ECLI:NL:GHDHA:2017:1795 Gerechtshof Den Haag , 21-06-2017 / BK-16/00528 t/m BK-16/00532

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-16/00528 t/m BK 16/00532

Uitspraak van 21 juni 2017

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Haarlem, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank) van 14 oktober 2016, met nummers SGR 16/2128, SGR 16/2130, SGR 16/2131, SGR 16/2132 en SGR 16/2854, betreffende de onder 1.1 vermelde aanslagen en beschikkingen.

Aanslagen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 8 december 2014 en 23 maart 2015 hierna vermelde naheffingsaanslagen in de loonheffingen voor de tijdvakken 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen zijn de hierna vermelde boete- en heffingsrente- of belastingrentebeschikkingen gegeven.

Jaar

2009

2010

2011

2012

2013

Naheffingsaanslag

loonheffingen

€ 18.445

€ 18.421

€ 18.421

€ 18.420

€ 18.950

Boete

€ 4.611

€ 7.368

€ 7.368

€ 7.368

€ 4.372

rente

€ 2.613

€ 2.364

€ 1.869

€ 1.437

€ 912

Totaal

€ 25.669

€ 28.153

€ 27.658

€ 27.225

€ 24.234

1.2.

Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de boetebeschikkingen gegrond verklaard, de boetebeschikkingen vernietigd en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake is een griffierecht van € 334 geheven.

1.4.

De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen voor de tijdvakken 2009, 2010, 2011 en 2012 vernietigd, de naheffingsaanslag voor het tijdvak 2013 verminderd tot € 21.098, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.857 en de Inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van € 334 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 maart 2017, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Met inachtneming van de vaststelling door de Rechtbank gaat het Hof uit van de volgende feiten:

3.1.

Belanghebbende is blijkens haar inschrijving in het Handelsregister een houdstermaatschappij. De werkzaamheden van belanghebbende bestaan uit het bedrijfsmatig ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken.

3.2.

Op 22 oktober 2013 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Hierbij is de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2013 onderzocht. Het boekenonderzoek richtte zich in eerste instantie op de periode 1 januari 2012 t/m 31 juli 2013. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 20 november 2014.

3.3.

Belanghebbende heeft in de gecontroleerde periode - voor zover hier van belang - aan een van haar directeuren (hierna: de directeur) de volgende auto’s ter beschikking gesteld:

- van 1 januari 2009 t/m 8 mei 2013 een […] met kenteken [A] ;

- van 8 mei 2013 t/m 31 juli 2013 een […] met kenteken [B] .

3.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige tijdvakken vier business seats tot haar beschikking gehad. Tevens beschikte belanghebbende in de tijdvakken 2009 tot en met 2012 over vier en in het tijdvak 2013 over twee seizoenkaarten. Deze seizoenkaarten had belanghebbende nodig om van haar business seats gebruik te kunnen maken. De kosten van de business seats en de seizoenkaarten heeft belanghebbende in de aangiften voor de vennootschapsbelasting in mindering op haar winst gebracht.

3.5.

Tot de gedingstukken behoort een door belanghebbende opgestelde “Configuratie zakelijkheid [C] ritten van de [X] ”. In deze configuratie wordt de werk- en benaderingswijze van mogelijke klanten door belanghebbende uiteengezet.

Oordeel van de Rechtbank

4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

“4. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft [de Inspecteur] zich op het standpunt gesteld dat voor de [hierboven onder 3.3 vermelde] auto’s geen sluitende kilometeradministraties zijn gevoerd zodat ten onrechte geen bijtelling wegens privégebruik heeft plaatsgevonden. In verband daarmee heeft [de Inspecteur] de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd.

Geschil

5. In geschil is of is gebleken dat de auto’s per kalenderjaar voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt.

(…)

Beoordeling van het geschil

8. Blijkens het controlerapport is met betrekking tot de kilometeradministraties voor de jaren 2009 tot en met 2011 geconstateerd dat de postcodes en de huisnummers ontbreken. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat de postcodes en de huisnummers niet zijn vermeld, niet maakt dat de kilometeradministraties voor die jaren onvoldoende controleerbaar zijn. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de directeur in de kilometeradministraties het reisdoel telkens zo specifiek heeft omschreven dat op basis daarvan het precieze bezoekadres (met postcode en huisnummer) kan worden vastgesteld.

