ECLI:NL:GHDHA:2017:1735 Gerechtshof Den Haag , 27-06-2017 / 200.191.559/01

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.191.559/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : 4751845 RP VERZ 16-50030 en 4832016 RP VERZ 16-50121

beschikking van 27 juni 2017

inzake


[naam]
,

wonende te [woonplaats] , gemeente […] ,

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

advocaat: mr. D. Hogenboom te Naaldwijk,

tegen


[bedrijf] B.V.
,

gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente […] ,

verweerster,

hierna te noemen: de Plantenkwekerij,

advocaat: mr. F.H. Tak te Rotterdam.

1 Het geding

Bij beroepsschrift, ter griffie ingekomen op 20 mei 2016 is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Den Haag, team kanton, van 3 maart 2016 van. [verzoeker] heeft tien grieven tegen de beschikking van de kantonrechter geformuleerd.De Plantenkwekerij heeft een verweerschrift ingediend dat op 12 juli 2016 is ontvangen ter griffie van het hof. Op 14 oktober 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij partijen de zaak hebben doen bepleiten. Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen aangehouden om, via mediation, te trachten tot een oplossing in der minne te komen. Op 13 april 2017 heeft [verzoeker] verzocht uitspraak te doen.

2 De feitenOver de door de kantonrechter in r.o. 2 van haar vonnis genoemde feiten zijn geen klachten geuit. Deze feiten neemt ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.

  1. De Plantenkwekerij is één van de vennootschappen in de […] -groep, een familiebedrijf. Zij exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met de teelt van sierplanten, groenten en wortel- en knolgewassen.

  2. De aandelen in de Plantenkwekerij worden gehouden door [X Groep] BV. Middellijk (zelfstandig bevoegd) bestuurders van de Plantenkwekerij zijn de vader van [verzoeker] , [naam] , via zijn vennootschap [Y] BV, en de oom van [verzoeker] , [A] , via zijn vennootschap [Z] BV.Tot eind mei 2013 was [verzoeker] (middellijk) medebestuurder van de Plantenkwekerij.

  3. (Middellijk) aandeelhouders van [X Groep] BV zijn [vader verzoeker] , [B] (de broer van [verzoeker] ), alsmede [A] , die tevens middellijk zelfstandig bevoegd (enig) bestuurder is van [X Groep] BV. Tot 17 augustus 2015 was ook [verzoeker] middellijk aandeelhouder van [X Groep] B.V. en tot eind mei 2013 ook middellijk bestuurder.

  4. [verzoeker] is in 2013 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de Plantenkwekerij met de titel van operationeel directeur tegen een salaris dat laatstelijk € 2.500,- bruto per maand bedroeg exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.

  5. Bij brief van 17 november 2015 heeft [A] , in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [X Groep] BV, [verzoeker] met onmiddellijke ingang geschorst. In de brief wordt voor zover van belang vermeld:“(…) Recentelijk is ons gebleken dat u een valse handtekening heeft geplaatst onder notulen van een algemene vergadering van aandeelhouders van GreenCoop B.V., van welke vennootschap [verweerster] mede-aandeelhouder en bestuurder is. Eerder was reeds vastgesteld dat u onrechtmatig aanzienlijke bedragen aan het vermogen van de onderneming had onttrokken. Deze bedragen zijn tot op heden door u niet teruggestort. Ondanks het feit dat sprake is van een faillissement van één van uw bedrijven en door de bank een integriteitsonderzoek is ingesteld, heeft u onderdeel mogen blijven uitmaken van de organisatie van de [X Groep] B.V. Helaas is keer op keer gebleken dat u niet communiceert met het bestuur en de aandeelhouders van de vennootschap. Steeds maar weer zoekt u de confrontatie, ook met de leden van het managementteam. (…) Voorts is het u tijdens uw schorsing niet toegestaan het bedrijf te betreden zonder dat u daarvoor eerst schriftelijk door de directie bent uitgenodigd. (…)”

  6. [verzoeker] heeft bij brief en e-mail van 18 november 2015 geprotesteerd tegen de schorsing en de Plantenkwekerij gesommeerd om hem per omgaande, doch uiterlijk donderdag 19 november 2015 vóór 9:00 uur, te bevestigen dat hij zijn werkzaamheden kan hervatten.

