ECLI:NL:GHDHA:2017:1523 Gerechtshof Den Haag , 01-06-2017 / 2200149717

Uitspraak

Rolnummer: 22-001497-17

Parketnummer: 09-025226-17

Datum uitspraak: 1 juni 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag van 30 maart 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 mei 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, waarvan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist over de vordering van de benadeelde partij als weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te [pleegplaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een brommobiel (merk Microcar, [kenteken]) door een fles met brandbare vloeistof leeg te gooien in en/of over die brommobiel, althans door die fles met brandbare vloeistof in en/of direct naast die brommobiel te plaatsen en/of (vervolgens) vuurwerk, althans (open) vuur, in/op/tegen die brommobiel te gooien, althans door vuurwerk en/of open vuur in aanraking te brengen met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die brommobiel geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer op de openbare weg (te weten de [straatnaam]) geparkeerde auto's, in elk geval gemeen gevaar voor (de in de auto aanwezige) goederen,

te duchten was;

subsidiair:

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te [pleegplaats], met een ander of anderen, op of aan de [straatnaam], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een brommobiel (merk Microcar, [kenteken], welk geweld bestond uit het gieten/gooien/spuiten van een brandbare stof in/op/tegen voornoemde brommobiel en/of (vervolgens) vuurwerk, althans (open) vuur in/op/tegen voornoemde brommobiel gooien, ten gevolge waarvan die brommobiel geheel of gedeeltelijk is verbrand;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te [pleegplaats] opzettelijk en wederrechtelijk een brommobiel (merk Microcar, [kenteken], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door voornoemde brommobiel in brand te steken.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis opgelegde straf, met dien verstande dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, alsmede tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te [pleegplaats], opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een brommobiel (merk Microcar, [kenteken] door vuurwerk, althans (open) vuur, in/tegen die brommobiel te gooien, ten gevolge waarvan die brommobiel geheel of gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor een of meer op de openbare weg (te weten de [straatnaam]) geparkeerde auto's te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft aangevoerd dat de delictsomschrijving van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht niet is vervuld, omdat er geen sprake is van “gemeen gevaar” in de zin van “algeheel gevaar”. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht is – voor zover hier van belang – straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk brand sticht, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is. Om in rechte het gemeen gevaar voor goederen als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat gemeen gevaar voor goederen inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het gemeen gevaar voor goederen ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn, indien zich ten tijde van de brandstichting geen goederen in de nabijheid bevonden (vgl. HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8840, alsmede HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653).

De verdachte heeft brand gesticht door vuurwerk, althans (open) vuur in/tegen een brommobiel te gooien. Met die brandstichting dient gemeen gevaar voor andere goederen te duchten te zijn geweest.

Alleen al gelet op de camerabeelden waarop te zien is dat eigenaren van in de nabijheid van het in brand gestoken brommobiel geparkeerde voertuigen, kort daarna hun auto verplaatsten was er sprake van een voorzienbaar gevaar voor goederen die zich in de nabijheid bevonden van het in brand gestoken voertuig door het mogelijk overslaan van de brand.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat door verdachte’s handelen gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest.

Ten aanzien van de camerabeelden

De raadsman heeft voorts bepleit dat de camerabeelden dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat er een onvoldoende kenbaar besluit was van de burgemeester, er ter plaatse onvoldoende melding van cameratoezicht was, het cameratoezicht geen tijdelijk karakter had en er geen sprake is van een vordering ingevolge artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering.

Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de camerabeelden onvoldoende gedetailleerd zijn voor een herkenning.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof onderschrijft het verweer van de raadsman dat niet gebleken is van een voldoende kenbaar besluit van de burgemeester is met betrekking tot het cameratoezicht in het gebied van de [straatnaam] te [plaats] op 1 januari 2017; in zoverre is er dus sprake van een vormverzuim. Bewijsuitsluiting als een in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg kan uitsluitend aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en voorts door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.

Het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang.