Voorts zou bij de kilometeradministratie voor 2011 sprake zijn van een hiaat in het aantal gereden kilometers. [De Inspecteur] baseert dat op gegevens van het CJIB waaruit zou blijken dat de auto met kenteken [A] op 6 maart 2011 (een dag waarop een rit naar de [D] is gemaakt) in verband met een snelheidsovertreding is geflitst op de [E] in [F] . De directeur heeft ter zitting evenwel verklaard dat het hier gaat om de [E] in [G] waar hij op die dag, na een melding van baldadigheid bij een van de bedrijfshallencomplexen van [belanghebbende], met hoge snelheid heengereden was. Per abuis heeft hij de extra kilometers niet genoteerd. De rechtbank acht deze verklaring aannemelijk en neemt daartoe in aanmerking dat uit het controlerapport volgt dat het gaat om een snelheidsovertreding die is gemaakt op de kruising van de [E] met de [H] . Een kruising van straten met deze namen bestaat in [F] niet, maar in [G] wel. Voor het hiaat in het aantal gereden kilometers is derhalve een verklaring gegeven.

9. Voor de jaren 2012 en 2013 heeft [belanghebbende] in eerste instantie kladadministraties overgelegd waarin geen begin- en eindstanden per rit zijn vermeld en ook geen adressen. Wel wordt in deze kladversies vermeld de stand van de kilometerteller aan het begin van de maand, per rit het reisdoel bestaande uit een naam en een locatie, het aantal kilometers per rit en de stand van de kilometerteller aan het eind van de maand. Later heeft [belanghebbende] voor deze jaren alsnog nader uitgewerkte kilometeradministraties overgelegd.

10. De rechtbank constateert dat er wel degelijk verschillen zijn tussen de kladadministraties en de uiteindelijke kilometeradministraties. Voor 2012 zijn die verschillen echter verwaarloosbaar nu er slechts een verschil is van in totaal vier kilometer tussen de kladversie en de definitieve kilometeradministratie voor 2012. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kilmeteradministratie voor 2012 voldoende controleerbaar is.

Voor 2013 zijn de verschillen tussen de kladversie en de definitieve kilmeteradministratie echter te groot. Er zijn teveel ritten niet genoteerd. De kilometeradministratie voor 2013 is daarom onvoldoende controleerbaar. Dit brengt mee dat, naar het oordeel van de rechtbank, [belanghebbende] voor dat jaar niet heeft doen blijken dat de aan de directeur ter beschikking gestelde auto’s niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Het enkele feit dat de directeur in privé over meerdere auto’s beschikt, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Wel is de rechtbank met [de Inspecteur] van oordeel dat de naheffingsaanslag over het tijdvak 2013 dient te worden verminderd nu bij de berekening daarvan ten onrechte de bijtelling over een heel jaar in aanmerking is genomen.

11. Voor de jaren 2009 tot en met 2012 resteert dan nog de vraag of de ritten naar de [D] als zakelijk zijn aan te merken. Als de ritten niet zijn aan te merken als zakelijke ritten, dan is tussen partijen niet in geschil dat de auto’s in die kalenderjaren meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt.

12. Naar het oordeel van de rechtbank maakt [belanghebbende] aannemelijk dat de ritten naar de [D] een puur zakelijk karakter hebben. [Belanghebbende] heeft daarvoor verwezen naar twee notities waarin haar werkwijze uiteengezet wordt. [De Inspecteur] heeft daar weinig tegenin gebracht behalve dat gezinsleden van de directeur mee zijn geweest en dat de evenementen in de avonden en in de weekenden plaatsvonden. De rechtbank ziet in beide omstandigheden geen aanleiding om te oordelen dat de ritten deels voor privédoeleinden zijn gemaakt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gaat om een familiebedrijf en voorts dat de [D] werd bezocht om contacten te leggen en te onderhouden en dat dit alleen kan als er (potentiële) cliënten aanwezig zijn, hetgeen tijdens evenementen het geval is.

Slotsom

13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor de jaren 2009 tot en met 2012 is gebleken dat de auto’s voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt zodat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Ten aanzien van het jaar 2013 geldt dat niet is gebleken dat de auto’s voor minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Wel dient de naheffingsaanslag voor het jaar 2013 te worden verminderd nu de bijtelling - in plaats van over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 juli 2013 - over het hele jaar is berekend.

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

In hoger beroep houdt partijen, net als voor de rechtbank, het antwoord op de vraag verdeeld of is gebleken dat in de tijdvakken 2009 t/m 2012 de door belanghebbende aan de directeur ter beschikking gestelde auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden is gebruikt, welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend beantwoordt.

5.2.

De naheffingsaanslag voor het tijdvak 2013 is niet langer in geschil.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

In hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover deze de naheffingsaanslag voor het tijdvak 2013 betreft en tot ongegrondverklaring van de beroepen betreffende de heffingstijdvakken 2009, 2010, 2011 en 2012.

6.2.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1.

Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat belanghebbende met de overgelegde kilometeradministratie en verklaringen afdoende heeft doen blijken dat voor de jaren 2009 tot en met 2012 de door haar ter beschikking gestelde auto voor niet meer dan 500 kilometer is gebruikt in privé. Aan de overwegingen van de Rechtbank voegt het Hof het volgende toe.

7.2.

