ECLI:NL:GHDHA:2017:1540 Gerechtshof Den Haag , 31-05-2017 / 22-001505-16

Uitspraak

Rolnummer: 22-001505-16

Parketnummer: 09-857113-15

Datum uitspraak: 31 mei 2017

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 16 maart 2016 in de strafzaak tegen de verdachte:

[de verdachte],

geboren te [plaats] op [geboortedag] 1981,

domicilie kiezend op het adres [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 2 maart 2016 en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 23 december 2016, 10 januari 2017, 11 januari 2017, 25 april 2017 en 26 april 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte en door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie in het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 januari 2017 medegedeeld dat het hoger beroep zich niet richt tegen de vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde.

Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling in hoger beroep van het onder 5 ten laste gelegde. Het hof zal de officier van justitie daarom, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv), in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en zodoende mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing evenwel geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Omvang van het hoger beroep

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het inhoudelijke oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - ten laste gelegd dat:

Feit 1.

Primair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) van het leven te beroven, met dat opzet die [kind 1] (terwijl die [kind 1] (reeds) een fysiek slechte conditie had)

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou heeft gezet en/of heeft laten staan en/of heeft laten lopen

waardoor zij, die [kind 1], in een toestand van ernstige onderkoeling en/of levensbedreigende onderkoeling en/of een comateuze toestand is gekomen en/of zij een hartstilstand heeft gekregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan een kind over wie zij het gezag uitoefende en/of een kind dat zij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot haar gezin, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

-

laten fietsen terwijl die [kind 1] duizelig en/of verzwakt was en zij meermalen met haar fiets ten val kwam en/of

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou gezet en/of laten staan en/of laten lopen en/of

-

(terwijl die [kind 1] ernstig verzwakt was) haar rondjes laten lopen om een vrachtwagen op een ongelijke met stenen bezaaide bodem waarbij zij meermalen ten val is gekomen

waardoor zij, die [kind 1], in een toestand van ernstige onderkoeling en/of een comateuze toestand is gekomen en/of zij een hartstilstand heeft gekregen en/of een subgaleaal hematoom heeft opgelopen en/of een blijvend litteken op haar borstkas heeft bekomen;

meer subsidiair

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1]

-

laten fietsen terwijl die [kind 1] duizelig en/of verzwakt was en zij meermalen met haar fiets ten val kwam en/of

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou gezet en/of laten staan en/of laten lopen en/of

-

(terwijl die [kind 1] ernstig verzwakt was) haar rondjes laten lopen om een vrachtwagen op een ongelijke met stenen bezaaide bodem waarbij zij meermalen ten val is gekomen

ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas, althans pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording is veroorzaakt;

Feit 2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 6 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en/of Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens een kind over wie zij het gezag uitoefende en/of een kind dat zij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot haar gezin, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft/hebben zij, verdachte en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

-

onder een koude douche gezet en/of laten staan en/of

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 1] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd haar behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

-

gekleineerd en/of denigrerend toegesproken

waardoor die [kind 1] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt;

Feit 3.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk als stiefmoeder van [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging zij (als haar stiefmoeder) krachtens wet of overeenkomst verplicht was, die [kind 1] meermalen (telkens) in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door met dat opzet, terwijl de lichamelijke toestand van [kind 1] (steeds) verder verslechterde, na te laten ten behoeve van de gezondheid van die [kind 1] (tijdig)

-

maatregelen te treffen om haar lichaamstemperatuur te verhogen en/of

-

passende medische zorg in te roepen,

waardoor die [kind 1] in een hulpeloze toestand werd gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of is toegebracht, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of het geraken in een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas;

Feit 4.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens een kind over wie zij het gezag uitoefende en/of een kind dat zij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot haar gezin, te weten [kind 2] (roepnaam [kind 2]), geboren [geboortedag] 2000, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft zij, verdachte en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

die [kind 2] onder meer

-

geruime tijd (gedurende enkele uren) in een korte broek, althans onvoldoende warme kleding, buiten gezet/ gelaten, terwijl de buitentemperatuur tussen de 0 en 8 graden Celsius was en/of

-

zijn mond met (duct)tape dicht/afgeplakt en/of

-

(minutenlang) gedwongen zijn plas op te houden, althans die [kind 2] ervan weerhouden naar het toilet te kunnen gaan en/of

-

opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

-

gekleineerd en/of denigrerend toegesproken

waardoor die [kind 2] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte zal worden opgelegd de niet-gemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling, met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het bestreden vonnis

Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Algemene overwegingen

1 Feiten en omstandigheden

Het hof gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende feiten en omstandigheden.

16 februari 2015 en de dagen daarna

Op 16 februari 2015 rond 09.27 uur belt de verdachte [de verdachte] (hierna: [de verdachte]) het alarmnummer 112. Zij meldt dat bij haar thuis in Roelofarendsveen een 12-jarig meisje, genaamd [kind 1], slecht aanspreekbaar is en moeilijk ademhaalt.

Hulpverleners komen ter plaatse. Zij treffen een meisje aan dat op de grond op een dekbed ligt. Ze voelt koud aan en heeft geen hartslag. Er wordt direct begonnen met reanimatie. De reanimatie wordt voortgezet in de ambulance op weg naar het Leidsch Universitair Medisch Centrum (verder: LUMC).

In het LUMC wordt de reanimatie overgenomen door het team van het LUMC. Ook wordt daar de temperatuur van [kind 1] gemeten (tussen 10.24 en 10.40 uur). Deze blijkt 23 graden Celsius te zijn.

Na een uur en drie kwartier reanimeren is nog geen herstel van de hartslag opgetreden. Daarom wordt besloten [kind 1] naar de operatiekamer te brengen. Daar wordt ze geopereerd en aan de hart-longmachine aangesloten om haar langzaam, in comateuze toestand, te kunnen opwarmen.

In de dagen daarna wordt [kind 1] buiten bewustzijn gehouden met een lichaamstemperatuur van 35 graden. In deze periode herstellen de neurologische functies snel. Na verder te zijn behandeld op de afdeling intensive care en de kinderafdeling wordt [kind 1] in maart 2015 uit het ziekenhuis ontslagen.

Voorgeschiedenis

Periode 2000 t/m januari 2015

Op [geboortedag] 2000 wordt uit het huwelijk van de medeverdachte [de medeverdachte] (hierna: [de medeverdachte]) en [de moeder] (hierna: de moeder) een zoon geboren, roepnaam [kind 2], en op [geboortedag] 2002 een dochter, roepnaam [kind 1].1

In 2003 ontstaat een relatie tussen [de medeverdachte] en [de verdachte].