Een schending van dat belang levert derhalve niet een nadeel op als bedoeld in artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Dat de verdachte als gevolg van de schending ander nadeel zou hebben ondervonden of welk voorschrift of beginsel in aanzienlijke mate zou zijn geschonden, is door de raadsman niet gesteld.

Voor het doen van een vordering van gegevens ingevolge artikel 126na van het Wetboek van Strafvordering bestond geen grond, nu de gegevens reeds ter beschikking van de politie stonden.

Het verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting van de camerabeelden wordt derhalve verworpen.

Ten aanzien van de herkenning van de verdachte overweegt het hof het hierna volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2017 met nr. PL1500-2017000185-17 komt naar voren dat er op 1 januari 2017 op de [straatnaam] een auto/brommobiel in brand werd gestoken en dat de hoofdverdachte een jongen was die een zwarte “hoodie” droeg met een wit rond logo. [Verbalisant] is daarop tezamen met een aantal collega’s direct die kant opgereden en zag, op de [straatnaam] aangekomen, dat er een jongen wegrende over de [straatnaam].

Hij is achter deze jongen aangefietst en heeft hem aangehouden. Bij het bekijken van de camerabeelden door [verbalisant] is zichtbaar dat een persoon, gekleed in een zwarte hoodie met een witte ronde opdruk een voorwerp met kracht naar de auto gooit. [Verbalisant] herkent op de beelden de persoon met de zwarte hoodie en de witte ronde opdruk, voor 100 % als de door hem aangehouden [verdachte], geboren [geboortedag] 1999. De kleding die de verdachte op de camerabeelden draagt, was exact dezelfde kleding als de kleding die hij droeg ten tijde van de aanhouding.

Het hof overweegt dat de verdachte is aangehouden kort na de brandstichting, dat hij is herkend aan bijzondere kenmerken van de trui die hij aanhad, niet op basis van gezichtskenmerken. Voorts heeft het hof bij het bekijken van de camerabeelden waargenomen dat de jongen met de “hoodie” hetzelfde postuur en manier van lopen had als de verdachte en dat de trui zeer opvallend was. Het hof is van oordeel dat [verbalisant] de verdachte op grond van het vorenstaande heeft kunnen herkennen.

Het verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] met nr. PL1500-2017000185-17 wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich tijdens Oudejaarsnacht schuldig gemaakt aan het in brand steken van een brommobiel, als gevolg waarvan die brommobiel verloren is gegaan. Dit betreft een ernstig feit. Met zijn handelen heeft de verdachte de eigenaar van de brommobiel overlast, ergernis en financiële schade bezorgd en getoond geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Daarnaast is door de brand gemeen gevaar voor in de nabijheid van de brommobiel geplaatste voertuigen ontstaan. Dit soort feiten brengen bovendien gevoelens van onveiligheid bij mensen teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 4 mei 2017, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 15 maart 2017 in aanmerking genomen. Daaruit komt naar voren dat de thuissituatie van de verdachte over het algemeen positief is te noemen en dat hij gaat starten met een leertraject op het ROC Mondriaan; hij wil graag weer aan het werk en er zijn momenteel geen zorgen over zijn vrijetijdsbesteding. Verder is hij sociaal vaardig en gebruikt hij meestal alternatieven voor agressief gedrag. De kans op herhaling wordt als laag ingeschat.

Bij het bepalen van de straf is op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de straf die bij het arrest van heden van dit hof wordt opgelegd in de zaak met parketnummer 09-222427-17 en rolnummer 22-000616-17.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur, alsmede een geheel voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden

en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 2.750,00 aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het [slachtoffer], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd stelt onder toezicht van Jeugdbescherming West en zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, door of namens deze instelling te geven, ook indien dit inhoudt een behandeling/training gericht op het verbeteren van vaardigheden.

Geeft deze instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Vordering van de [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.750,00 (tweeduizend zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 (zevenendertig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. C.P.E.M. Fonteijn-Van der Meulen, mr. Chr.A. Baardman en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 juni 2017.

Mr. Chr.A. Baardman is buiten staat dit arrest te ondertekenen.