ECLI:NL:GHDHA:2017:1809 Gerechtshof Den Haag , 04-04-2017 / 200.176.189

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel, team familie

Zaaknummer : 200.176.189/ 01 en 02

Rol-/zaaknummer rechtbank: C/09/472054/HA ZA 14-965

arrest d.d. 4 april 2017

inzake

[de vrouw] ,

wonende te ‘ [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. J.C.G.J. van der Linden te Voorburg,

tegen

[de oom] ,

wonende te ‘ [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de oom] ,

advocaat: mr. G.G. Kempenaars te Almere.

Het geding

Bij exploot van 31 augustus 2015 is [de vrouw] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2015, gewezen tussen [de vrouw] als eiseres en [de oom] als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen daarover in het bestreden vonnis is vermeld.

Ter rolzitting van 20 oktober 2015 heeft [de vrouw] een memorie van grieven ingediend. Deze bevat vier grieven; bij de memorie zijn twee producties overgelegd.

Ter rolzitting van 2 augustus 2016 heeft [de oom] een memorie van antwoord ingediend.

Vervolgens is ter rolzitting van 13 september 2016 de procedure geroyeerd omdat partijen geen instructie gaven voor het verdere verloop.

Ter rolzitting van 25 oktober 2016 heeft [de vrouw] verzocht om hervatting van de procedure.

Partijen hebben ieder hun procesdossier overgelegd. [de vrouw] heeft het hof verzocht, een comparitie van partijen te bepalen.

Op 13 februari 2017 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden.

Verschenen zijn:

-

[de vrouw] , vergezeld van haar advocaat;

-

[de oom] , vergezeld van zijn advocaat.

Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Van wat ter zitting is besproken is proces-verbaal opgemaakt.

De zaak is verwezen naar de rol van 4 april 2017 voor arrest.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten zoals deze zijn vastgesteld in het bestreden vonnis is niet opgekomen, zodat het hof van deze feiten zal uitgaan.

2. Kort weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende. Op [datum] 2011 is de vader van [de vrouw] in Zuid-Afrika overleden. [de vrouw] is erfgenaam, tezamen met haar halfbroer en twee halfzussen. [de oom] is een oom van [de vrouw] . Het vermogen van de vader van [de vrouw] bevond zich in [naam land] . Omdat [de vrouw] zelf niet in staat was naar [naam land] af te reizen heeft zij [de oom] verzocht om haar belangen aldaar te behartigen. [de vrouw] heeft aan [de oom] op 13 januari 2012 een volmacht verstrekt, er toe strekkende dat zij [de oom] machtigt om voor haar de erfenis in [naam land] af te handelen. [de oom] is daarop naar [naam land] afgereisd. [de oom] heeft aldaar – onder meer -ten behoeve van [de vrouw] een bedrag van 25.000.000,- [munteenheid] opgenomen, een bedrag waar [de vrouw] recht op zou hebben. [de vrouw] houdt [de oom] aansprakelijk voor het feit dat zij niet dit volledige bedrag heeft ontvangen. Daarom vordert zij – na vermindering van haar vordering in eerste aanleg – een bedrag van € 128.168,79 van [de oom] .

3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [de vrouw] afgewezen en haar, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de proceskosten.

4. [de vrouw] vordert dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, [de oom] zal veroordelen aan haar een bedrag van € 128.169,79 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de transacties, zijnde 16 maart 2012 en 4 mei 2012, tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [de oom] in de kosten van de procedure in beide instanties; subsidiair hem te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep.

5. [de oom] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van [de vrouw] in de kosten van beide instanties.

6. Het hof bespreekt de grieven, gelet op hun onderlinge samenhang, gezamenlijk. In de eerste grief voert [de vrouw] aan dat ten onrechte is overwogen dat [de oom] niet in strijd met het bepaalde in artikel 3:68 BW buiten de aan hem verleende volmacht is getreden. Volgens haar is dit wel het geval. Het is onjuist om aan te nemen dat, ondanks een zeer ruime volmacht, er geen aansprakelijkheid meer is voor het buiten de grenzen van de volmacht treden. Volgens [de oom] kon hij niet gelden rechtstreeks en in een keer vanuit [naam land] naar haar Nederlandse bankrekening overmaken, maar [de vrouw] bestrijdt dat. Zij legt emailberichten over waaruit volgt dat ook iemand met een regulier visum in [naam land] een bankrekening kan openen. [de oom] had dit dus kunnen doen op naam van [de vrouw] , maar heeft dit nagelaten. [de vrouw] heeft hem toestemming verleend omdat zij van hem had begrepen dat het niet anders kon. Zij heeft gedwaald op dit punt. [de oom] heeft haar op het verkeerde been gezet met de door hem geschetste voorstelling van zaken.