Op 6 januari 2005 wordt de echtscheiding tussen [de medeverdachte] en de moeder uitgesproken. Er komt co-ouderschap.2

[de medeverdachte] en [de verdachte] trouwen op 6 oktober 2006.3 Na een doodgeboren kindje krijgen ze in 20084, 20095 en 20116 drie zoons.

Er zijn veel conflicten tussen de moeder enerzijds en [de medeverdachte] en [de verdachte] anderzijds. De ouders communiceren niet constructief.7

Op 5 oktober 2005 wordt de eerste zorgmelding over [kind 2] gedaan.8

In de jaren daarna nemen de zorgen over [kind 2] toe en ontstaan ook zorgen over [kind 1]. Hulpverlening in een vrijwillig kader is niet toereikend.9

Op 1 september 2009 volgt een ondertoezichtstelling van beide kinderen.10

In april 2011 worden [kind 2] en [kind 1] bij [de medeverdachte] en [de verdachte] geplaatst omdat de moeder uit haar huis dreigt te worden gezet.11

In juli 2013 wordt vastgesteld dat [kind 2] en [kind 1] lijden onder de jarenlange strijd tussen beide ouders.12

Op 7 oktober 2013 wordt de ondertoezichtstelling van [kind 1] niet verder verlengd, hoewel Jeugdzorg dat wel nodig vindt.13

In maart 2014 ziet de kinderarts [kind 1].14 De glutenwaardes in haar bloed blijken matig verhoogd.15 In 2003 was bij [kind 1] al de diagnose coeliakie (een chronische darmaandoening met intolerantie voor gluten) gesteld.16

Vanaf november 2014 ziet de leerkracht van [kind 1] haar steeds magerder worden. Ouders van andere kinderen komen vanaf januari 2015 naar de leerkrachten toe en maken zich ook zorgen. Sommige ouders hebben haar zien vallen met de fiets.17

De kinderarts ziet [kind 1] op 28 januari 2015 omdat [de verdachte] zich zorgen maakt over het eetgedrag van [kind 1]. [de verdachte] heeft de indruk dat [kind 1] gluten eet. De kinderarts constateert dat [kind 1] iets is aangekomen. Er is geen sprake meer van een verhoging van de glutenwaarden in het bloed. De kinderarts zal een verwijzing naar Cardea regelen omdat [de verdachte] zegt dat het thuis lastig is.18

Periode 7 t/m 16 februari 2015

[kind 1] valt op zaterdag 7 februari 2015 thuis van de eerste verdieping naar de begane grond van de trap omdat ze duizelig is. Haar teen bloedt en ze klaagt dat alles pijn doet.

Op zondag 8 februari 2015 is [kind 1] ’s morgens een beetje duizelig. Na het eten voelt ze zich goed.

’s Middags gaat [kind 1] op de fiets naar een supermarkt, de Plus, om glutenvrij brood te halen. Het is koud. Onderweg vraagt ze een buurman om hulp. Ze zegt dat ze is gevallen. Ze lijkt onderkoeld en ze vertelt dat ze duizelig is. De buurman ziet haar nogmaals vallen. Hij doet die middag een melding bij Veilig Thuis.

Bij de Plus vraagt [kind 1] opnieuw hulp: ze is duizelig en kan bijna niet meer op haar benen staan. Ze lijkt het heel erg koud te hebben. [de medeverdachte] en [de verdachte] worden gebeld en komen naar de Plus. Ze laten [kind 1] terugfietsen naar huis.

Op maandag 9 februari 2015 geeft [kind 1] op school aan dat ze duizelig is.

De volgende dag, dinsdag 10 februari 2015, zegt de leerkracht van [kind 1] tegen [de medeverdachte] en [de verdachte] dat ze zich zorgen maakt om [kind 1] omdat ze zo mager en wit is en duizelig is. Ze stelt voor zelf een arts te bellen. [de medeverdachte] en [de verdachte] vinden dat niet nodig omdat er al contact met de kinderarts is. De duizeligheid is volgens hen vooral aandacht vragen.

Op woensdag 11 februari 2015 valt een andere leerkracht op dat [kind 1] er heel slecht uitziet. Ze is mager en wit en lijkt heel afwezig en apathisch.

Op donderdag 12 februari 2015 meldt [de verdachte] [kind 1] ziek. Ze is volgens [de verdachte] ingestort. Ze kan niet meer op haar benen staan.

[de verdachte] belt met de assistente van de kinderarts en zegt dat het steeds slechter gaat met [kind 1]. Ze vraagt of er al iets bekend is over de verwijzing naar Cardea. De kinderarts zal terugbellen.

’s Middags loopt [kind 1] rondjes om de vrachtwagen van [de medeverdachte]. Ze valt en wordt door [de medeverdachte] overeind geholpen.

Op vrijdag 13 februari 2015 kan [kind 1] niet zelfstandig naar beneden en gaat ze zittend de trap af.

Rond 9.00 uur maakt [de verdachte] een filmpje, waarop te zien is dat [kind 1] onvast ter been is en dat haar hele lichaam trilt.

[kind 1] loopt die dag 15 tot 20 minuten rondjes rond de vrachtwagen van [de medeverdachte]. Ze valt. Ze kan niet meer zelf overeind komen.

Op zondag 15 februari 2015 loopt [kind 1] buiten weer rondjes. Ze valt weer. Na een paar rondjes houdt ze zich vast aan een stoel. Ze is die dag volgens [de verdachte] niet zoals ze normaal is. Ze is zwakker dan normaal.

[kind 1] gaat na het avondeten naar boven. Enige tijd later roept ze [de verdachte]. Haar bed en kleren zitten onder de poep. Ze is rillerig en koud en een beetje afwezig. Ze wordt onder de douche gezet. Na de douche is ze nog steeds koud. Ze zit te rillen.

Een getuige ziet als [kind 1] onder de douche staat dat ze met haar handen tegen de muur van de douche leunt. [kind 1] ziet er beroerd uit en kan haar evenwicht niet houden, ze kan niet blijven staan. Het duurt een uur voordat [kind 1] iets zegt; voor die tijd is ze voornamelijk stil met alleen een klein kreungeluidje.

De getuige ziet ook dat de rug van [kind 1] bont en blauw is en dat ze een grote schaafwond op haar rug heeft die aan het helen is met korsten. Over haar hele lichaam zitten blauwe plekken. Haar handen zijn na het douchen koud. Ze staat onstabiel op haar benen en gaat zittend de trap af.

