ECLI:NL:GHSHE:2016:962 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 10-03-2016 / 200.175.744/01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 10 maart 2016

Zaaknummer: 200.175.744/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/290777 FA RK 14/7825

in de zaak in hoger beroep van:


[appellante]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. D.C.M. Smeulders-Martens,

tegen


[verweerder]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-de Jong.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 juli 2015.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 augustus 2015, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking met betrekking tot het bepaalde ten aanzien van de opgelegde voorlopige contactregeling tussen de vader en de kinderen te vernietigen en opnieuw rechtdoende een voorlopige zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben, terwijl zij eens per twee weken een weekend bij de vader doorbrengen en in het weekend dat zij niet naar de vader gaan, ook de vrijdagmiddag, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2015, heeft de vader verzocht de moeder in haar appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de moeder, bijgestaan door mr. Smeulders-Martens;

-

de vader, bijgestaan door mr. Dekkers-de Jong;

-

de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

de brief ingekomen op 9 september 2015, met als bijlagen het raadsrapport van 23 februari 2015 van de raad en de brief d.d. 4 maart 2015 met bijlagen van mr. Dekkers aan mr. Martens, toenmalig advocaat van de moeder, waaronder het commentaar van de vader op de raadsrapportage;

-

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 20 januari 2016.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 17 september 2010 met elkaar gehuwd.

Uit de relatie van partijen zijn geboren:

-

[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ;

-

[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

3.2.1.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig, totdat daarover nader is beslist, bepaald dat de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eenmaal per twee weken van zondag 19:00 uur tot zondag 19:00 uur, waarbij er telkens op maandag, woensdag en vrijdag telefonisch contact zal zijn tussen de kinderen en de ouder waar zij op dat moment niet verblijven, nader in onderling overleg door partijen te regelen.

Voorts heeft de rechtbank partijen verwezen naar de Stichting Kompaan en De Bocht voor een traject “ Ouderschap Blijft”, gericht op het houden van intensieve oudergesprekken.

De rechtbank heeft met hetgeen in de bestreden beschikking onder rechtsoverweging 3.9. is overwogen de zaak pro forma aangehouden tot 27 oktober 2015 en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De moeder voert, kort samengevat het volgende aan.

De moeder heeft in haar grief in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte de in de bestreden beschikking bepaalde voorlopige verdeling in het kader van de zorg- en opvoedingstaken heeft vastgesteld. De moeder voert daartoe aan dat deze regeling niet in het belang is van de kinderen. De kinderen hebben er volgens de moeder belang bij dat zij hun hoofdverblijf bij haar krijgen, zoals ook is gebleken uit het raadsrapport van 23 februari 2015.

De moeder maakt zich zorgen over de kinderen in de weken dat zij bij de vader verblijven.

Er is dan sprake van een hoog ziekteverzuim van [minderjarige 1] . Daarbij komt dat het gedrag van de kinderen, na een week bij de vader te zijn geweest, zorgelijk is. Zij maken een gespannen indruk en zijn overdreven aanhankelijk naar de moeder toe. Dit heeft volgens de moeder te maken met het feit dat de vader steeds de confrontatie zoekt met haar waar de kinderen bij zijn, zoals tijdens de overdrachtsmomenten en het telefonisch contact tussen de moeder en de kinderen.

Bovendien meent de moeder dat de vader moeite heeft met de dagelijkse zorg voor de kinderen. Door een stoornis in het autistisch spectrum heeft de vader er belang bij dat alles zo veel mogelijk in een strak ritme plaatsvindt. Daarbij komt dat hij een beperkt inlevingsvermogen heeft, waardoor de spanningen soms hoog op lopen.

[minderjarige 1] heeft volgens de moeder de wens om meer tijd met de moeder door te brengen. Daarnaast ziet de moeder bij [minderjarige 2] signalen dat hij moeite heeft met de bestaande co-ouderschapsregeling.

De moeder is derhalve van mening dat de rechtbank ten onrechte het advies van de raad heeft genegeerd en de, in de voorlopige voorzieningen opgelegde co-ouderschapsregeling, heeft laten voortduren.

3.5.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De vader heeft de grief van de moeder gemotiveerd betwist. Hij benadrukt daartoe dat de door de rechtbank vastgelegde omgangsregeling reeds meer dan een jaar loopt. Bovendien betwist hij de suggestie van de moeder dat de raad meent dat de huidige co-ouderschapsregeling niet in stand zou moeten blijven en dat de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder zouden moeten houden. Het standpunt van de raad is verouderd, aldus de vader. De kinderen hebben moeten wennen aan de situatie na echtscheiding. Inmiddels is de co-ouderschapsregeling een gegeven en functioneert deze prima volgens de vader.

