ECLI:NL:GHSHE:2017:1526 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-04-2017 / 15/01127

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 15/01127

Uitspraak op het hoger beroep van


[belanghebbende]
, wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 31 juli 2015, nummer AWB 14/3438 inzake het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft ten name van belanghebbende, met dagtekening 24 december 2013, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 opgelegd een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: de naheffingsaanslag) tot een bedrag van € 53.265 en bij beschikking een boete (hierna: de boete) van € 4.537, alsmede bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht (hierna: de beschikking heffingsrente) van € 7.470. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur bij zijn, in één geschrift vervatte, uitspraken van 16 mei 2014 afgewezen.

1.2.

Belanghebbende is van de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 165. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 248. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 februari 2017 te ’s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , als gemachtigde van belanghebbende (hierna, ook wel aangeduid als: de gemachtigde), alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en mevrouw [C] .

1.6.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is zelfstandig ondernemer en oefent een bedrijf in dierbenodigdheden uit. Het bedrijf is gevestigd op het woonadres van belanghebbende, te weten [adres 1] 40 te [woonplaats] . Ten behoeve van het bedrijf heeft belanghebbende een loods in gebruik gelegen aan de [adres 2] 8-B, [postcode 1] [plaats] .

2.2.

De Belastingdienst heeft in het bestand Beheer van Relaties sinds 8 oktober 2008 als woonadres van belanghebbende geregistreerd [adres 1] 40, [postcode 2] [woonplaats] .

In dat bestand is per 1 mei 2012 als “econ”- en “ICT”-adres van belanghebbende geregistreerd [adres 2] 8-B, [postcode 1] [plaats] .

2.3.

Bij brief van 8 november 2013, verzonden aan voornoemd economisch-adres van belanghebbende, deelt de Inspecteur mede, dat hij bij een controle van de aangifte inkomstenbelasting 2010 met de aangiften omzetbelasting van de afgelopen jaren een aansluitingsverschil van € 53.484 (Hof: bedoeld is € 53.265) heeft geconstateerd. Verder deelt de Inspecteur mede in verband met het niet tijdig betalen van dat verschil, een naheffingsaanslag met berekening van heffingsrente en een verzuimboete van 10% van de naheffingsaanslag te zullen opleggen.

In de bijlage bij de brief is het aansluitingsverschil als volgt gespecificeerd:

2010

voorgaand jaar

eerdere jaren

Verschuldigde omzetbelasting

volgens uw aangifte IH 2010

€ 0

-/- € 26.607

€ 53.265

Verschuldigde omzetbelasting

aangifte 4e kwartaal 2010

-/- € 219

Aansluitingsverschil

-/- € 219

-/- € 26.607

€ 53.265

Voorts is vermeld dat een negatief aansluitingsverschil betekent dat in een jaar waarschijnlijk te veel omzetbelasting is betaald, dat dat bedrag niet met de naheffingsaanslag wordt verrekend en dat belanghebbende de teveel aangegeven omzetbelasting zelf moet terugvragen.

In de brief wordt belanghebbende de gelegenheid geboden binnen twee weken te reageren indien de gegevens, waarmee het aansluitingsverschil is berekend, onjuist zijn. Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn niet gereageerd.

2.4.

Belanghebbende heeft een op 21 januari 2014 gedagtekende en aan zijn woonadres gezonden aanmaning (hierna: de aanmaning) ontvangen. De aanmaning noemt een aanslagnummer en betreft omzetbelasting over het tijdvak 2008. In de aanmaning is vermeld dat belanghebbende een betalingsachterstand heeft en dat op 7 januari 2014 het volledige bedrag van de naheffingsaanslag van € 65.272 door de Belastingdienst moest zijn ontvangen.

2.5.

Bij brief van 2 februari 2014 bevestigt (de gemachtigde van) belanghebbende de ontvangst van de, in kopie bijgevoegde, aanmaning en merkt op dat een eerder schrijven waarnaar in de aanmaning wordt verwezen nimmer door hem is ontvangen. Hij stelt dat de aanmaning een belastingschuld over het boekjaar 2008 betreft, welk jaar verjaard lijkt te zijn.

Op de door de Inspecteur als gedingstuk overgelegde kopie van de brief van 2 februari 2014 is met pen de volgende aantekening geplaatst:

“brief is naar econ. adres verzonden !!!”.

2.6.

Bij brief van 24 maart 2014 informeert de Inspecteur de gemachtigde dat de brief van 2 februari 2014 als bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van € 65.272 is aangemerkt. De Inspecteur verwijst naar de brief van 8 november 2013, herhaalt hetgeen daarin is vervat en constateert dat belanghebbende niet heeft gereageerd. Verder deelt hij mede dat de naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 24 december 2013 en dat op die datum het jaar 2008 nog niet was verjaard. Hieraan voegt hij toe dat op de kopie van de aanmaning vermeld zijn de laatste adresgegevens van belanghebbende die bij de Belastingdienst bekend zijn en dat onderzoek heeft uitgewezen dat geen adreswijziging bij de gemeente heeft plaatsgehad. De Inspecteur besluit zijn brief, dat hij voornemens is het bezwaar af te wijzen en de naheffingsaanslag in zijn geheel te handhaven. De Inspecteur stelt belanghebbende nog in de gelegenheid vóór 15 april 2014 aannemelijk te maken dat de eerder verzonden naheffingsaanslag niet is ontvangen.