Na het douchen drinkt [kind 1] een flesje astronautenvoeding en eet ze een stukje gebak. Ze is aanvankelijk traag in haar bewegingen. Na iets te hebben gedronken gaat het beter. Het trillen houdt op. Getuige [getuige 1] vertrekt rond 22.00 uur naar huis.

[de medeverdachte] komt die avond twee keer thuis van zijn werk om te pauzeren, de tweede keer rond 22.30 uur. Hij drinkt dan koffie en gaat weer aan het werk. [de medeverdachte] komt rond 2.00 uur weer thuis en gaat rond 2.30 uur naar bed.

Op maandag 16 februari 2015 brengt [de verdachte] de drie jongste kinderen naar school. Rond 8.50 uur is ze weer thuis. Ze voert tot 9.19 uur een telefoongesprek.

[de verdachte] belt rond 9.27 uur 112.

De problemen van [kind 2] en [kind 1]

Uit de hulpverleningsgeschiedenis blijkt dat [kind 2] en [kind 1] gedurende vele jaren knel hebben gezeten tussen aan de ene kant hun moeder en aan de andere kant [de medeverdachte] en [de verdachte].

Bij beide kinderen is een lage intelligentie vastgesteld.19

Onderzoek heeft uitgewezen dat [kind 2] PDD-NOS heeft.20

Ook is bij hem de diagnose ADHD gesteld.21

[kind 1] heeft een glutenallergie (coeliakie).22

Op de problemen die de twee kinderen hadden hebben de verdachten regelmatig met bijzondere opvoedingsmethodes gereageerd. Daarvan getuigen onder meer filmpjes die de verdachten van [kind 2] en [kind 1] hebben gemaakt. Uit die filmpjes blijkt dat [kind 2] werd gedwongen zijn plas op te houden en dat [kind 1] werd gedwongen te eten. Beide kinderen zijn op de filmpjes hevig overstuur.23

Een van de hulpverleners heeft opgemerkt dat de straffen echt idioot fors en buiten proportie waren. Volgens haar was er zeker sprake van psychische mishandeling.24

Het hof acht gelet hierop aannemelijk dat de wijze waarop [de medeverdachte] en [de verdachte] omgingen met [kind 2] en [kind 1] ertoe heeft bijgedragen dat hun problemen alleen maar groter zijn geworden. Dat de situatie thuis van invloed was op het gedrag van bijvoorbeeld [kind 2] blijkt ook uit het feit dat de gedragsproblemen die zich thuis voordeden elders niet of nauwelijks werden gezien.

De hulpverlening

In een periode van bijna vijfeneenhalf jaar (gerekend tot 16 februari 2015) zijn acht gezinsvoogden in het gezin van [de medeverdachte] en [de verdachte] werkzaam geweest. Drie keer vond een wisseling van gezinsvoogd plaats (mede) naar aanleiding van klachtgesprekken met [de verdachte] en [de medeverdachte] en een steeds stroever lopende samenwerking met de gezinsvoogd. De meeste gezinsvoogden zijn korter dan een jaar in het gezin werkzaam geweest.

Ook andere hulpverleners zijn niet langer dan een aantal maanden in het gezin werkzaam geweest.25

De houding van [de medeverdachte] en met name [de verdachte] ten opzichte van de hulpverlening droeg eraan bij dat de hulpverleners omzichtig te werk gingen. [de verdachte] voelde zich snel aangevallen, zegt een van de hulpverleners.26 Een ander zegt dat er heel lang moest worden meegegaan in het perspectief van [de verdachte] voordat er weer iets kon worden gezegd over de kinderen.27 Meerdere gezinsvoogden verklaren dat [de medeverdachte] en [de verdachte] meewerkten zolang ze iets nodig hadden. Als de hulp werd ingezet of als het weer rustig was haakten ze af.28 Gesprekken met de kinderen werden soms afgehouden.29

2 De verklaring van [kind 1]

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat – zakelijk weergegeven – de verklaring van [kind 1] niet als bewijs kan dienen, omdat deze onvoldoende betrouwbaar is.

Het hof is van oordeel dat de verklaring die [kind 1] op 28 december 2016 heeft afgelegd, gelet op alle omstandigheden, waaronder de nog jonge leeftijd van [kind 1] en het tijdsverloop, met behoedzaamheid moet worden beoordeeld. Voor uitsluiting van het bewijs is evenwel geen reden voor zover deze verklaring in voldoende mate steun vindt in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen.

Aan de betrouwbaarheid van de verklaring draagt naar het oordeel van het hof bij dat [kind 1] tijdens het verhoor herhaaldelijk antwoordt op vragen dat zij zich iets niet herinnert. Daaruit leidt het hof af dat [kind 1] zorgvuldig is geweest bij het geven van haar antwoorden. Bovendien heeft [kind 1] niet uitsluitend belastend verklaard ten aanzien van de verdachte en de medeverdachte, maar eveneens op onderdelen ontlastend.

Gedeeltelijke vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat de verdachte van het onder 2 ten laste gelegde ten dele dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof ten aanzien van de handelingen zoals ten laste gelegd onder het eerste en het tweede gedachtestreepje dat de verklaring van [kind 1] op deze onderdelen niet (voldoende) wordt ondersteund door ander bewijs, zodat niet is voldaan aan het bewijsminimum zoals neergelegd in artikel 342, tweede lid, Sv. Het gaat daarbij – samengevat – om het onder een koude douche zetten en het in een garage of schuur laten slapen.

Gedeeltelijke vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

Het hof heeft uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 3, eerste gedachtestreepje heeft begaan, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 15 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002) van het leven te beroven, met dat opzet die [kind 1] (terwijl die [kind 1] (reeds) een fysiek slechte conditie had)

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur, althans ruimte, heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen, en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) heeft laten slapen en/of verblijven, terwijl het buiten vroor althans (zeer) koud was, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

gedurende geruime tijd, zonder voldoende warme kleding, buiten de woning in de kou heeft gezet en/of heeft laten staan en/of heeft laten lopen

waardoor zij, die [kind 1], in een toestand van ernstige onderkoeling en/of levensbedreigende onderkoeling en/of een comateuze toestand is gekomen en/of zij een hartstilstand heeft gekregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2013 tot en met 6 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, en/of Wassenaar, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens een kind over wie zij het gezag uitoefende en/of een kind dat zij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot haar gezin, te weten [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [kind 1] onder meer

-

onder een koude douche gezet en/of laten staan en/of

-

in een koude en/of onverwarmde garage en/of schuur laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen en/of

-

in een koude en/of onverwarmde (slaap)kamer (met een geopend raam) laten slapen en/of verblijven, (telkens) zonder (voldoende) kleding en/of beddengoed en/of dekens om zich te kunnen verwarmen, en/of

waardoor bij die [kind 1] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij haar is veroorzaakt,

en

-

opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 1] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd haar behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

-

gekleineerd en/of denigrerend toegesproken.

