ECLI:NL:GHSHE:2016:4923 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 03-11-2016 / 200.157.477/01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 3 november 2016

Zaaknummer: 200.157.477/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/189718 / FA RK 14-895

in de zaak in hoger beroep van:


[appellante]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.H.L. van de Laar,

tegen


[verweerder]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. B.H.S. Brinkman.

Als betrokken in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt:

- Raad voor de Kinderbescherming, locatie [locatie] (hierna: de raad).

5 De beschikking d.d. 4 december 2014

Bij die beschikking heeft het hof bepaald dat de vader en [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ) gerechtigd zijn tot contact met elkaar in het kader van de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) fase 3 van de Mutsaersstichting.

Het hof heeft de Mutsaersstichting verzocht om het hof tijdig vóór de pro forma datum, 7 april 2016, schriftelijk te informeren omtrent de resultaten van de begeleide contacten, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen en de raad. Verder heeft het hof de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen in die beschikking onder rechtsoverweging 3.5. is overwogen en tijdig vóór de pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen. Het hof heeft deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tot slot heeft het hof iedere verdere beslissing pro forma aangehouden tot 7 april 2016 in afwachting van het verloop van de begeleide omgangscontacten en in afwachting van het raadsrapport.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op

22 september 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Van de Laar;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. Brinkman;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage (eindverslag begeleide omgangsregeling) van het Kennis- en Expertisecentrum de Donderberg (KEC de Donderberg) d.d. 5 februari 2016;

- de brief van de raad d.d. 7 juni 2016, met als bijlage het raadsrapport d.d. 6 juni 2016.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Blijkens het eindverslag van Begeleide Omgangsregeling wordt door KEC de Donderberg geconcludeerd dat de begeleide omgang tussen de vader en de kinderen positief is verlopen. Het contact tussen hen is warm. Hinderende factoren zijn echter de signalen van onveiligheid. Hierbij wordt gedoeld op het gedrag van de vader. Zijn gedrag wordt gezien als een (al dan niet terechte) reactie op teleurstellingen. Dit neemt niet weg dat dit gedrag grensoverschrijdend kan zijn en escalatie oproept, hetgeen er toe kan leiden dat er veiligheidsmaatregelen genomen moeten worden en/of dat de moeder of [minderjarige 1] geen contact meer willen.

Uit het verslag volgt verder dat om de stabiliteit te borgen voor een onbegeleide dan wel begeleide omgang er een betere agressieregulatie aan de zijde van de vader noodzakelijk is. De agressieproblemen en zijn gedrag zijn met de vader besproken. De vader begrijpt dat het beter is wanneer hij rustig blijft. Hij heeft aangegeven dat hij met een goed resultaat een agressie-regulatietherapie heeft gevolgd bij Mondriaan en nu wekelijks begeleiding krijgt vanuit de Mondriaanstichting.

7.2.

De raad heeft in het rapport van 6 juni 2016 het hof geadviseerd om het verzoek van de moeder om eenhoofdig met het gezag over [minderjarige 1] te worden belast alsmede de beslissing inzake de zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , aan te houden tot februari 2017 om de vader in de gelegenheid te stellen in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen.

Verder volgt uit het rapport van de raad dat de vader aan zijn problematiek dient te werken. Het feit dat hij nog dagelijks drinkt zorgt voor de nodige problemen. Pas op het moment dat de vader zijn leven beter op de rails heeft zal hij in staat zijn om de samenwerkingsrelatie te krijgen met moeder die noodzakelijk is om als ouders met elkaar over en in het belang van de kinderen te kunnen communiceren op een minimaal noodzakelijk niveau. Hier is, zo wordt in het raadsrapport op dat moment nog gemeld, het op dit moment te vroeg voor, gelet op de problematiek van vader en de incidenten met de vader, januari 2016. De moeder heeft veel wantrouwen jegens de vader. Het is noodzaak voor de vader om te blijven werken aan zijn problematiek waarbij een residentiele opname tot de mogelijkheden behoort.

De moeder dient volgens de raad haar huidige hulpverleningstraject te continueren waarbij er met name aandacht dient te zijn voor de angst van de moeder voor de vader en het niet belasten van de kinderen met deze angst. De raad heeft ten aanzien van de kinderen aangegeven dat zij op dit moment geen extra hulpverlening behoeven.

7.3.

Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling in hoger beroep blijkt dat de verstreken maanden na januari 2016 rustig zijn verlopen, zonder nieuwe incidenten.

Partijen hebben zich (opnieuw) bereid verklaard om mee te werken aan een nieuw traject Begeleide Omgangsregeling (BOR) teneinde het contact tussen de vader en [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te herstellen. Het hof neemt daarbij het advies van de raad, zoals ter zitting naar voren is gekomen, over om dit traject op het tweede niveau in te zetten.

7.4.

Het hof verwijst partijen naar de Mutsaersstichting, waarbij het hof opmerkt dat partijen bij het vorige traject zijn begeleid door het Kennis- en Expertisecentrum de Donderberg, onderdeel van een samenwerking van Aloysius Stichting, Mutsaersstichting en de Wijnberg.

7.5.

Het hof verzoekt de raad om het hof middels een rapportage over het voornoemde traject te informeren. Waarbij het hof de raad verzoekt om in te gaan op de onderlinge situatie tussen partijen, de hulpverlening en de stand van de hulpverlening waarbij er een goed totaalbeeld wordt geschetst van de situatie. Het hof verwijst daarvoor naar de door de raad eerder in het voornoemde raadsrapport van 6 juni 2016 geformuleerde zes vragen, die het hof opnieuw beantwoord wenst te zien.

7.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de verdere behandeling van de zaak pro forma voor acht maanden aanhouden, tot 3 juli 2017, in afwachting van de resultaten van de begeleide contacten in het kader van de module BOR niveau 2 en de rapportage terzake van de raad. Partijen zullen na ontvangst van de rapportage door het hof in de gelegenheid worden gesteld daar nog nader schriftelijk op te reageren.

8 De beslissing

Het hof:

bepaalt dat de vader en [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum] 2005 te Landgraaf) en [minderjarige 2] (geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ) gerechtigd zijn tot contact met elkaar in het kader van de module Begeleide Omgangsregeling (BOR) niveau 2 van de Mutsaersstichting;

verzoekt de raad het hof tijdig vóór bovenstaande pro forma datum schriftelijk te informeren omtrent de resultaten van de begeleide contacten, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot 3 juli 2017 PRO FORMA, in afwachting van het verloop van de begeleide omgangscontacten en de rapportage van de raad;

houdt iedere verdere beslissing.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.R.M. van Leuven en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2016.

Verder lezen