ECLI:NL:GHSHE:2015:1966 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 28-05-2015 / F 200.158.777-01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 28 mei 2015

Zaaknummer: F 200.158.777/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/274829 / FA RK 14-760

in de zaak in hoger beroep van:


[appellant]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. G.J.P.C.G. Verheijen,

tegen


[verweerster]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M. Engelen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de moeder af te wijzen dan wel een omgangsregeling dan wel een informatie- en consultatieregeling vast te stellen die het hof, gezien alle feiten en omstandigheden meewegend, passend acht, een en ander met bekrachtiging van de bestreden beschikking voor het overige; kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 9 december 2014, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het namens hem ingestelde hoger beroep, althans zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen onder bekrachtiging van de bestreden beschikking, voor wat betreft de daartegen door de vader gerichte grieven.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2015. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de vader, bijgestaan door mr. Verheijen;

-

de moeder, bijgestaan door mr. Engelen;

-

de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 23 april 2015;

-

het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de vader op 30 april 2015.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit deze relatie van partijen is geboren:

- [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het gezag over [minderjarige] uit.

3.2.

Bij beschikking van 8 mei 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld, inhoudende dat de vader gerechtigd is om [minderjarige] eenmaal per drie weken op zaterdag van 13.00 tot 16.00 uur onder begeleiding van de zus van de moeder en bij de zus van de moeder thuis te zien, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en weer ophaalt.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzegd.

De rechtbank heeft in deze beschikking voorts de door de vader verzochte informatie- en consultatieregeling afgewezen.

3.4.

De vader kan zich met deze beslissingen niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte vastgesteld dat de veiligheid van [minderjarige] bij de vader op dit moment niet gewaarborgd is. Zowel de moeder en het Omgangshuis waren vanaf het begin van alles op de hoogte. Uit het rapport van het Omgangshuis blijkt dat omgang met zijn vader in het belang van [minderjarige] is en dat van de moeder gevraagd wordt de omgang te continueren, zo mogelijk ook na een eventuele veroordeling. Vóór de uitspraak van de strafrechter was de vader gerechtigd om [minderjarige] bij de moeder op te halen en hem mee naar huis te nemen. De veiligheid van [minderjarige] is daarbij altijd gewaarborgd geweest, omdat de omgang altijd in aanwezigheid van een derde heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft ondanks het positieve advies van de raad en het rapport van het Omgangshuis besloten om de vader het recht op omgang te ontzeggen. De vader erkent dat hij foutief gedrag heeft getoond, maar is van mening dat de ontzegging van zijn recht op omgang te ver gaat. De vader is van mening dat [minderjarige] ernstige psychische schade oploopt als er geen enkele omgang bestaat, omdat [minderjarige] nu op een leeftijd is waarbij hij het bewustzijn van het bestaan van een vader en een moeder heeft ontwikkeld. De vader stelt dat hij zelfreflectie heeft getoond en dat het hem niet is aan te rekenen dat hij tot voor kort geen hulpverlening heeft kunnen krijgen, nu hij daartoe alles in het werk heeft gesteld. De vader heeft ter zitting van het hof verklaard dat de hulpverlening bij Kairos in de vorm van groepstherapie in februari 2015 is gestart. Na afloop van deze groepstherapie zal na 15 juli 2015 worden bekeken of aanvullende therapie noodzakelijk is. De vader stelt dat hij al sinds het begin van het strafrechtelijk onderzoek vrij is van zowel alcohol als drugs. Hij verwijst daarbij naar de twee overgelegde reclasseringsrapportages. De vader heeft voorts ter zitting van het hof verklaard dat het hof op 1 mei 2015 uitspraak in zijn strafzaak heeft gedaan. De vader is daarbij veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van negen maanden, een taakstraf van 240 uur en verplichte hulpverlening van Kairos.

3.6.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting – samengevat – het volgende aan.

De vader doet niets met de behandelingsverplichting die aan hem is opgelegd; er is sprake van behandelingsonwil. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij graag meer duidelijkheid wenst te verkrijgen omtrent de inhoud van de therapie die de vader bij Kairos ondergaat. Het is op dit moment onduidelijk of de vader ook voor zijn persoonlijk-heidsproblematiek en zijn drank- en drugsmisbruik wordt behandeld. Dat vader toont geen zelfinzicht en/of acceptatie, nu hij in hoger beroep is gegaan tegen het vonnis in de strafzaak.