Feit 3.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 februari 2015 tot en met 16 februari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk als stiefmoeder van [kind 1] (geboren [geboortedag] 2002), tot wierns onderhoud, verpleging of verzorging zij (als haar stiefmoeder) krachtens wet of overeenkomst verplicht was, die [kind 1] meermalen (telkens) in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten, door met dat opzet, terwijl de lichamelijke toestand van [kind 1] (steeds) verder verslechterde, na te laten ten behoeve van de gezondheid van die [kind 1] (tijdig)

-

maatregelen te treffen om haar lichaamstemperatuur te verhogen en/of

-

passende medische zorg in te roepen,

waardoor die [kind 1] in een hulpeloze toestand werd gebracht en/of gelaten, ten gevolge waarvan die [kind 1] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of is toegebracht, te weten ernstige onderkoeling en/of een hartstilstand en/of het geraken in een comateuze toestand en/of een subgaleaal hematoom en/of een blijvend litteken op de borstkas;

Feit 4.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 31 januari 2015 te Roelofarendsveen, gemeente Kaag en Braassem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, telkens een kind over wie zij het gezag uitoefende en/of een kind dat zij verzorgde en/of opvoedde als behorend tot haar gezin, te weten [kind 2] (roepnaam [kind 2]), geboren [geboortedag] 2000, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hebben zij, verdachte, en/of haar mededader met dat opzet meermalen, althans eenmaal,

die [kind 2] onder meer

-

geruime tijd (gedurende enkele uren) in een korte broek, althans onvoldoende warme kleding, buiten gezet/ gelaten, terwijl de buitentemperatuur tussen de 0 en 8 graden Celsius was en/of

-

zijn
de mond van die [kind 2] met (duct)tape dicht/afgeplakt en/of

-

die [kind 2] (minutenlang) gedwongen zijn plas op te houden, althans die [kind 2] ervan weerhouden naar het toilet te kunnen gaan, en/of

waardoor die [kind 2] pijn en/of letsel heeft bekomen en/of een hevige onlust veroorzakende lichamelijke en/of geestelijke gewaarwording bij hem is veroorzaakt,

en

-

die [kind 2] opgesloten in een (slaap)kamer/ruimte (gedurende de nacht en/of uren achter elkaar), waardoor die [kind 2] niet naar het toilet kon gaan (en gedwongen werd zijn behoefte in de kamer/ruimte te doen) en/of

-

die [kind 2] gekleineerd en/of denigrerend toegesproken;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

1. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde (poging tot doodslag)

De nacht van 15 op 16 februari 2015

Het hof zal de beoordeling van het ten laste gelegde toespitsen op hetgeen in de nacht van 15 op 16 februari 2015 is gebeurd, nu het dossier naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten biedt voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag in de ten laste gelegde langere periode.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de toestand waarin [kind 1] in de ochtend van 16 februari 2015 werd aangetroffen kan worden toegerekend aan handelingen of nalaten van de verdachte. Daartoe moet eerst de vraag worden beantwoord of de verdachte opzet had op de dood van [kind 1]. Om deze vraag te beantwoorden dient het hof vast te stellen wat er met [kind 1] in de nacht van 15 op 16 februari 2015 is gebeurd. [kind 1] heeft geen herinneringen aan de desbetreffende nacht. De medeverdachte [de medeverdachte] was naar eigen zeggen en volgens de verdachte niet aanwezig toen [kind 1] naar bed ging en lag nog in bed toen hij

’s ochtends door de verdachte werd gealarmeerd. De verklaringen van [kind 1] en de medeverdachte [de medeverdachte] bieden in zoverre geen aanknopingspunten.

De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft - zakelijk weergegeven - de volgende verklaring afgelegd.

Nadat [kind 1] op zondagavond in haar bed had gepoept heeft de verdachte haar kamertje schoongemaakt. Daarbij heeft zij het raam even opengezet en daarna weer dichtgedaan. Na het douchen kreeg [kind 1] een pyjama, een fleecevest en dikke sokken aan. Nadat ze aan tafel had gezeten en een gebakje had gegeten, waarna [kind 1] “praatjes” had, is [kind 1] omstreeks 22.00 uur naar bed gegaan in haar kamertje. De kamer was verwarmd. De centrale verwarming was zo afgesteld dat zij om 23.00 uur uit ging en om 6.00 uur aan ging. Als de centrale verwarming aanging, werd het in het kamertje ook warmer. Het raam was dicht. Toen de verdachte [kind 1] naar boven bracht voelde de kamer al warmer dan toen het raam open stond. Omdat [kind 1] het koud had heeft de verdachte [kind 1] een extra dekbed gegeven. In bed had zij het fleecevest en de sokken nog aan.

Op 16 februari 2015 is de verdachte opgestaan, met de jongens. Nadat zij zich hadden aangekleed en naar beneden waren gegaan is de verdachte boven bij [kind 1] gaan kijken. [kind 1] zei dat ze het koud had en dat ze wilde blijven liggen. [kind 1] had de pyjama, het fleecevest en de sokken nog aan. De kamer voelde net als de rest van het huis, de kachel stond aan. De verdachte heeft naar eigen zeggen de deken goed gedaan en ze is weer naar beneden gegaan. Vervolgens heeft de verdachte de jongens naar school gebracht. Toen ze terug was heeft ze een telefoontje afgehandeld. Daarna is ze naar boven naar [kind 1] gegaan. [kind 1] gaf aan dat zij in haar broek had geplast. Na het optillen van de deken rook de verdachte dat ook. [kind 1] was bovendien echt koud. De verdachte zei tegen [kind 1] dat ze een warm bad voor haar ging maken. Toen de verdachte het bad wilde vullen voelde zij dat er koud water uit de kraan kwam. Daarna is ze naar beneden gelopen om de ketel te vullen. Daarvoor had ze de tuinslang nodig, maar die was bevroren. Ze heeft de tuinslang binnen gelegd. Toen de verdachte wederom bij [kind 1] was, kwam [kind 1] overeind en zakte ze in elkaar. De verdachte heeft naar de medeverdachte geschreeuwd dat hij moest komen en heeft 112 gebeld.

De deskundigen

In het kader van het onderzoek naar de oorzaak van de toestand waarin [kind 1] op 16 februari 2015 ’s morgens verkeerde hebben de deskundigen W.A. Karst (hierna: Karst), forensisch arts, en Prof. dr. H.A.M. Daanen (hierna: Daanen), deskundige thermoregulatie van mensen, rapporten uitgebracht.