  7. Op 18 november 2015 heeft [verzoeker] werkzaamheden in het bedrijf verricht. Bij brief van 18 november 2015, die per gewone en aangetekende post is verzonden en aan de werknemer is overhandigd, ondertekend door [A] , onder vermelding van zijn hoedanigheid van bestuurder van [X Groep] BV, wordt aan [verzoeker] medegedeeld:“Hedenochtend is u medegedeeld dat u met onmiddellijke ingang bent geschorst en dat uw bevoegdheden zijn ingetrokken. Ook is u medegedeeld dat het tijdens uw schorsing niet is toegestaan het bedrijf te betreden zonder dat u daarvoor eerst schriftelijk door de directie bent uitgenodigd. Hedenmiddag hebben wij vastgesteld dat u nog steeds op het bedrijf aanwezig bent. U ontvangt hierbij nogmaals de aanzegging dat uw aanwezigheid op het bedrijf tijdens de schorsing niet is toegestaan zonder uitnodiging van de directie. Wij verzoeken u derhalve nogmaals dringend het pand te verlaten. Verdere aanwezigheid zonder schriftelijke uitnodiging wordt beschouwd als een niet toegestane betreding van het bedrijf met alle gevolgen van dien.”

  8. Op 19 november 2015 heeft [verzoeker] eveneens werkzaamheden in het bedrijf verricht. Per brief van 19 november 2015, die die per gewone en aangetekende post is verzonden en in de loop van de dag aan de werknemer is overhandigd, heeft [A] , onder vermelding van zijn hoedanigheid van bestuurder van [X Groep] BV, aan [verzoeker] medegedeeld:“In vervolg op eerdere aangetekende brieven van 17 en 18 november j.l. sommeren wij u uw werkzaamheden neer te leggen en het pand van de [X Groep] te verlaten. Indien u hieraan niet voldoet wordt dit beschouwd als het niet opvolgen van een redelijke opdracht van de werkgever die tot ontslag op staande voet zal leiden.”

  9. [verzoeker] heeft per brief en e-mail van 19 november 2015 opnieuw tegen de schorsing geprotesteerd en heeft daarin een kort geding-procedure tot wedertewerkstelling aangekondigd voor het geval de schorsing niet zou worden opgeheven.

  10. Ook op 20 november 2015 heeft [verzoeker] werkzaamheden in het bedrijf verricht. [A] heeft de werknemer in het bijzijn van [B] vijf minuten de tijd gegeven om het pand te verlaten met de mededeling dat anders ontslag op staande voet zou volgen. [verzoeker] heeft aan deze sommatie niet voldaan. Bij brief van 20 november 2015, ondertekend door [A] , is bevestigd dat [verzoeker] op 20 november ontslag op staande voet is verleend. Als ontslagreden wordt in de brief vermeld:“(…) dat u ondanks de eerdere brieven van 18 en 19 november 2015 zonder uitnodiging van de directie het pand opnieuw heeft betreden en uw werkzaamheden heeft hervat en ondanks een nieuwe sommatie heeft geweigerd het pand binnen de daarvoor gestelde tijd te verlaten.”

  11. [verzoeker] heeft in een kort geding-procedure doorbetaling van loon en wedertewerkstelling gevorderd. Deze vordering is bij vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 januari 2016, bij de rechtbank bekend onder rolnummer 4629122/15-35427, afgewezen.

3. Verzoek van [verzoeker] , het tegenverzoek van Plantenkwekerij en de beoordeling door de kantonrechter

3.1.

[verzoeker] heeft de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen, de Plantenkwekerij te veroordelen om hem toe te laten de bedongen werkzaamheden te verrichten op straffe van verbeurte van dwangsommen en de Plantenkwekerij te veroordelen tot doorbetaling van loon c.a., vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente vanaf verschuldigdheid.