Partijen zijn door de rechtbank doorverwezen naar Kompaan en de Bosch om hun communicatie te verbeteren, deze gesprekken zijn echter niet gestart in verband met de in het kader van het hoger beroep gestarte mediationtraject.

Volgens de vader hebben partijen deze gesprekken in het kader van de mediation als positief ervaren en zijn zij op bepaalde punten nader tot elkaar gekomen

Dat de moeder zich zorgen maakt over het feit dat [minderjarige 1] veel ziek was in de weken die zij bij de vader verbleef is door haar niet eerder geuit en volgens de vader gebruikt zij dit argument simpelweg in de procedure. Er is volgens de vader geen sprake van ziekteverzuim dat afwijkt van normaal.

Hoewel het klopt dat de vader een stoornis heeft vervult hij zijn rol als vader prima, deze mening is zijn psychiater ook toegedaan.

De moeder heeft iedere vorm van communicatie afgehouden en zij heeft eenzijdig besloten om de kinderen in te schrijven op haar nieuwe adres.

De vader kan zich niet verenigen met de contactregeling zoals de moeder deze ziet, de vader wil graag de huidige co-ouderschapsregeling handhaven. Voor zover het hof meent dat daarvoor geen basis is, stelt de vader zich op het standpunt dat het hoofdverblijf van de kinderen bij hem dient te zijn.

De vader betwist tot slot dat hij de confrontatie zou zoeken met de moeder. Hij doet dit niet en zeker niet in het bijzijn van de kinderen. Evenmin voert hij gesprekken met [minderjarige 1] over de echtscheidingsperikelen. De vader vindt de moeder een goede moeder en als zodanig spreekt hij geen kwaad over haar. Dit neemt niet weg dat de vader uitdrukkelijk meent dat het in het belang van de kinderen is om door hun beide ouders in gelijke mate te worden verzorgd en opgevoed.

3.6.

De raad heeft ter zitting geadviseerd om de bestaande voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te handhaven.

Zorgregeling

3.7.1.Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.7.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te worden vastgesteld.

3.7.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder en de vader de uitvoering van de voorlopig geldende omgangsregeling verschillend ervaren. De moeder heeft zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en op de wijze waarop zij reageren op het verblijf bij de vader. De vader heeft deze zorgen niet en acht een voortzetting van de huidige regeling in het belang van de kinderen.

De ouders zijn het erover eens dat de onderlinge communicatie niet optimaal is en, mede in het belang van de kinderen, dient te worden verbeterd.

3.7.4.

Verder is ter zitting van het hof naar voren gekomen dat het door de rechtbank geadviseerde traject bij Kompaan en de Bocht geen doorgang heeft gevonden. De moeder had inmiddels hoger beroep ingesteld en partijen hebben deelgenomen aan het in die procedure aangeboden mediationtraject welke traject in de visie van Kompaan en De Bocht niet samen kon gaan met hun eigen traject.

Het mediationtraject dat aangeboden is in de appelprocedure is uiteindelijk in januari 2016 beëindigd zonder overeenstemming.

3.7.5.

Met de raad ziet het hof in hetgeen door de moeder naar voren is gebracht geen aanleiding om op dit moment de tussen partijen bestaande zorg- en contactregeling, welke weliswaar al enige tijd loopt maar uitdrukkelijk nog onderwerp van onderzoek is en derhalve door de rechtbank voorlopig is vastgesteld, te wijzigen. Zulks is met partijen ter zitting besproken en door het hof is aan de ouders meegegeven om na de zitting bij het hof contact op te nemen met de Stichting Kompaan en de Bocht om het door de rechtbank uitgezette traject “Ouderschap Blijft “ weer op te pakken. De advocaat van de vader heeft daarop aangegeven dat zij in dat kader telefonisch contact zal opnemen om dit in gang te zetten.

3.7.6.

In onderling overleg is door partijen ter zitting van het hof wel een wijziging overeengekomen in de door de rechtbank bepaalde voorlopige regeling, te weten dat het wisselmoment zal worden gewijzigd naar de vrijdag om 18:00 uur.

3.7.7.

Het hof gaat ervan uit dat, zoals door de rechtbank in de bestreden beschikking is aangegeven, de advocaten de rechtbank zullen informeren over het verloop daarvan en wel binnen drie maanden na de onderhavige beschikking derhalve uiterlijk op 10 juni 2016.

3.7.8.

Bovenstaande leidt er toe dat het hof de beschikking van de rechtbank voor zover in hoger beroep aan het hof voorgelegd zal vernietigen doch alleen met betrekking tot dag en tijdstip van het wisselmoment.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 27 juli 2015 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met uitzondering van het daarbij vastgestelde wisselmoment en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt het moment waarop [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de ene ouder naar de andere ouder gaan op vrijdag 18.00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.R.M. van Leuven en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2016.