In zijn rapport van 28 oktober 2015 komt Karst onder meer tot de volgende bevindingen.

Een langdurige blootstelling aan koude moet nodig zijn geweest voor het ontwikkelen van een lichaamstemperatuur van 23 graden. Zelfs met blootstelling aan temperaturen juist boven het vriespunt met geen of weinig beschermende lagen moet het een afkoelingsproces van vele uren zijn geweest (uitzonderlijke situaties als naakt opsluiten in een vrieskist of onderdompelen in stromend ijskoud water buiten beschouwing latend).

Gezien de lichaamstemperatuur van 23 graden Celsius vlak na aankomst in het LUMC, is het zeer onwaarschijnlijk dat er op 16 februari 2015 tussen 8 en 9 uur ’s ochtends inhoudelijke communicatie heeft kunnen plaatsvinden tussen de verdachte en [kind 1].

Als ervan wordt uitgegaan dat [kind 1] de vorige avond nog heeft gecommuniceerd, valt uit te sluiten dat [kind 1] de gehele nacht van 15 op 16 februari 2015 in pyjama onder minimaal één dekbed heeft gelegen. Een lichaamstemperatuur van 23 graden Celsius kan namelijk alleen dan worden bereikt wanneer er sprake is van langdurige (urenlange) blootstelling aan kou, zonder mogelijkheid om voor bedekkende warmtelagen te zorgen.

Op 12 april 2017 heeft Karst een aanvullende vraag beantwoord. In de beantwoording van die vraag is onder meer het volgende vermeld.

Bij kinderen met ernstige onderkoeling (gedefinieerd als een lichaamstemperatuur van minder dan 28 graden) is er inadequate ademhaling en is er sprake van problemen in het bewustzijn. Er is een diepe slaap. Het kind voelt erg koud aan. Uiteindelijk raakt het kind comateus, waarbij het kind niet reageert op prikkels.

Karst heeft op 18 april 2017 bij de raadsheer-commissaris aan het voorgaande toegevoegd dat het in de lijn der verwachting ligt dat de laagste temperatuur van [kind 1] lager is geweest dan 23 graden Celsius.

Daanen komt in zijn rapport van september 2015 aan de hand van twee door hem gebruikte modellen tot de volgende conclusies.

Het is onwaarschijnlijk dat [kind 1] gedurende de nacht met één of meerdere dekbedden is bedekt.

Er zat maximaal 1 uur en 50 minuten tussen het moment waarop [kind 1] volgens de verdachte zei dat ze in haar broek had geplast en de meting van 23 graden in het ziekenhuis. Als ervan wordt uitgegaan dat haar lichaamstemperatuur (het hof begrijpt: bij het begin van het tijdsinterval) 30 graden was (nog net bij bewustzijn), moet haar lichaamstemperatuur met 7 graden zijn gedaald. Dat is niet waarschijnlijk. De temperatuur heeft in dit tijdsinterval slechts met maximaal 2 graden kunnen dalen.

Het hof acht de bevindingen van de deskundigen voldoende betrouwbaar. Weliswaar hebben de deskundigen, zoals de verdediging ook heeft aangevoerd, hun onderzoek moeten baseren op een aantal onzekere factoren, maar gelet op de inhoud van het dossier acht het hof niet aannemelijk dat deze factoren zo onzeker zijn dat aan de bevindingen van de deskundigen moet worden getwijfeld.

Paradoxical undressing

De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid dat het fenomeen van paradoxical undressing zich heeft voorgedaan. Dit ziet op het verschijnsel dat bij kerntemperaturen rond 33 graden Celsius door ontregeling van het hersendeel dat de lichaamstemperatuur controleert een vals gevoel van warmte optreedt. In reactie daarop kleedt men zich dan uit of ontdoet men zich van bedekkende warmtelagen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat dit fenomeen niet relevant is in het door de verdachte geschetste scenario. Volgens de verdachte was [kind 1] bij het wakker worden nog aangekleed en heeft de verdachte haar dekbed goedgedaan. Het hof voegt daar aan toe dat deskundige Daanen ter terechtzitting in hoger beroep op 25 april 2017 heeft verklaard dat iemand die zich heeft uitgekleed in het kader van paradoxical undressing niet in staat moet worden geacht zich weer aan te kleden. De paradoxical undressing heeft zich dus kennelijk niet voorgedaan en kan dan ook niet dienen als verklaring voor de afkoeling van [kind 1].

Het oordeel van het hof

Gelet op de hiervoor weergegeven bevindingen van de deskundigen Karst en Daanen acht het hof de verklaring van de verdachte over de omstandigheden waaronder [kind 1] de nacht heeft doorgebracht niet geloofwaardig. Ook acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte die ochtend nog met [kind 1] gesproken heeft.

Wat is er dan gebeurd met [kind 1]?

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat [kind 1] de nacht van 15 op 16 februari 2015 heeft doorgebracht in een koude en onverwarmde ruimte terwijl zij onvoldoende kleding of beddengoed had om zich te verwarmen. Dat volgt naar het oordeel van het hof uit de toestand waarin [kind 1] de volgende ochtend is aangetroffen in samenhang met de bevindingen van de deskundigen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [kind 1] op 28 december 2016 heeft verklaard dat zij af en toe, ook als het koud was, van ’s avonds laat tot ’s ochtends zonder dekbed in de garage dan wel de schuur moest slapen en dat zij ook in het kamertje (het hof begrijpt: de kleine kamer op de eerste verdieping) met het raam open en de verwarming uit en zonder beddengoed sliep. Deze verklaring biedt naar het oordeel van het hof steun aan het scenario dat [kind 1] de nacht heeft doorgebracht in een koude en onverwarmde ruimte. Welke ruimte dat is geweest kan het hof niet vaststellen.

Ook heeft het hof gelet op de temperatuur in de betreffende nacht. Volgens de gegevens van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut was het die nacht 6,6 graden Celsius onder nul.

Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [kind 1] de nacht heeft doorgebracht in een koude en onverwarmde ruimte terwijl zij onvoldoende kleding en/of beddengoed had om zich te verwarmen.

Het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van [kind 1]

Het hof is van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte met haar gedragingen de dood van [kind 1] heeft beoogd. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte opzet, in onvoorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van [kind 1].