3.2.

De Plantenkwekerij heeft een tegenverzoek gedaan en verzocht om, voor het geval onherroepelijk komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 20 november 2015 voortduurt, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW.

3.3.

De kantonrechter heeft het verzoek van [verzoeker] afgewezen, de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk, namelijk voor het geval dat onherroepelijk komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 20 november 2015 voortduurt, ontbonden per 15 maart 2016, en [verzoeker] veroordeeld in de proceskosten.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1.

Het ontslag op staande voet dat [verzoeker] is verleend is voorafgegaan door een schorsing. Ingevolge die schorsing was het [verzoeker] niet toegestaan werkzaamheden te verrichten in de onderneming van de Plantenkwekerij. [verzoeker] betoogt dat er geen sprake was van een (rechtsgeldige) schorsing omdat (1) die schorsing niet was opgelegd door (namens) de Plantenkwekerij, (2) er geen goede grond was voor schorsing en (3) hij voorafgaand aan de schorsing niet is gehoord. En omdat hij niet rechtsgeldig geschorst was kon er geen sprake zijn van ongeoorloofde aanwezigheid op de werkvloer, zo voert [verzoeker] aan.

4.2.

Het hof stelt voorop dat het voor [verzoeker] volkomen duidelijk moet zijn geweest dat zijn werkgever, de Plantenkwekerij, hem geschorst heeft bij brief van 17 november 2015. De schorsingsbrief is ondertekend door [A] , die op dat moment, door tussenkomst van zijn vennootschap [Z] BV, zelfstandig bevoegd bestuurder was van de Plantenkwekerij. Uit de vermelding onderaan de brief van de tekst “bestuurder van [X Groep] BV” heeft [verzoeker] in redelijkheid niet kunnen afleiden dat hem een schorsing werd opgelegd door een andere vennootschap dan de vennootschap die zijn werkgever is. Daar komt bij dat het voor [verzoeker] , als voormalig medebestuurder, duidelijk was wie welke functie in het familiebedrijf bekleedde en heeft er geen misverstand over kunnen bestaan dat [A] hem wilde schorsen, daarbij optredend in zijn hoedanigheid van (middellijk) bevoegd bestuurder van de Plantenkwekerij. Dat van onduidelijkheid op dat punt geen sprake was blijkt ook wel uit de brief van de raadsvrouw van [verzoeker] , die daags na de ontvangst van de brief namens [verzoeker] protest uitte tegen de schorsing door middel van een aan de Plantenkwekerij en aan haar middellijk bestuurders alsmede aan [B] , gerichte sommatiebrief.

4.3.

[verzoeker] heeft er in redelijkheid niet aan kunnen twijfelen dat de Plantenkwekerij na de ontvangst van de brief van zijn advocate aan de schorsing vast hield. Zoals [verzoeker] zelf naar voren brengt heeft de Plantenkwekerij geen gehoor gegeven aan de sommatie de schorsing op te heffen en is de Plantenkwekerij ook niet met hem in gesprek getreden om de ontstane problemen op te lossen. Desondanks heeft [verzoeker] gemeend, in weerwil van deze schorsing, zijn werkzaamheden voort te zetten of te hervatten, en aldus de ontzegging van de toelating tot het bedrijf te negeren. De op 19 november 2015 overhandigde brief van de Plantenkwekerij, waarin [verzoeker] (nogmaals) te verstaan is gegeven dat zijn aanwezigheid in het bedrijf niet getolereerd werd en hij ervoor werd gewaarschuwd dat ongeoorloofde aanwezigheid in het bedrijf aanleiding zou vormen voor ontslag op staande voet, heeft [verzoeker] genegeerd.