Voor zover de rittenadministraties gebreken vertonen, zijn die niet van dien aard dat uit de rittenadministratie niet blijkt voor welke doeleinden de directie van belanghebbende van de auto gebruik heeft gemaakt en meer in het bijzonder zijn de gebreken tevens niet van dien aard dat blijkt dat de auto in de jaren 2009 t/m 2012 voor meer dan 500 kilometer is gebruikt voor privé.

7.3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 juni 1985, nr. 22921, ECLI:NL:HR:1985:AW8259, BNB 1985/215 overwogen: “Autoritten als de evenbedoelde, die zowel met de dienstbetrekking als met het persoonlijke leven van de belastingplichtige samenhangen, kunnen slechts worden aangemerkt als gemaakt in verband met het verrichten van de arbeid in dienstbetrekking, indien zij door iemand die niet een dienstbetrekking als die van de belastingplichtige vervult, doch wat inkomen, vermogen en gezin betreft in dezelfde omstandigheden verkeert, niet althans niet in dezelfde omvang zouden zijn gemaakt.” In het licht van dit arrest overweegt het Hof als volgt.

7.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de directeur de ritten naar en van de [D] (hierna: de [D] ) heeft gemaakt om contacten te leggen en te onderhouden met (potentiële) klanten en dat zij de business seats en de seizoenkaarten heeft aangeschaft om de directeur daartoe in staat te stellen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dit standpunt met de door haar overgelegde “Configuratie zakelijkheid [C] ritten van de [X] ” en hetgeen zij ter zitting omtrent de [D] , de business seats en de seizoenkaarten heeft verklaard voldoende onderbouwd. Hetgeen de Inspecteur dienaangaande heeft aangevoerd brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hierbij overweegt het Hof het volgende.

7.5.

De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij ritten die in overwegende mate voor zakelijke doeleinden zijn gemaakt, bij de berekening van het aantal kilometers dat voor privédoeleinden is gereden, buiten aanmerking laat.

7.6.

De Inspecteur heeft in zijn nader stuk van 27 februari 2017 het standpunt ingenomen dat op zijn minst een aantal [D] vooral of volledig een privékarakter heeft; deze ritten moeten daarom als privéritten worden aangemerkt. Uit de door de hem in de bezwaarfase overgelegde overzichten leidt de Inspecteur af dat ook [D] plaats vonden op dagen waarop geen event/evenement in de [D] was. Het is niet aannemelijk, aldus de Inspecteur, dat op zulke dagen de (potentiële) klanten met wie de directeur in contact wilde komen of het contact wilde onderhouden, naar de [D] kwamen. De Inspecteur wijst hierbij op de bezoeken van de directeur aan de [I] bar in de [D] op dagen waarop [C] een uitwedstrijd speelde. De [D] op die dagen hadden geen zakelijk doel.

7.7.

Belanghebbende heeft weersproken dat de directeur de [D] bezocht op dagen waarop hij geen contacten kon leggen of onderhouden met (potentiële) klanten. Ter zitting van het Hof heeft zij in dit verband aangevoerd dat de directeur niet naar evenementen of bijeenkomsten in de [D] ging wanneer hij wist dat hij daar geen (potentiële) relaties in de vastgoedwereld zou kunnen ontmoeten. Van haar voorkeursrecht om kaarten te kopen voor andere evenementen dan die waartoe de door haar aangeschafte seizoenkaarten toegang gaven, heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt. Wel is de directeur soms door zakenrelaties uitgenodigd voor dergelijke andere evenementen, zoals wedstrijden van het Nederlands elftal.

7.8.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de [D] in overwegende mate zakelijke doeleinden dienden. Deze ritten dienen, gelet op hetgeen onder 7.5. is overwogen, bij de berekening van het aantal privékilometers buiten beschouwing te blijven. De Inspecteur heeft zijn stelling dat sommige [D] vooral of uitsluitend privédoeleinden dienden, tegenover de gemotiveerde weerspreking daarvan door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Voor zover de Inspecteur heeft willen betogen dat van belanghebbende kan worden verlangd dat zij een verband legt en aantoont tussen een bepaald bezoek aan de [D] en een specifieke transactie, volgt het Hof de Inspecteur daarin niet, nu de wet niet in een zo ver gaande verzwaring van de bewijslast van belanghebbende voorziet.

7.9.

Gelet op het vorenoverwogene beantwoordt het Hof de in geschil zijnde vraag bevestigend.

Slotsom

7.10.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

8.1.

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaken aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.485 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van het Hof, een bedrag per punt van € 495, een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1 en vermenigvuldigd met een factor 1,5 wegens samenhang).

8.2.

Voorts wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 503, nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.485.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. W.M.G. Visser, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. S.T.M. Beelen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.W.P. van Oosten. De beslissing is op 21 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

Van de Inspecteur wordt een griffierecht geheven van € 503.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de [belanghebbende] als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan
binnen zes weken
na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.