is te lezen in het uiteindelijke onderzoeksrapport van 25 augustus 2011. HCP heeft wel -en in zoverre komt het hof terug op rechtsoverweging 4.13 omdat deze in zoverre op een onjuiste grondslag berust- de conclusies betwist die MN aan een en ander verbindt, namelijk dat MN aan de meldingsplicht heeft voldaan, althans dat in de gegeven omstandigheden een beroep op de meldingsplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

  7. Het hof herhaalt eerst (enigszins verkort) hetgeen in het tussenarrest onder 4.4 en 4.5 (begin) is overwogen. Aquila is door MN betrokken bij het project “Klant-op-1”, een voorgenomen herinrichting van de bedrijfsprocessen. Deze betrokkenheid zag ook op de pensioenadministratie. In het rapport “Informatiearchitectuur Mn Services” van de hand van een medewerker van MN èn een medewerker van Aquila staan onder “Beleidsuitgangspunten” marktontwikkelingen vermeld: “Mn Services wil 3x zo groot worden en voert hiertoe een offensieve strategie gericht op omzetgroei en verbetering van kwaliteit. Deze doelen zullen bereikt worden door (…) nieuwe opdrachtgevers (Buiten de MTB nieuwe opdrachtgevers werven, bijvoorbeeld andere pensioenfondsen. Fusie en samenwerking. Verregaande samenwerking met één of meerdere opdrachtgevers.” Dit rapport verscheen in november 2001. In dezelfde maand hebben MN en Aquila een intentieverklaring getekend. Daarin is een regeling opgenomen voor het geval MN een ander bedrijf overneemt, door een ander bedrijf wordt overgenomen of met een ander bedrijf samengaat. Dan is MN een licentievergoeding verschuldigd. Deze gevallen zijn in de Raamovereenkomst uitgewerkt in onder meer de artikelen 9.3 en 9.4. In het kader van uitwisseling tussen partijen van teksten heeft Valkenburg van Aquila in een e-mail over onder meer deze bepalingen geschreven dat hij de tekst nog eens goed heeft gelezen en geen belemmeringen ziet voor de groeistrategie van MN. Het hof gaat er daarom vanuit dat partijen ook met de bepalingen in de artikelen 9.3 en 9.4 voor ogen hadden dat MN het voornemen had te groeien door het werven van nieuwe opdrachtgevers. HCP stelt ook zelf dat de raamovereenkomst rekening houdt met de groeistrategie van MN en zelfs dat het de bedoeling van MN was nieuwe klanten te bedienen.

  8. Op grond van de stellingen van partijen, voor zover over en weer niet, althans onvoldoende weersproken, in samenhang met de hierna te noemen producties staat voorts het volgende vast.In 2004 en 2005 heeft Aquila onderzoek verricht naar de mogelijkheden van MN om de pensioenen voor PME uit te voeren. Op 3 mei 2007 hebben PME en MN een persbericht uitgegeven dat integraal is overgenomen door de financiële pers (productie 12 bij inl. dgv.). Dit persbericht houdt onder meer in dat PME en MN een intentieverklaring hebben getekend met daarin gedetailleerde afspraken over “de aanstelling van Mn Services als fiduciair vermogensbeheerder”. Bij brief van 6 juli 2007 (productie 14 bij inl. dgv.) werd Aquila geïnformeerd dat MN en PME contracten hadden getekend op grond waarvan MN het fiduciair vermogensbeheer voor PME zou gaan uitvoeren.Het jaarverslag 2008 van MN (productie 27 bij akte van wijziging van eis, tevens akte in het geding brengen producties d.d. 12 september 2014 van HCP) houdt onder meer het volgende in:“ (pg. 5) In 2008 heeft Mn Services intensieve gesprekken gevoerd over een mogelijke samenwerking met Syntrus Achmea.(…)In 2008 is ook gestart met de voorbereiding voor de transitie van de pensioen-administraties van (PME, hof) en (Koopvaardij, hof). Deze transactie moet in 2009 zijn afgerond (…).”(pg. 17) Nadat in 2007 (PME, hof) Cerestar en Nutreco kozen voor Mn Services, volgden in 2008 het vermogensbeheer van (…) (Koopvaardij, hof). PME besloot in 2008 net als (Koopvaardij, hof) om naast het vermogensbeheer ook de pensioenadministratie onder te brengen bij Mn Services. Beide fondsen brengen de administratie bij Mn Services onder in 2010.”