7. Verder voert [de vrouw] aan (tweede grief) dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat [de oom] de stellingen voldoende onderbouwd heeft weersproken. Hij heeft geen documenten kunnen overleggen die zijn verhaal ondersteunen. [de oom] heeft aangegeven dat sprake was van tussenpersonen, diverse bankrekeningen, het overboeken van gelden via derden et cetera, maar niets van deze stellingen wordt met bewijs gestaafd. [de vrouw] verwijst naar een door haar overgelegde verklaring van haar stiefvader, die een beeld schetst van schimmige transacties en vele opnamen van contant geld. Aan [de vrouw] zijn papieren overgelegd. maar dit betrof algemene documenten en er is nimmer sprake geweest van een verantwoording.

8. Ten onrechte heeft de rechtbank aangenomen dat het risico, dat minder geld aan [de vrouw] is/zou worden uitbetaald door inschakeling van derden, van meet af aan bekend was en derhalve voor haar rekening en risico dient te komen (derde grief). [de vrouw] heeft ingestemd met de gehanteerde handelwijze omdat zij niet de mogelijkheden had zich te vergewissen van andere opties. Dat zij met de gehanteerde handelwijze heeft ingestemd brengt echter niet automatisch met zich mee dat zij zich bewust was van het feit dat het overbrengen van gelden op die manier ruim € 128.000,- zou kosten. Er is geen verklaring waar de rest van het geld gebleven is.

9. Dat [de oom] onbezoldigd werk heeft verricht voor [de vrouw] is niet relevant voor de vaststelling of iemand buiten de grenzen van zijn volmacht is getreden voert [de vrouw] aan in de vierde grief. [de oom] heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waar het geld is gebleven en daarmee is onweersproken gebleven dat [de oom] geld heeft overgehouden aan de transacties Dit heeft de rechtbank ten onrechte niet betrokken in haar vonnis.

10. [de oom] weerspreekt de grieven. [de vrouw] stelt met een bankafschrift te kunnen aantonen dat sprake is geweest van een onrechtmatige daad door [de oom] , maar uit het afschrift kan niet worden afgeleid dat de overgemaakte gelden niet via andere kanalen toch bij [de vrouw] terecht zijn gekomen. [de oom] begrijpt niet waarom [de vrouw] pas na twee jaren stelt een vordering op [de oom] te hebben. [de oom] heeft geen relevante stukken meer van de periode van afwikkeling van de erfenis; hij heeft alle documenten aan [de vrouw] afgegeven. Uit mails blijkt dat er aan diverse personen gelden zijn overgemaakt die bedoeld waren voor [de vrouw] . De zus van [de vrouw] zou haar een berekening geven van de gemaakte kosten; deze berekening heeft zij echter niet overgelegd. De door [de vrouw] overgelegde verklaring van haar stiefvader ondersteunt juist hetgeen [de oom] stelt. Er is geen gebruik gemaakt van het reguliere betaalverkeer nu dat niet mogelijk bleek, in elk geval niet om gelden naar het buitenland over te maken. De handelwijze is met goedkeuring en handtekening van [de vrouw] geschied. Er waren geen andere opties waarover hij [de vrouw] moest informeren. Er moest telkens commissie worden betaald. De transacties moesten buiten het gezichtsveld en de invloedsfeer van [de oom] worden afgehandeld, waardoor het risico bestond dat gelden afgeroomd zouden worden. Deze omstandigheden kan [de vrouw] niet afwentelen op [de oom] . Dat [de oom] geen vergoeding wenste voor door hem bewezen diensten toont aan dat hij kennelijk niet uit was op geldelijk gewin.

11. Het hof verenigt zich met wat de rechtbank heeft overwogen in het bestreden vonnis in de rechtsoverwegingen 4.7 tot en met 4.12 omtrent het handelen van [de oom] in het licht van de volmacht en de afspraken tussen partijen. Echter, anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat dit handelen niet moet worden getoetst aan artikel 3:68 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel regelt de situatie waarin de gevolmachtigde ( [de oom] ) zichzelf als wederpartij van de volmachtgever ( [de vrouw] ) opwerpt. Die situatie is niet aan de orde. Het gaat hier om de vraag of [de oom] , met inachtneming van de (inhoud van de) aan hem verstrekte volmacht, onrechtmatig jegens [de vrouw] heeft gehandeld. Het hof neemt de gronden van de rechtbank voor het overige over en maakt deze tot de zijne. Naar aanleiding van wat [de vrouw] in hoger beroep nog heeft aangevoerd overweegt het hof als volgt.

