ECLI:NL:GHSHE:2016:5384 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 01-12-2016 / 200.190.507/01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 december 2016

Zaaknummer: 200.190.507/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/287431 / FA RK 14-6643_2

in de zaak in hoger beroep van:


[appellante]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof,

tegen


[verweerder]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 april 2016, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft het door de rechtbank vastgestelde omtrent de verdeling van de verzorging en opvoedingstaken ten aanzien van het vervoer van de kinderen op maandagmiddag en het verblijf van de kinderen gedurende de kerstvakantie. Opnieuw rechtdoende verzoekt de moeder de regeling vast te stellen zoals vermeld in het petitum.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 juni 2016, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de moeder, bijgestaan door mr. Van de Kerkhof;

-

de vader, bijgestaan door mr. Hoppers;

-

de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

de brief van de raad d.d. 4 mei 2016;

-

de brief van de advocaat van de moeder met bijlagen d.d. 9 mei 2016 (processen-verbaal);

-

Het V6-formulier met nagekomen producties van de advocaat van de moeder d.d. 13 oktober 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

-

[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,

-

[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

Bij beschikking van 25 oktober 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 8 november 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.

3.2.

Bij beschikking van 8 april 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant het verzoek van de vader tot bepaling van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij hem afgewezen en de beslissing omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van een door partijen te doorlopen mediationtraject.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, een verdeling van de zorgregeling vastgesteld zoals in die beschikking is weergegeven.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert, kort samengevat het volgende aan. Volgens de moeder heeft de rechtbank ten onrechte het verzoek van de vader tot wijziging van de zorg- en opvoedingstaken op het punt van het halen en brengen van de kinderen op de maandagmiddag na school toegewezen. De vader heeft op alle dagen en dus ook op de maandag tot op heden altijd het halen en brengen van de kinderen voor zijn rekening genomen, conform de door partijen gemaakte afspraak hierover. Voor de moeder is het ondoenlijk om de kinderen op maandag naar de vader te brengen, nu zij niet altijd de beschikking heeft over een auto en zij voorts in een dusdanig slechte financiële positie

verkeert dat van haar niet gevergd kan worden dat zij hiervoor (brandstof)kosten maakt.

Het brengen van de kinderen met het openbaar vervoer is volgens de moeder geen

optie, gezien de afstand, de verbinding en de daarbij behorende kosten. Indien de vader de kinderen tussen vijf en half zes zou ophalen, zouden de kinderen volgens de moeder ook niet beperkt worden in hun sociale afspraken met leeftijdsgenootjes, hetgeen wel het geval is als de moeder de kinderen tijdig bij de vader moet afleveren in de door de rechtbank vastgestelde regeling. De kinderen moeten hun afspraken dan al vroeg beëindigen, hetgeen de moeder niet in het belang van de kinderen acht.

Voorts meent de moeder dat de rechtbank ten aanzien van de kerstvakantie ten onrechte een regeling heeft vastgesteld die zorgt voor veel onrust bij de kinderen doordat de zij eerste kerstdag bij de ene ouder en tweede kerstdag bij de andere ouder verblijven, hetgeen ook geldt voor oudejaarsdag en nieuwjaarsdag. De moeder acht het in het belang van de kinderen dat er niet onnodig wordt gewisseld tijdens de vakanties maar dat zij gedurende de ene week waarin kerst valt aaneensluitend bij de ene ouder verblijven en de week waarin oud en nieuw valt aaneensluitend bij de andere ouder, waarbij om het jaar van week gewisseld wordt.

Voor het overige is de moeder akkoord met de door de rechtbank vastgestelde verdeling.

Ter zitting heeft de moeder desgevraagd verklaard bereid te zijn om met de vader deel te nemen aan een traject bij De Combinatie te [vestigingsplaats] , teneinde met elkaar en individueel te werken aan herstel van het vertrouwen in elkaar als ouders om op die manier in het belang van de kinderen vanuit een goede basis met elkaar te kunnen communiceren.

3.6.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. Volgens de vader is hij destijds noodgedwongen akkoord gegaan met het halen en brengen van de kinderen, nu hij de kinderen anders helemaal niet zou zien. Dat het hier zou gaan om een onderling in samenspraak getroffen permanente regeling betwist de vader aldus. Voorts betwist de vader dat de moeder niet de beschikking zou hebben over een auto op maandagavond. De moeder heeft iedere dag een auto tot haar beschikking, die op naam van haar partner staat en waarmee ook geregeld leuke uitstapjes worden gemaakt en op vakantie wordt gegaan. De vader vindt het van belang dat ook de moeder een aandeel neemt in het halen en brengen van de kinderen ten aanzien van de zorgregeling. Het betreft alleen de maandagavond, nu de vader voor het overige het halen en brengen op zich heeft genomen.

De vader betwist dat de kinderen worden belemmerd op de maandag in hun sociale activiteiten, nu het hooguit een half uurtje speeltijd kost. Ten aanzien van de kerstvakantie is de vader van mening dat de kinderen logischerwijs deel willen nemen aan beide festiviteiten bij de families van hun beide ouders. Derhalve is de vader van mening dat de feestdagen Kerst en Oud en Nieuw bij helfte verdeeld dienen te worden en de vader acht de extra wisselmomenten geen belasting voor de kinderen.