Ten aanzien van de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet op haar dood heeft gehad, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [kind 1] – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet, zal, indien de verklaringen van de verdachte geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de eerder in dit arrest weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de gezondheidstoestand van [kind 1] vanaf 7 februari 2015 verslechterde en in de avond van 15 februari 2015 zorgwekkend was. Dat de verdachte op de hoogte was van de slechte gezondheidstoestand van [kind 1] staat eveneens vast en is overigens ook niet betwist. Voorts kan ervan worden uitgegaan dat de verdachte heeft geweten dat het in de nacht van 15 op 16 februari 2015 zou vriezen.

Desondanks heeft de verdachte [kind 1] in die nacht, terwijl het buiten vroor, in een koude en onverwarmde ruimte laten verblijven terwijl zij onvoldoende kleding en/of beddengoed had om zich te verwarmen. De ruimte moet zodanig koud zijn geweest dat [kind 1] ernstig onderkoeld heeft kunnen raken.

Niet blijkt dat de verdachte in de loop van de nacht gecontroleerd heeft of het met [kind 1] goed ging. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte dat niet heeft gedaan, nu zij alleen heeft verklaard dat zij ‘s avonds rond half twaalf en de volgende ochtend voor het eerst rond een uur of acht bij [kind 1] gekeken zou hebben.

Het hof is van oordeel dat er onder deze omstandigheden sprake was van een aanmerkelijke kans dat [kind 1] zou komen te overlijden. De verdachte moet zich daarvan bewust zijn geweest.

De gedragingen van de verdachte, waaronder begrepen het nalaten zich van het welzijn van [kind 1] in die nacht te vergewissen, kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van [kind 1] gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg op de koop toe heeft genomen. Van aanwijzingen voor het tegendeel is het hof niet gebleken.

Het hof acht het onder 1 primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de verdachte van het ten laste gelegde medeplegen, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, zal worden vrijgesproken. Het dossier biedt ten aanzien van dit feit onvoldoende aanwijzingen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [de medeverdachte].

2. Ten aanzien van het onder 2 en 4 ten laste gelegde kleineren en denigrerend toespreken en het opsluiten in een kamer waardoor [kind 2] en [kind 1] hun behoefte in die kamer moesten doen.

De advocaat-generaal gaat er in haar requisitoir van uit dat het ten laste gelegde meermalen kleineren en denigrerend toespreken van [kind 1] en [kind 2] psychische mishandeling is. Zij stelt zich op het standpunt dat er voldoende termen zijn om deze vorm van mishandeling onder de werking van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) te laten vallen.

De raadsvrouw van de verdachte heeft daartegen aangevoerd dat het strafrecht op deze wijze te veel wordt opgerekt.

Het hof is van oordeel dat het kleineren en/of denigrerend toespreken van kinderen onder omstandigheden psychische mishandeling kan opleveren.

De wetgever heeft in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg en de Jeugdwet kindermishandeling als volgt gedefinieerd:

“Elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.”

De vraag die het hof moet beantwoorden is of psychische mishandeling kan worden aangemerkt als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr. Het hof is van oordeel dat de bewoordingen van genoemd artikel dat niet uitsluiten.

Hoewel in de wetsgeschiedenis van artikel 300 Sr niet wordt gesproken over de geestelijke gezondheid, kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de wetgever ook dit belang beoogt te beschermen. In ieder geval biedt de in het vierde lid van artikel 300 Sr genoemde gelijkstelling van mishandeling met benadeling van de gezondheid aanknopingspunten voor strafbaarheid van niet alleen het veroorzaken van lichamelijke pijn, letsel of onlust, maar ook voor mishandelingen van psychische aard. Het hof is van oordeel dat niet iedere kleinerende of denigrerende handeling of opmerking als mishandeling in de zin van artikel 300 Sr kan worden aangemerkt. Het komt aan op de omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht of gemaakt.

In het onderhavige geval is er gedurende een langere periode sprake van een patroon van kleinerende en/of denigrerende opmerkingen. Gedragingen van de verdachte en de medeverdachte, zoals onder meer blijkend uit de filmpjes die zich in het dossier bevinden, kunnen als ondersteunend en versterkend worden aangemerkt voor de kleinerende en denigrerende opmerkingen.

De deskundige dr. T.A.W. van der Schoot heeft over [kind 1] gerapporteerd dat de bejegening die zich in de thuissituatie heeft voorgedaan kan worden getypeerd als emotionele verwaarlozing, waaruit onder meer het gevoel ontstaat dat je gebrekkig, slecht, minderwaardig of waardeloos bent. Ten aanzien van [kind 2] heeft de deskundige gerapporteerd, dat [kind 2] vanwege zijn ontwikkelingsstoornis PDD-NOS, in combinatie met onder meer de bejegening in de begeleiding en opvoeding, een achterstand heeft opgelopen in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het hof acht aannemelijk dat het kleineren en denigrerend toespreken van [kind 1] en [kind 2] heeft bijgedragen aan het ontstaan van psychische schade.

Ook ten aanzien van het regelmatige opsluiten van [kind 2] en [kind 1] in hun kamer, waardoor ze hun behoefte in die kamer moesten doen, is daarvan naar het oordeel van het hof sprake.

Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat hetgeen ten laste is gelegd wettig en overtuigend kan worden bewezen en bovendien een strafbaar feit oplevert.

3. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde (in hulpeloze toestand laten)

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat in de periode voorafgaand aan 16 februari 2015 diverse hulpverleners bij [kind 1] betrokken waren en dat geen van hen het advies heeft gegeven om met [kind 1] naar het ziekenhuis te gaan of haar medisch te laten onderzoeken. Ook de buurman en de medewerkers van de Plus supermarkt die [kind 1] op 8 februari 2015 zagen, hebben geen hulp ingeschakeld.

Het hof stelt vast dat buiten de verdachten niemand een volledig beeld had van de toestand van [kind 1] vanaf 7 februari 2015. Gezien de gebeurtenissen op zondag 8 februari 2015 kan het hen niet zijn ontgaan dat het niet goed ging met [kind 1]. Dat had hen zorgen moeten baren, temeer nu [kind 1] op 7 februari 2015 van de trap was gevallen. In ieder geval moet hen op dinsdag, toen de leerkracht van [kind 1] een arts wilde bellen, duidelijk zijn geweest dat de toestand van [kind 1] zorgelijk was. Pas op donderdag hebben de verdachten een arts benaderd, maar toen de kinderarts niet direct terugbelde hebben de verdachten niet opnieuw contact gezocht met een arts. Op donderdag en op de dagen daarna kwam in contacten van de verdachten met de school, een vriendin en een nicht van de verdachte de gezondheidstoestand van [kind 1] aan de orde. De verdachten vertelden dat er contact was met een arts en dat deze adviezen had gegeven.