12. [de vrouw] stelt dat [de oom] wel degelijk op haar naam een bankrekening in [naam land] had kunnen openen, anders dan zij aanvankelijk veronderstelde. Tussen partijen is niet in geschil dat [de oom] ten behoeve van [de vrouw] naar [naam land] is gegaan om er voor te zorgen dat zoveel mogelijk gelden vanuit [naam land] naar Nederland werden gebracht. Het hof overweegt dat de mogelijkheid van het openen van een bankrekening op naam van [de vrouw] onverlet laat dat vervolgens het geld naar Nederland moest kunnen worden overgemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [de oom] in staat was om vervolgens vanaf een te openen rekening de gelden naar het buitenland over te maken. [de vrouw] stelt nu dat zij zou hebben gedwaald met betrekking tot de vraag of dit niet op andere wijze had kunnen geschieden. Nu [de vrouw] niet stelt in welk opzicht zij heeft gedwaald en hoe de gelden op andere wijze bij haar in Nederland terecht konden komen, gaat het hof aan deze stelling voorbij.

13. [de vrouw] voert verder aan dat [de oom] geen documenten heeft kunnen overleggen die zijn verhaal ondersteunen. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat [de vrouw] stukken heeft ontvangen van [de oom] die betrekking hebben op de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [de vrouw] in [naam land] , welke stukken zij ter zitting ook aan de rechtbank en aan [de oom] heeft getoond. Bij die stukken bevond zich een handgeschreven overzicht waarop overboekingen zijn vermeld. Het hof heeft dit stuk overigens niet bij de processtukken aangetroffen. Niet weersproken is dat [de oom] alle transacties tezamen met de andere erfgenamen heeft verricht en dat voor geldopnamen telkens vier handtekeningen (ook van de andere erfgenamen) nodig waren. Uit de door [de vrouw] overgelegde verklaring van haar stiefvader is niet op te maken dat [de oom] anders zou hebben gehandeld. Bovendien heeft [de oom] aan [de vrouw] een volmacht verstrekt waarbij hij haar heeft gemachtigd om inzage te krijgen in de op naam van [de oom] in [naam land] geopende bankrekening. [de vrouw] is enkele maanden na de terugkeer van [de oom] uit [naam land] naar [naam land] gereisd om, met die volmacht, een en ander in [naam land] te kunnen nagaan. Welke andere stukken [de oom] dan nog aan [de vrouw] zou moeten overleggen heeft [de vrouw] niet duidelijk gemaakt. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij.

14. [de vrouw] voert nog aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de mogelijkheid, dat er door deze handelwijze minder geld bij haar terecht zou komen, voor haar rekening en risico komt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank dit terecht heeft overwogen. [de vrouw] heeft immers ingestemd met deze handelwijze. Onduidelijk is (gebleven) of de personen in [naam land] die vervolgens gelden aan [de vrouw] moesten overboeken, dit ook daadwerkelijk hebben gedaan. Nadat [de oom] deze gelden uit handen heeft gegeven, om door anderen te laten doorbetalen aan [de vrouw] , heeft hij ook geen zicht meer gehad op deze gelden. Het is dus zeer wel mogelijk dat niet alle gelden bij [de vrouw] terecht zijn gekomen. Nu aan [de vrouw] duidelijk was dat [de oom] aldus zou handelen en zij daarmee heeft ingestemd, kan de omstandigheid dat mogelijk niet alle gelden bij haar terecht zijn gekomen, niet voor rekening en risico van [de oom] komen.

15. [de vrouw] voert in de vierde grief aan dat [de oom] geld zou hebben overgehouden aan de transacties, omdat hij geen verklaring heeft gegeven waar het geld wel is gebleven. Het hof passeert deze grief. [de vrouw] stelt dat [de oom] onrechtmatig heeft gehandeld door gelden voor zichzelf te houden. Op haar rusten de stelplicht en de bewijslast van deze stelling. In het licht van de gemotiveerde betwisting door [de oom] heeft [de vrouw] onvoldoende aangevoerd op grond waarvan de conclusie kan worden getrokken dat [de oom] op enigerlei wijze jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. De enkele stelling, dat niet alle door [de oom] opgenomen gelden door haar zijn ontvangen is daartoe, bezien in het licht van al hetgeen met betrekking tot die geldopnamen is gebeurd en wat tussen partijen niet in geschil is, volstrekt onvoldoende.

Slotsom; proceskosten

16. De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [de vrouw] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [de oom] begroot op € 6.879,-, te weten € 1.615,- aan griffierecht en € 5.264,- aan kosten advocaat en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.A. Mink en P.B. Kamminga en J.M. van Baardewijk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2017 in aanwezigheid van de griffier.