  9. Uit hetgeen hiervoor onder 7 is vastgesteld kan worden afgeleid dat HCP wist, althans behoorde te weten dat het de inzet van MN was nieuwe opdrachtgevers te werven onder meer door het aangaan van fusies of samenwerkingen die onder de reikwijdte van de artikelen 9.3 en 9.4 zouden kunnen vallen. HCP stelt zich op het standpunt dat MN op grond van artikel 9.6 verplicht was binnen twee weken nadat er sprake was van een overname of samengaan en de beslissing tot het inzetten van de software bij de samengevoegde organisatie was genomen, dit schriftelijk en dus expliciet bij HCP te melden. Het gaat volgens haar niet om een onderzoeksplicht van Aquila om aan de hand van haar toevallig bereikte informatie vast te stellen of deze voorwaarden zijn vervuld. MN heeft op zichzelf niet betwist dat op Aquila niet een dergelijke onderzoeksplicht rustte. Zij stelt zich evenwel op het standpunt dat, zo begrijpt het hof, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn wanneer zij op straffe van een boete gehouden zou zijn de overname van de pensioenadministraties van PME en Koopvaardij expliciet, schriftelijk bij Aquila te melden, hoewel zij van het voornemen van deze overname al breed melding had gemaakt in haar jaarverslag 2008 en Aquila al in 2007 ervan op de hoogte was gesteld dat MN het vermogensbeheer voor PME zou gaan uitvoeren. Zoals onder andere naar voren komt in haar verklaring tijdens de comparitie van partijen bij de rechtbank (proces-verbaal onder 8) was MN de (precieze) reikwijdte van de artikelen 9.3 en 9.4 niet voldoende duidelijk. In het tussenarrest onder 4.5. is al geconstateerd dat partijen van mening verschilden over de ratio van deze bepalingen. HCP laat ook in de verklaring die namens haar op genoemde comparitie (proces-verbaal onder 4) is afgelegd, uitkomen dat partijen, Aquila en MN, voor de situatie waarop ook de meldplicht ziet, destijds hebben geprobeerd “artikel 9 te schrijven. Wij konden moeilijk grip krijgen op de definiëring van die situaties, daarom hebben wij het zo ruim mogelijk geformuleerd.” Kennelijk heeft het door Aquila en MN onderkende risico dat de gekozen formulering tot onduidelijkheid zou leiden, zich verwezenlijkt. MN heeft wel het risico genomen dat in rechte geoordeeld zou worden dat een overname van een pensioenadministratie onder de werking van bijvoorbeeld artikel 9.4 zou vallen. Het hof is inderdaad tot dit oordeel gekomen. Als gevolg hiervan is MN de voor dit geval overeengekomen licentievergoeding verschuldigd. Het is onder de hiervoor geschetste omstandigheden naar het oordeel van het hof evenwel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat MN daarnaast nog boete verschuldigd is wegens het niet schriftelijk melden van een voorgenomen samengaan in de zin van artikel 9.4. De beslissing tot afwijzing van deze vordering van HCP in het tussenarrest onder 4.12. blijft dus in stand, zij het onder wijziging van gronden.

  10. Ook MN verzoekt het hof terug te komen op een in het tussenarrest gegeven (uitdrukkelijke en bindende) eindbeslissing en wel die in rechtsoverweging 4.8. waarin concluderend wordt geoordeeld dat grief 6 slaagt, dat MN heeft gehandeld op een wijze waardoor artikel 9.4 van de Raamovereenkomst toepasselijk is geworden, hetgeen betekent dat de vordering onder II sub a tot betaling van de overeengekomen licentievergoedingen vatbaar is voor toewijzing nu hiertegen geen verder verweer is gevoerd. Daartoe draagt MN argumenten aan die erop neerkomen dat het hof tot een ander oordeel had moeten komen, maar die echter niets inhouden dat tot de conclusie moet leiden dat de beslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust. Het verzoek van MN wordt afgewezen. Niet is gebleken dat de beslissing berust op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer processtukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan het hof overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.