4.4.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat hij feitelijk (weer) is toegelaten tot zijn gebruikelijke werkzaamheden omdat hem geen strobreed in de weg is gelegd toen hij de zogenaamde Plantumvergadering om 19 november 2015, vanaf 07.00 uur, namens de Plantenkwekerij bijwoonde.Het hof kan [verzoeker] hierin niet volgen. Naar de Plantenkwekerij aanvoert, was zij “volledig verrast” door de aanwezigheid van [verzoeker] tijdens deze vergadering, en heeft zij nagelaten er terstond op te wijzen dat [verzoeker] ongeoorloofd aanwezig was, dit om een onaangename scene, die ook ten nadele van [verzoeker] zou zijn, te voorkomen. Bovendien heeft de Plantenkwekerij nog dezelfde dag elke mogelijke twijfel bij [verzoeker] over haar opstelling in het licht van de schorsing weggenomen door wederom een brief uit te reiken aan [verzoeker] , namelijk de brief die zojuist al aan de orde kwam en waarin Plantenkwekerij wees op een mogelijk ontslag op staande voet als [verzoeker] wederom zou verschijnen. Zou [verzoeker] uit het vrij spel dat hem zijns inziens gegund werd tijdens de Plantumvergadering het vertrouwen hebben geput dat zijn aanwezigheid inmiddels wel weer geduld zou worden – hetgeen het hof niet voor de hand vindt liggen – dan was dat vertrouwen in ieder geval misplaatst vanaf de overhandiging van de brief op diezelfde dag.

4.5.

In de visie van [verzoeker] moet ook nog worden beoordeeld of hij voorafgaand aan zijn schorsing is gehoord en of de schorsing een deugdelijke grondslag had, welke beide vragen [verzoeker] ontkennend beantwoordt.Het hof is van oordeel dat die vragen niet in extenso behandeling behoeven. Essentieel is dat [verzoeker] geschorst was, dat de Plantenkwekerij aan de schorsing vast hield ondanks sommaties van de advocaat van [verzoeker] , en dat [verzoeker] in weerwil van waarschuwingen toch werkzaamheden is gaan verrichten. [verzoeker] heeft de schorsing aldus meermaals genegeerd.Denkbaar zou zijn dat bij de beoordeling van het ontslag op staande voet onder deze omstandigheden een rol kan spelen of de schorsing evident ondeugdelijk tot stand is gekomen of klaarblijkelijk een grondslag ontbeert. Maar van het een noch van het ander is naar het oordeel van het hof sprake. Dat motiveert het hof als volgt.Er heeft – dat staat vast – voorafgaand aan de schorsing een gesprek plaatsgevonden over, met name, het plaatsen van de “valse handtekening” of – zoals [verzoeker] dat noemt – een “tijdelijke handtekening”, dat wil zeggen het plaatsen van de handtekening van zijn vader onder notulen waar zijn vader (zelf) zou moeten tekenen. Bij dat gesprek waren [B] , betrokken bij het management van de onderneming en indirect aandeelhouder in de Plantenkwekerij, en [naam] , financieel adviseur, aanwezig. Niet weersproken is dat [verzoeker] daarbij in de gelegenheid is gesteld zijn visie te geven over de handtekeningkwestie en de omstandigheden waaronder hij tot het plaatsen van de valse of tijdelijke handtekening is overgegaan. Naar het oordeel van het hof kan, gezien dit overleg, niet worden volgehouden dat de schorsing evident op een procedureel niet aanvaardbare wijze tot stand is gekomen. Dat bij dat overleg niet een van de middellijk bestuurders van de Kwekerij aanwezig was doet aan die conclusie niet af, nu aangenomen moet worden dat het bestuur van de Plantenkwekerij van de informatie die tijdens dat overleg naar voren is gekomen op de hoogte is gebracht. Bedacht moet worden dat [verzoeker] zelf ook [B] als betrokken bij het management beschouwde, gezien de adressering van de brief van zijn raadsvrouw, waarin werd geprotesteerd tegen de schorsing.Verder vormde de handtekeningkwestie, een van de twee verwijten die [verzoeker] worden gemaakt en mede aanleiding vormde tot de schorsing, op zichzelf al voldoende reden voor schorsing (of op non-actiefstelling), om te kunnen beoordelen of, en zo ja hoe, de Plantenkwekerij verder zou willen gaan met [verzoeker] . De omstandigheden die [verzoeker] aanvoert tegen het hem gemaakte verwijt (het ziekbed van zijn vader, het feit dat hij over een volmacht van de onderneming beschikte, het belang van de transactie in verband waarmee de handtekening geplaatst moest worden, de omstandigheid dat men in het familiebedrijf vaker in plaats van een ander tekende) kunnen het verwijt niet verzachten: met het plaatsen van een nagebootste handtekening heeft [verzoeker] een - begrijpelijk - hoog opgenomen misstap begaan.Kortom, er was in dit geval zeker geen sprake van een evident procedureel of materieel gebrek in de schorsing, zodat geconcludeerd moet worden dat [verzoeker] zich had behoren te gedragen in overeenstemming met die schorsing. Hij had de schorsing moeten voorleggen aan de (kort geding) rechter, als hij ervan overtuigd was dat de schorsing ten onrechte was opgelegd, maar had zich in de tussentijd moeten onthouden van het verrichten van werkzaamheden in de onderneming.

