ECLI:NL:GHSHE:2016:2165 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 26-05-2016 / 200.177.670/01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 26 mei 2016

Zaaknummer: 200.177.670/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/204469 / FA RK 15-1077

in de zaak in hoger beroep van:


[appellant]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.W. Pieters,

tegen


[verweerster]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G. Nijmeijer.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, [locatie] Eindhoven,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 september 2015, heeft de vader verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen, en, zo nodig onder verbetering en aanvulling van de gronden, een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] , inhoudende dat er contact plaatsvindt gedurende één dag per twee weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, dan wel een zodanige regeling als het hof juist acht, alsmede, indien het hof daartoe gronden aanwezig acht, te bepalen dat er een onderzoek door de raad dient te worden ingesteld naar het opstarten en de opbouw van een omgangsregeling.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 november 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de vader, bijgestaan door mr. Pieters;

-

mr. Nijmeijer, namens de moeder;

-

de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 31 juli 2015;

-

de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde brief van [Gz-psycholoog] , Gz-Psycholoog, d.d. 12 april 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen is geboren:

- [minderjarige] (ook te noemen: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] .

De moeder oefent het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 26 juni 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 17 oktober 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken partijen verwezen naar Juvent Omgangsbegeleiding en iedere verdere beslissing met betrekking tot een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden.

3.3.

Bij beschikking van 5 februari 2014 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank een nieuw verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling wederom afgewezen.

3.5.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Het is onbegrijpelijk dat het verwerkingsproces van de moeder en de gebeurtenissen in het verleden prevaleren boven het belang van [minderjarige] en de vader om weer te starten met omgang. De vader is naar [minderjarige] toe altijd een goede vader geweest. Door het uitblijven van omgang dreigt [minderjarige] te vervreemden van de vader. De vader doet zijn uiterste best om zichzelf te verbeteren. Hij krijgt alleen geen kans om te bewijzen dat zijn instelling naar de moeder is veranderd.

De situatie van de vader is in positieve zin gewijzigd. Sinds het beëindigen van zijn detentie op 13 mei 2015 werkt de vader met zijn reclasseringshulpverlener aan zijn problematiek, komt hij afspraken na en is hij aangemeld bij een forensische polikliniek. Van de trainingen die de vader bij deze kliniek volgt, heeft hij de helft van de sessies inmiddels goed doorlopen. Verder heeft de vader gesprekken met psychologen gehad en een cursus woedebeheersing gevolgd. Voor de persoonlijkheidsstoornis wordt de vader niet behandeld omdat dit volgens de psychologen en psychiaters niet nodig is.

De vader is bereid om te werken aan verbetering van de communicatie tussen partijen. Het is daarnaast ook mogelijk om omgang op te starten zonder dat de ouders direct contact met elkaar hoeven te onderhouden. Ook staat de vader nog altijd open voor een raadsonderzoek.

3.7.

De moeder voert in het verweerschrift, zoals door haar advocaat aangevuld ter zitting, kort samengevat, het volgende aan.

Kennelijk beseft de vader nog altijd niet wat hij met zijn wandaden jegens de moeder heeft aangericht. De moeder is nog dagelijks bezig met de verwerking van de gebeurtenissen. Ook [de halfzus van de minderjarige] , de halfzus van [minderjarige] , is in verband met het gebeurde onder behandeling bij de Mutsaersstichting. Verder is niet gebleken dat de instelling van de vader ten opzichte van de moeder is veranderd.

Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen dat de behandeling van de problematiek van de vader succesvol is verlopen. Ook de reclasseringshulpverlener van de vader geeft aan dat er nog een lange weg te gaan is. Bovendien is er ten aanzien van de persoonlijkheidsstoornis nog niets gebeurd en ook van de overige behandelingen van de vader is er niets overgelegd.

Het ontbreken van communicatie tussen partijen staat omgang in de weg. Vanwege de ervaringen in het verleden is omgangsbegeleiding door een derde voor de moeder onbespreekbaar. Een raadsonderzoek voegt niets toe, aangezien er al een onderzoek heeft plaatsgevonden.