Verder blijkt niet dat de verdachten in die week de hulpverleners in het gezin om hulp hebben gevraagd.

Deze gang van zaken zou kunnen verklaren waarom (behalve de buurman op zondag) verder niemand alarm heeft geslagen. Onder deze omstandigheden konden de verdachten dat ook niet van de omstanders verwachten. Overigens berust de verantwoordelijkheid om hulp in te roepen voor een kind, ook op grond van de wet, in de eerste plaats bij de tot verzorging verplichte ouders.

Het hof is van oordeel dat de situatie van [kind 1] in de week vanaf 7 februari 2015 zodanig zorgelijk was dat de verdachten ervoor hadden moeten zorgen dat [kind 1] gezien werd door een arts. Door dat niet te doen hebben de verdachten [kind 1] in een hulpeloze toestand gelaten.

Het hof acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

De ernstige onderkoeling, de hartstilstand en het blijvend litteken op de borstkas worden door het hof niet aangemerkt als rechtstreekse gevolgen van het niet tijdig inroepen van medische hulp. Dit onderdeel van de tenlastelegging kan derhalve niet wettig en overtuigend worden bewezen.

4. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat ervan uitgegaan kan worden dat het plakken van ducttape op de mond pijn doet en dat het langdurig moeten ophouden van de plas, evenals het langdurig buiten in de kou verblijven zonder voldoende warme kleding, een hevige onlust veroorzakende lichamelijke gewaarwording is.

5. Ten aanzien van de onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten

Voor zover de verdediging nog heeft betoogd dat het handelen van de verdachte jegens haar stiefkinderen vooral is ingegeven door pedagogische motieven overweegt het hof nog dat, in ieder geval waar het gaat om de ten laste gelegde en bewezen verklaarde handelingen, aan dat verweer voorbij moet worden gegaan gelet op de door het hof vastgestelde overschrijding van strafrechtelijke normen daarbij, waardoor de grenzen van aanvaardbaar streng pedagogisch optreden in ieder geval ver zijn overschreden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, van een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van iemand tot wier onderhoud en verzorging zij krachtens wet of overeenkomst verplicht is.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling, begaan tegen een kind dat zij verzorgt of opvoedt als behorend tot haar gezin, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof, evenals de rechtbank, in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag op haar stiefdochter [kind 1], door haar in een koude en onverwarmde ruimte de nacht te laten doorbrengen, zonder mogelijkheden zich voldoende tegen de kou te beschermen, terwijl het buiten vroor. Voorts heeft de verdachte zowel [kind 1] als haar stiefzoon [kind 2] psychisch en lichamelijk mishandeld, op de wijze als bewezen verklaard. Tevens heeft de verdachte nagelaten medische zorg in te roepen voor [kind 1], terwijl haar lichamelijke conditie zeer zorgelijk was.

Uit het dossier komt een beeld naar voren van [kind 1] en [kind 2] die door de verdachte werden behandeld als tweederangs kinderen, die niet of nauwelijks affectie kregen terwijl de drie eigen kinderen van de verdachte aanmerkelijk beter werden behandeld.

Door hun handelen hebben de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte] voor [kind 1] en [kind 2] een zeer onveilige en bedreigende situatie geschapen, welke langdurig van aard was, terwijl kinderen immer moeten kunnen rekenen op bescherming en geborgenheid.

Door het handelen van de verdachte is de ontwikkeling van [kind 1] en [kind 2] zwaar onder druk komen te staan. Daarnaast is bekend dat de gevolgen van kindermishandeling nog zeer lang kunnen doorwerken en zich op verschillende manieren kunnen manifesteren, ook in het volwassen leven.

Deze zaak heeft niet alleen de directe slachtoffers [kind 1] en [kind 2] getroffen, maar heeft ook grote gevolgen gehad voor de biologische moeder van de kinderen, die geconfronteerd werd met de situatie dat haar dochter dreigde te overlijden.

Ook in de samenleving roepen feiten als de onderhavige gevoelens van afschuw, geschoktheid en onbegrip op.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de Pro Justitia rapportage van het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum, d.d. 23 februari 2016, opgemaakt en ondertekend door P.G. Smits, psycholoog, en A.E. Grochowska, psychiater.

In dit rapport wordt geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. In het verleden zijn er aanwijzingen voor emotionele verwaarlozing en psychische traumatisering die mogelijk van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van de verdachte. De narcistische persoonlijkheidsstoornis wordt bij de verdachte gekenmerkt door een neiging tot idealiseren, een grote behoefte aan waardering en erkenning, het gevoel hebben van bijzondere rechten en het verwachten van een bijzondere behandeling of dat anderen automatisch meegaan met haar verwachtingen, het gebruik maken van anderen om eigen doelen te bereiken, een gebrekkige empathie, het afgunstig zijn of menen dat anderen op haar afgunstig zijn en het vertonen van hooghartig gedrag. Er is tevens enige overlap tussen de narcistische trekken van de verdachte en borderline, paranoïde en theatrale trekken, maar niet in de mate dat er voldaan wordt aan de criteria van een borderline, paranoïde of theatrale persoonlijkheidsstoornis.

De verdachte wordt door haar beperkingen vanuit de stoornis ernstig belemmerd in het psychosociaal functioneren, vooral in de relationele sfeer.

De persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte heeft een grote invloed gehad op het opvoedingsklimaat in het gezin.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de narcistische persoonlijkheidsstoornis aanwezig.

Doordat de verdachte ontkent en niet duidelijk is geworden of, en zo ja welke, pathologische kenmerken hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde doen de rapporteurs geen uitspraak over een mogelijk verband tussen haar stoornis en het ten laste gelegde en de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Het hof gaat er op basis van de stukken van uit dat er wel een causale relatie is tussen de stoornis van de verdachte en de ten laste gelegde feiten. Het hof acht de verdachte, uitgaande van de driepuntsschaal, verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof zal de vordering van de advocaat-generaal om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging op te leggen afwijzen.

[kind 1] woont nu in een pleeggezin, [kind 2] in een instelling. Ook de drie kinderen van de verdachte wonen in een pleeggezin. Het hof heeft begrepen dat het niet de bedoeling is dat de kinderen teruggeplaatst worden bij hun ouders, en dat door de Raad voor de Kinderbescherming bij de rechtbank een verzoek is ingediend het gezag van de verdachte en van de medeverdachte [de medeverdachte] over hun kinderen te beëindigen.

Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof, anders dan door de advocaat-generaal betoogd, niet gesteld worden dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Uit het meest recente reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 21 april 2017 blijkt dat de verdachte haar woning is kwijtgeraakt, evenals haar aandeel in het bedrijf dat zij samen met de medeverdachte [de medeverdachte] had. Hierdoor zijn financiële problemen ontstaan. Zij beraadt zich over de voortgang van haar relatie met de medeverdachte [de medeverdachte].

De verdachte heeft psychische hulp gezocht vanwege de gebeurtenissen van de afgelopen jaren; deze hulpverlening zal zich moeten richten op het verwerken van het verlies van de verdachte van haar werk, haar relatie en de zorg voor haar kinderen.

Het hof heeft tenslotte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 april 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof acht onvoldoende gronden aanwezig om de vordering gevangenneming van het openbaar ministerie toe te wijzen.

Vordering van de benadeelde partij [kind 1]

In eerste aanleg heeft [de moeder], de biologische moeder, als wettelijk vertegenwoordigster van [kind 1], zich als benadeelde partij gevoegd in het onderhavige strafproces. Zij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, ten dele als voorschot, tot een bedrag van € 20.831,60, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder zijn de buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Voor zover de vordering betrekking heeft op een voorschot merkt het hof deze aan als een vordering tot vergoeding van reeds geleden schade.

In hoger beroep heeft mr. M.J. Snijder, sinds 12 oktober 2016 bijzonder curator van [kind 1], deze vordering gehandhaafd, behalve ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door en namens de verdachte is niet betwist dat de gestelde schade is geleden. Wel is aangevoerd dat het de vraag is of al deze schade kan worden toegerekend aan de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte]. De vordering zou zich daarom niet lenen voor beoordeling in het kader van het strafproces.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 831,60 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de eerder in dit arrest weergegeven conclusies van de deskundige dr. T.A.W. van der Schoot, klinisch psycholoog, aannemelijk is geworden dat er geestelijk letsel bij [kind 1] is ontstaan en dat dit letsel ten minste voor een deel het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 8.500,- te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [kind 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 9.331,60 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [kind 1].

Vordering van de benadeelde partij [kind 2]

In eerste aanleg heeft [de moeder], de biologische moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van [kind 2], zich als benadeelde partij gevoegd in het onderhavige strafproces. Zij heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder zijn de buitengerechtelijke kosten gevorderd.

Voor zover de vordering betrekking heeft op een voorschot merkt het hof deze aan als een vordering tot vergoeding van reeds geleden schade.

In hoger beroep heeft mr. M.J. Snijder, sinds 12 oktober 2016 bijzonder curator van [kind 2], deze vordering gehandhaafd, behalve ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door en namens de verdachte is niet betwist dat de gestelde schade is geleden. Wel wordt aangevoerd dat het de vraag is of al deze schade kan worden toegerekend aan de verdachte en de medeverdachte [de medeverdachte]. De vordering zou zich daarom niet lenen voor beoordeling in het kader van het strafproces.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de eerder in dit arrest vermelde conclusies van de deskundige dr. T.A.W. van der Schoot, klinisch psycholoog, aannemelijk is geworden dat er geestelijk letsel bij [kind 2] is ontstaan en dat dit letsel ten minste voor een deel het rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 1.500,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 november 2014 (de datum waarop [kind 2] uit huis is geplaatst) tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [kind 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [kind 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 255, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de officier van justitie en de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 5 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het inhoudelijke oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [kind 1] ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 9.331,60 (negenduizend driehonderd eenendertig euro en zestig cent) bestaande uit € 831,60 (achthonderd eenendertig euro en zestig cent) materiële schade en

€ 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [kind 1], ter zake van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.331,60 (negenduizend driehonderd eenendertig euro en zestig cent) bestaande uit € 831,60 (achthonderd eenendertig euro en zestig cent) materiële schade en € 8.500,00 (achtduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 81 (eenentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [kind 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [kind 2], ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. M.J. de Haan-Boerdijk,

mr. S. van Dissel en mr. S.A.J. van 't Hul, in bijzijn van de griffier mr. A.D. Verhoeven.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 mei 2017.

Voetnoten

1
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2029).
2
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2030).
3
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2036).
4
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2041).
5
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2049).
6
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2067).
7
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina’s 2032 en 2034).
8
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2031).
9
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2045).
10
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2047).
11
Een geschrift, te weten een feitenrelaas d.d. 23 maart 2015 van Jeugdbescherming West (dossierpagina 1251 e.v.).
12
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2127).
13
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina’s 2028 en 2036).
14
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2150).
15
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 3 maart 2015 (dossierpagina 983).
16
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2015.02.18.081, d.d. 28 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door de deskundige W.A. Karst, forensisch arts (pagina 9 van 20).
17
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 9] d.d. 19 februari 2015 (dossierpagina 467).
18
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 8] d.d. 3 maart 2015 (dossierpagina 980 e.v.).
19
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2148) en proces-verbaal van verhoor verdachte [de medeverdachte] d.d. 17 februari 2015 met proces-verbaalnummer 1 (dossierpagina 52).
20
Proces-verbaal tijdlijn gebeurtenissen gezin [familienaam] d.d. 19 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 316 (dossierpagina 2148).
21
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris d.d. 28 oktober 2015 (pagina 4 van 5).
22
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, zaaknummer 2015.02.18.081, d.d. 28 oktober 2015, opgemaakt en ondertekend door de deskundige W.A. Karst, forensisch arts (pagina 9 van 20).
23
Proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 1] 2 en 3) d.d. 12 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 345 (dossierpagina 2470 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 1] 4) d.d. 12 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 346 (dossierpagina 2473 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 1] 5) d.d. 15 oktober 2015 met proces-verbaalnummer 348 (dossierpagina 2475 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 2] 2 en 3) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 332 (dossierpagina 2481 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpje van [kind 2] 4) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 333 (dossierpagina 2483 e.v.); proces-verbaal van bevindingen (uitwerken filmpjes van [kind 2] 6 en 7) d.d. 29 september 2015 met proces-verbaalnummer 336 (dossierpagina 2487 e.v.).
24
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 april 2015 met proces-verbaalnummer 201 (dossierpagina 2516).
25
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 mei 2015 met proces-verbaalnummer 224 (dossierpagina 1203 e.v.).
26
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 20 april 2015 met proces-verbaalnummer 201 (dossierpagina 2516).
27
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 25 maart 2015 met proces-verbaalnummer 169 (dossierpagina 1027).
28
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris d.d. 16 december 2015 (pagina 4 van 5); proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 6 van 7); proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 3 van 7).
29
Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 27 oktober 2015 (pagina 2 van 7) en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] d.d. 25 maart 2015 met proces-verbaalnummer 169 (dossierpagina 1026).