4.6.

Het hof geeft zich er rekenschap van dat de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking behoren te worden genomen bij de beoordeling of het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. De aard en de ernst van de verweten gedraging, de aard van de arbeidsrelatie, de duur ervan en de wijze waarop de dienstbetrekking is vervuld, en eventuele persoonlijke omstandigheden van de werknemer (leeftijd, de gevolgen die een ontslag op staande voet hebben) kunnen daarbij een rol spelen. Het hof kent groot gewicht toe aan het feit dat [verzoeker] willens en wetens, de hem opgelegde schorsing aan zijn laars heeft gelapt en tot tweemaal toe de sommatie zich conform de schorsing te onthouden van het verrichten van werkzaamheden op het bedrijf, naast zich neer heeft gelegd. Daarmee heeft [verzoeker] zich bewust niets aangetrokken van het gezag van het bestuur van de Plantenkwekerij en daarmee de leiding van de onderneming ondermijnd. De omstandigheid dat het gaat om een familiebedrijf, dat [verzoeker] een belangrijke rol heeft vervuld bij de opbouw van de onderneming, zich heeft ingezet terwijl hij geruime tijd niet is betaald voor zijn werk en een belangrijke inbreng heeft in de onderneming (welke rol en inbreng van de zijde van de Plantenkwekerij overigens worden gerelativeerd) en er schade zou ontstaan als hij niet een aantal werkzaamheden zou verrichten, biedt onvoldoende tegenwicht. Omstandigheden die aanleiding zouden geven het onslag op staande voet als een een te zware sanctie te bestempelen zijn gesteld noch gebleken. Dat het ontslag op staande voet het sluitstuik is van “een strategie” van de Plantenkwekerij en de betrokken familieleden, om [verzoeker] uit de onderneming te werken, is niet een beeld dat bij het hof is onstaan na kennisneming van alle relevante feiten en achtergronden en na het horen van partijen zelf tijdens de mondelinge behandeling.

4.7.

Ook ten aanzien van het ontslag op staande voet beroept [verzoeker] zich erop dat het niet (rechtsgeldig) is verleend door zijn werkgever, omdat hij niet door de Plantenkwekerij, maar door [A] handelend namens [X Groep] BV, is ontslagen. Het hof volgt het hof hem ook daarin niet. Het hof verwijst naar hetgeen het overwoog, hiervoor bij 4.2, over de schorsing die net als het ontslag op staande voet is uitgesproken door [A] . Ook hier geldt dat [verzoeker] duidelijk was of had moeten zijn dat [A] bij deze verklaring de Plantenkwekerij (middellijk) vertegenwoordigde.

4.8.