3.8.

De raad heeft ter zitting geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vader heeft onvoldoende aangetoond dat hij daadwerkelijk is veranderd en dat zijn behandeling vruchten heeft afgeworpen. Daarbij is het door hetgeen is voorgevallen voor de moeder niet mogelijk om [minderjarige] de noodzakelijke ondersteuning te bieden bij de omgang tussen [minderjarige] en de vader. Op dit moment is de situatie vooral gebaat bij rust.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

Het hof acht zich, voor zover de vader heeft verzocht om een onderzoek door de raad naar het opstarten en de opbouw van een omgangsregeling, op grond van de stukken en mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te nemen. Daarbij komt dat een nieuw onderzoek door de raad voor [minderjarige] mogelijk belastend kan zijn en daarmee dus niet in zijn belang.

Omgangsregeling

3.9.2.

Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

3.9.3.

Ingevolge artikel 1:377a lid 3 aanhef en sub a en d BW ontzegt de rechter het recht op omgang indien omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind of omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.9.4.

Tussen partijen is in geschil of de vader het recht op omgang met [minderjarige] ontzegd moet worden.

3.9.5.

Evenals de rechtbank, op dezelfde gronden die het hof – na eigen beoordeling en waardering – overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de gronden voor ontzegging van het recht op omgang tussen de vader en [minderjarige] . In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

Gebleken is dat de vader juist in het kader van het vestigen van een omgangsregeling een ernstige bedreiging heeft gevormd naar de eerst verzorgende ouder van [minderjarige] door het delict dat de vader jegens de moeder heeft begaan. Hierdoor is de basale veiligheid van [minderjarige] ernstig geschaad en het vertrouwen van [minderjarige] in de vader als bron van steun ernstig geschonden.

Dat de dreiging die de vader heeft veroorzaakt zou zijn weggenomen, is het hof niet gebleken. Daarvoor is tenminste nodig dat de vader zich heeft laten behandelen voor zijn agressieproblematiek en zijn persoonlijkheidsstoornis – zoals door de strafkamer van dit hof bij arrest van 21 april 2015 als bijzondere voorwaarde opgelegd – en hij deze behandeling(en) met succes heeft afgerond. De vader voert hieromtrent aan dat hij bij De Horst in [vestigingsplaats] , een forensisch psychiatrische instelling, een cursus woedebeheersing heeft gevolgd en dat hij daar nog trainingen aan het volgen is waarvan hij de helft van de sessies goed heeft doorlopen. Verder voert de vader aan dat het volgens zijn behandelaars niet nodig is dat hij een behandeling ondergaat vanwege de bij hem geconstateerde persoonlijkheidsstoornis. De vader heeft echter nagelaten om deze stellingen nader met bewijsstukken te onderbouwen. Hierdoor is het hof niet in de gelegenheid te beoordelen of de door de vader veroorzaakte dreiging is weggenomen. Dit is echter wel een eerste voorwaarde waaraan voldaan moet zijn, wil er eventueel weer aan enige vorm van contactherstel gewerkt kunnen worden. Ook is dit de eerste stap om aan de moeder te laten zien dat de houding van de vader ten opzichte van de moeder is veranderd.

Bovendien is het hof gebleken dat aan de zijde van de moeder het verwerkingsproces nog altijd niet is afgerond en dat ook [de halfzus van de minderjarige] , de halfzus van [minderjarige] , onder behandeling is bij de Mutsaersstichting in verband met de impact van het door de vader gepleegde delict. In het gezin van [minderjarige] bestaan dan ook belemmeringen ten aanzien van omgang tussen [minderjarige] en de vader. De moeder is hierdoor thans niet in staat om [minderjarige] de voor hem vanwege zijn leeftijd noodzakelijke ondersteuning te bieden in en bij contact tussen [minderjarige] en de vader.

3.9.6.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] en dat omgang in strijd is met zijn zwaarwegende belangen, zodat sprake is van een ontzeggingsgrond als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. De rechtbank heeft het verzoek van de vader derhalve terecht afgewezen.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 31 juli 2015.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2016.