Ook de vader heeft zich ter zitting desgevraagd bereid verklaard zijn medewerking te verlenen aan een traject bij De Combinatie te [vestigingsplaats] samen met de moeder, teneinde in het belang van de kinderen te werken aan vertrouwensherstel en verbeterde communicatie.

3.7.

De raad heeft ter zitting verklaard dat het positief is dat beide ouders willen investeren in het verbeteren van de onderlinge verstandhouding. Tot zover zijn de ouders een voor de kinderen prima regeling overeengekomen, maar op termijn zal iedere regeling toch weer moeten wijzigen naarmate de kinderen ouder worden en hun leven anders wordt ingericht. Het is met het oog op de toekomst en het belang van de kinderen dan ook van belang dat de ouders nu aan de slag gaan om het vertrouwen in elkaar weer terug te krijgen en een goede

basis voor het onderlinge contact te leggen.

3.8.

Het hof beslist als volgt.

Ouderschapstraject

3.8.1.

Nu partijen ter zitting aan het hof kenbaar hebben gemaakt dat zij zich op advies van het hof zullen wenden tot de Combinatie te [vestigingsplaats] , teneinde te werken aan onderling vertrouwensherstel en daarmee tevens een verbetering van de onderlinge communicatie ten aanzien van de kinderen, gaat het hof er vanuit dat dit traject zo spoedig mogelijk van start zal gaan. Tussen de ouders bestaat nog veel oud zeer vanuit het verleden, hetgeen verwerking behoeft om met een schone lei als ouders met elkaar verder te kunnen. Bij beide partijen leeft het gevoel dat de ander het niet goed met hem of haar voor heeft en dit leidt tot wantrouwen en strubbeling. Het hof behoeft niet te worden bericht omtrent de voortgang dan wel uitkomst van het traject en de zaak zal dan ook niet nader worden aangehouden, aangezien de uitkomst van voornoemd traject niet doorslaggevend is voor de onderhavige beslissing. De verwijzing naar de Combinatie bij deze kan derhalve volstaan.

Zorgregeling

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerdere

beslissing dienaangaande, alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.3.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot de kinderen dient te worden vastgesteld, doch het geschil ziet enkel op de verdeling van de kerstvakantie en het halen dan wel brengen van de kinderen op maandagmiddag.

Maandagmiddag

3.8.4.

Ten aanzien van de maandagmiddag neemt het hof tot uitgangspunt dat van beide ouders verwacht mag worden dat zij ieder een aandeel nemen in het halen en brengen van de kinderen. Het hof heeft geconstateerd dat er in de door partijen overeengekomen regeling veel wisselmomenten plaatsvinden, in verband met de verschillende sportactiviteiten van de kinderen, en dat de vader behoudens de maandag alle haal- en brengmomenten voor zijn rekening neemt, hetgeen wordt veroorzaakt doordat de kinderen hun sociale activiteiten hoofdzakelijk beleven in en rond [woonplaats van de moeder] , terwijl de vader in [woonplaats van de vader] woont. De vader hecht aan een kwaliteitsmoment op de maandag, hetgeen mogelijk wordt als de moeder de kinderen brengt. De moeder stelt hier tegenover dat zij niet (steeds) over een auto kan beschikken en dat er voor haar kosten aan verbonden zijn. De kosten die de moeder heeft te maken voor haar participatie in de haal- en brengregeling acht het hof niet (te) belastend. Dat de moeder op dit moment niet altijd de beschikking heeft over een auto op de maandag, is

wellicht lastig doch doet niet af aan het voorgaande en aan het belang van een evenwichtige verdeling tussen de ouders. Het gegeven dat de kinderen bij deze regeling op de maandagmiddag dan iets korter kunnen deelnemen aan sociale activiteiten dan eerder het geval was, acht het hof niet dusdanig belastend voor hen dat op die grond genoemd uitgangspunt verlaten zou moeten worden. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.

Kerstvakantie

3.8.5.

Ten aanzien van de verdeling van de kerstvakantie is het hof van oordeel dat het in het

belang van de kinderen wenselijk is dat zij de week van Kerst of de week van Oud en

Nieuw aaneensluitend bij een van de ouders verblijven ten behoeve van de nodige rust. Het belang dat de vader hecht aan het meemaken van familieactiviteiten op tenminste één van de twee Kerstdagen of oudjaarsdag of nieuwjaarsdag acht het hof daaraan ondergeschikt.

Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook vernietigen en opnieuw beslissen overeenkomstig het verzoek van de moeder.

3.9.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep gedeeltelijk vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover het betreft de verdeling van de zorg in de Kerstvakantie en het verzoek van de moeder op dit punt alsnog toewijzen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2016 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor wat betreft de verdeling van de zorgregeling ten aanzien van de kerstvakantie;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende de kerstvakantie in de even jaren aansluitend de eerste week bij de vader verblijven, waarbij de kinderen de kerstdagen bij de vader zullen verblijven en gedurende de tweede week aansluitend een week bij de moeder, waarbij de kinderen op Oud-en Nieuwjaarsdag bij de moeder verblijven, en in de oneven jaren andersom:

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en A.J. van de Rakt en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2016.

Verder lezen