  11. MN verzoekt het hof nog terug te komen op de beslissing in het tussenarrest onder 4.9. dat de wettelijke handelsrente kan worden toegewezen. MN herhaalt haar, in deze rechtsoverweging gemotiveerd verworpen, verweer dat zowel uit de wetsgeschiedenis als uit de jurisprudentie blijkt dat het systeem van de wettelijke handelsrente niet geldt voor overeenkomsten die zijn gesloten vóór 8 augustus 2002, zoals de Raamovereenkomst. Door anders te oordelen berust de beslissing op een onjuiste juridische grondslag, aldus MN. Ook dit verzoek wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat de beslissing op een onjuiste juridische grondslag berust.

  12. Ten aanzien van de verzoeken van beide partijen wordt nog het volgende overwogen. Voor zover met het oogmerk dat het hof terugkomt op genoemde eindbeslissingen in de aktes voor het eerst een verweer wordt gevoerd nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord al in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan de bindende eindbeslissingen heeft gegeven, geldt dat partijen dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en dat zij handelen in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusie-regel.

  13. Thans dient nog grief 9 te worden beoordeeld. Deze grief is gericht tegen de afwijzing in het vonnis onder 4.17. van de, door de rechtbank als subsidiair aangemerkte, vordering onder I voor recht te verklaren dat MN toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen die voortvloeien uit artikel 9.11 van de Raamovereenkomst: indien zich een situatie voordoet die door dit artikel niet wordt gedekt en beide partijen zijn of één van beide partijen is van mening dat deze situatie wel afgedekt moet worden, dan treden partijen in overleg en zorgen in alle redelijkheid dat de betreffende situatie voor beide partijen adequaat wordt geregeld.

  14. Artikel 9.11 ziet dus op het geval dat zich een situatie voordoet “die door dit artikel niet wordt gedekt.” Dit artikel is het hele artikel 9. Artikel 9.11 ziet er kennelijk op dat gevallen die in de overeenkomst niet zijn voorzien en daarom niet zijn geregeld, alsnog door partijen in goed overleg worden geregeld. Het hof heeft in het tussenarrest al geoordeeld dat zich de situatie heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 9.4., een geval dus dat partijen wel hadden voorzien. Dit betekent dat het in artikel 9.11 bedoelde geval zich niet voordoet. Grief 9 faalt.

  15. MN heeft in haar akte onder 18 nog als nieuw verweer aangevoerd dat de in artikel 9.11 neergelegde verplichting niet overdraagbaar is. Het hof gaat aan dat verweer voorbij omdat MN hiermee heeft gehandeld in strijd met de tweeconclusie-regel en daarbij overigens geen belang heeft.

  16. De slotsom van het tussenarrest en dit arrest is dat, zoals al aangekondigd in het tussenarrest onder 4.8. en 4.9., met vernietiging van het vonnis de vordering van HCP onder II sub a zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke handelsrente met ingang van 1 januari 2010 en dat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Het bewijsaanbod van ieder van partijen wordt gepasseerd omdat dit niet is toegesneden op een of meer stellingen die tot een ander oordeel kunnen leiden. De mate waarin partijen in principiële zin en in financiële zin over en weer in het ongelijk zijn gesteld leidt het hof ertoe de proceskosten in beide instanties te compenseren. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Den Haag van 3 december 2014 en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt MN tot betaling aan HCP van € 700.000,= aan licentievergoedingen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente (artikel 6: 119a BW) met ingang van 1 januari 2010 tot de dag van volledige betaling;

wijst af het meer of anders door HCP gevorderde;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in dier voege dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, A.D. Kiers-Becking en M.Y. Bonneur en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2016 in aanwezigheid van de griffier.