Tot slot moet het hof zich nog buigen over de onverwijldheid waarmee het ontslag op staande voet verleend moet worden; [verzoeker] bestrijdt dat het ontslag voldoende voortvarend gegeven is. bestrijdt dat hem op vrijdag 20 november 2015 ontslag op staande voet is gegeven en dat hem op die dag een brief is overhandigd waarin dat ontslag op staande voet is bevestigd. Hij stelt hij eerst op dinsdag 24 november 2015 een 20 november 2015 gedateerde ontslagbrief ontving.Het hof constateert dat [verzoeker] niet heeft weersproken dat hem op 20 november 2015 door [A] in aanwezigheid van [B] de gelegenheid is gegeven om binnen vijf minuten het bedrijfspand te verlaten met de mededeling dat anders ontslag op staande voet zou worden gegeven. De lezing van de Plantenkwekerij is dat, toen [verzoeker] aan dat verzoek geen gevolg gaf, de ontslagbrief is overhandigd en ook per post naar zijn huisadres is gezonden. Als ervan moet worden uitgegaan dat overhandiging van die ontslagbrief niet heeft plaatsgevonden en – voor zover [verzoeker] dat ook wenst aan te voeren – niet expliciet op vrijdag 20 november 2015 is medegedeeld op welke grond hij is of zou worden ontslagen, dan is, onder de gegeven omstandigheden, het ontslag ook nog onverwijld gegeven als dat is geschied bij de brief (houdende de grond voor het ontslag op staande voet) die [verzoeker] op de dinsdag daarna bereikte.

4.9.

Hiermee heeft het hof de grieven I tot en met VII behandeld en geoordeeld dat deze geen doel treffen.

4.10.

De grieven VIII tot en met X hebben betrekking op de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft overwogen dat zij – hoewel zij er blijkt van gaf dat op dit punt niet geheel duidelijk was hoe onder de vigeur van de Wet werk en zekerheid (WWZ) geoordeeld zou moeten worden – geen reden zag de lijn die de Hoge Raad heeft aanvaard van zijn arresten HR 21 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4670 en HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2417 niet te blijven volgen onder de nieuwe regeling. Aldus heeft de kantonrechter, hoewel zij het ontslag op staande voet niet – zoals [verzoeker] had verzocht – heeft vernietigd, niettemin de ontbinding van de arbeidsovereenkomst uitgesproken. Zij heeft dat gedaan voor het geval dat onherroepelijk komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 20 november 2015 voortduurt. Daarmee heeft de kantonrechter dus gepreludeerd op een andersluidend oordeel over het ontslag op staande voet van het hof (of van de verwijzingsrechter). Inmiddels is door de beantwoording van een aantal prejudiciële vragen door de Hoge Raad in zijn beschikking HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2998 (Mediant), nog enigszins verfijnd in zijn beschikking HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:571 (Vlisco), duidelijk geworden dat de voorwaardelijke ontbinding in het onderhavige geval niet uitgesproken had behoren te worden. De kantonrechter behoort de appel- of verwijzingsrechter niet te beperken in zijn mogelijkheid zijn in art. 7:683 lid 3 BW gegeven bevoegdheid om (de werkgever te veroordelen) de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen.Dat betekent dat de uitgesproken ontbinding achterwege had moeten blijven, zodat de grieven doel treffen. Op dit punt zal de beschikking vonnis van de kantonrechter worden vernietigd en zal alsnog een proceskostenveroordeling ten laste van de Plantenkwekerij worden uitgesproken.

4.11.

De uitkomst van het geding in hoger beroep geeft aanleiding de proceskosten te compenseren.

5 Beslissing

Het hof:

-

vernietigt de beschikking van de kantonrechter van 3 maart 2016 voor zover daarbij de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk is ontbonden met ingang van 15 maart 2016 en [verzoeker] is veroordeeld in de kosten ter zake het verzoek van de Plantenkwekerij;

-

veroordeelt de Plantenkwekerij in de kosten in het geding in eerste instantie ter zake het voorwaardelijk verzoek tot ontbinding, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 300,--;

-

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter voor het overige;

-

bepaalt dat de kosten in het geding in hoger beroep worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

-

wijst af het meer of anders verzochte.Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. Vetter, M.L.A. Filippini en I. Zaal en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017in aanwezigheid van de griffier.