De kennelijke wens van de vader om te komen tot een reguliere omgangsregeling en het onderhavige hoger beroep zorgt voor veel onrust en angst bij de moeder en [minderjarige] . De ontzegging van het recht omgang brengt rust voor alle partijen. De moeder stelt dat [minderjarige] op dit moment geen interesse in de vader toont.

De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de veiligheid van [minderjarige] bij de vader op dit moment niet is gewaarborgd. De veiligheid van [minderjarige] kan op geen enkele manier worden gegarandeerd, nu de vader zich eerder heeft onttrokken aan de begeleiding tijdens de omgangsmomenten en niet valt uit te sluiten dat hij dat weer zou doen. De moeder sluit niet uit dat er ook iets tussen [minderjarige] en de vader is voorgevallen. Ter zitting van het hof heeft de moeder hieraan toegevoegd dat [minderjarige] nog steeds signalen afgeeft waaruit mogelijk kan worden afgeleid dat er iets is voorgevallen. [minderjarige] is bijvoorbeeld nog steeds niet zindelijk, heeft last van woedeaanvallen en heeft recent ook aangegeven dat er iets gebeurd zou zijn. De moeder heeft zich tot de huisarts gewend om dit verder te laten onderzoeken. De moeder stelt zich op het standpunt dat de rapportage van het Omgangshuis inmiddels is achterhaald, door de vader wordt verdraaid en voor zijn eigen doeleinden wordt gebruikt. Voornoemd rapport dateert van voor de uitspraak in de strafzaak. De moeder was destijds niet op de hoogte van de grote hoeveelheid kinderporno die de vader welbewust had verzameld.

De moeder betwist dat zij zich niet aan de opgelegde informatie- en consultatieregeling houdt. De moeder heeft de vader recente foto’s gestuurd en informeert de vader over belangrijke aangelegenheden; belangrijke aangelegenheden hebben zich tot op heden niet voorgedaan. De moeder ziet niet in waarom zij met de vader zou moeten overleggen over te nemen beslissingen, nu zij alleen met het gezag over [minderjarige] is belast.

3.7.

De raad ter zitting in hoger beroep het hof geadviseerd om in deze zaak een raadsonderzoek te gelasten.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen omtrent een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader, zodat het hof het advies van de raad zal volgen. Zowel de vader als de moeder hebben ter zitting met een onderzoek door de raad ingestemd.

Ten aanzien van het verzoek tot informatieverstrekking heeft het hof de partijen er op gewezen dat de moeder krachtens de wet verplicht is informatie aan de vader te verschaffen, welke verplichting bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 maart 2012 is neergelegd in een concrete aan de moeder opgelegde regeling. Het hof heeft de moeder er op gewezen dat die verplichting meer behelst dan het enkel toezenden van twee foto’s en daarbij, bij wege van voorbeeld, gewezen op het belang van informatie over de schoolresultaten.

Het hof zal de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen, waarbij de raad zal worden gevraagd onderzoek te doen naar de beantwoording van de volgende vragen:

-

Welke vorm van omgang en welke frequentie van de omgang is in het belang van [minderjarige] ?

-

Wat zijn de mogelijkheden van de vader om inhoud te geven aan de omgangs-regeling en is de moeder in staat om de omgang met [minderjarige] te ondersteunen ?

-

Zijn er andere bijzonderheden waarmee rekening gehouden moet worden bij het vaststellen van een omgangsregeling ?

-

Indien er belemmeringen zijn om te komen tot een omgangsregeling, wat zijn dan de contra-indicaties?

-

Indien er op dit moment geen mogelijkheden zijn voor omgang: wat is er dan nodig om in de toekomst tot omgang te komen?

3.8.2.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

Zo nodig zal het hof een tweede mondelinge behandeling bepalen.

3.8.3.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.8.1. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 8 oktober 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, J.H.J.M. Mertens-Steeghs en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2015.