2.7.

Bij brief van 23 april 2014 doet de Inspecteur de gemachtigde toekomen de motivering van de uitspraak op bezwaar, zoals deze al was verwoord in de brief van 24 maart 2014, en merkt daarbij op dat er vóór 15 april 2014 geen reactie van belanghebbende is ontvangen.

2.8.

In zijn brief van 22 april 2014 licht de gemachtigde toe dat hij, vanwege een vakantie, niet eerder kon reageren op de brief van 24 maart 2014. Hij merkt op dat belanghebbende de beide in de brief van 24 maart 2014 genoemde, volgens de Inspecteur in het jaar 2013 verzonden, brieven niet heeft ontvangen en verzoekt om toezending van de verzendbewijzen.

In zijn reactie van 30 april 2014 meldt de Inspecteur dat inmiddels uitspraak op bezwaar is gedaan en wijst belanghebbende op de mogelijkheid bij de Rechtbank beroep in te stellen.

2.9.

Tot de gedingstukken behoort een aangepast rapport van 14 augustus 2014, met bijlagen, van de heer [D] , behandelfunctionaris bij de Belastingdienst Centrale Administratie te Apeldoorn, waarin wordt gerapporteerd over zijn onderzoek naar de verzending van de naheffingsaanslag. Hierin is vermeld dat diverse computersystemen zijn geraadpleegd en dat daarin is waargenomen dat de naheffingsaanslag op naam van belanghebbende is geregistreerd, op 13 december 2013 is geselecteerd en op 17 december 2013 geregistreerd. Verder is geconstateerd dat de naheffingsaanslag is opgenomen in een van twee partijen documenten, de partij van 3.975 stuks, aangeduid met [E] [nummer 1] en generatienummer [nummer 2] , en de partij van 40.010 stuks, aangeduid met [E] [nummer 3] en generatienummer [nummer 4] , welke partijen op 20 december 2013 zonder problemen ter postverzending zijn aangeboden aan PostNL. Voorts is vermeld dat met PostNL is overeengekomen dat dergelijke partijen documenten worden bezorgd binnen 48 uur na aanbieding.

2.10.

Het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur niet als gedingstuk overgelegd. De Inspecteur heeft verklaard dat hij geen aanslagbiljet kan afdrukken. Aanslagbiljetten worden aangemaakt en dan aan de belastingplichtigen verzonden door de Centrale Administratie te Apeldoorn. De Inspecteur kan alleen uit het computersysteem een zogenoemde schermafdruk met cijfermatige gegevens van de naheffingsaanslag afdrukken. Aan de hand van de gegevens in het computersysteem zou de Inspecteur wel zelf een kopie in het stramien van het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag kunnen opmaken en inzenden.

2.11.

Belanghebbende heeft een “BTW berekening 2008” opgesteld, waaruit volgt dat over het jaar 2008 aan omzetbelasting nog een bedrag van € 32.983 verschuldigd was, en daarbij vermeld dat het verschil met het nageheven bedrag op andere jaren betrekking heeft.

De Inspecteur stemt in met de vermindering van de naheffingsaanslag tot € 32.983.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Na de verklaring van de Inspecteur ter zitting dat de boete dient te vervallen is tussen partijen nog in geschil het antwoord op de volgende vragen:

I Dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd, omdat de naheffingsaanslag niet tijdig is opgelegd, dan wel omdat het naheffingstijdvak onjuist is vastgesteld?

II Komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van proceskosten?

Belanghebbende is van mening, dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur inzake de naheffingsaanslag, alsmede van de naheffingsaanslag en toekenning van een kostenvergoeding voor de gerechtelijke procedures. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraken op bezwaar inzake de naheffingsaanslag en de boete, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 32.983, vernietiging van de boetebeschikking en wijst een proceskostenvergoeding af.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

De naheffingsaanslag

4.1.

Belanghebbende stelt in relatie tot de naheffingsaanslag in het jaar 2013 geen poststukken van de Belastingdienst te hebben ontvangen. Hetgeen, aldus belanghebbende, zijn oorzaak vindt in het systeem van postverzending en adressering bij de Belastingdienst. Belanghebbende wijst op de brief van 8 november 2013, die hem bekend is geworden als gedingstuk bij het op 31 juli 2014 bij de Rechtbank ingediende verweerschrift. Hij heeft deze brief niet per post ontvangen vanwege de onjuiste adressering, de brief is niet gezonden naar het volgens de Belastingdienst te hanteren woonadres van belanghebbende. Voorts stelt hij de naheffingsaanslag niet te hebben ontvangen en dat een te late of niet-bezorging van niet- aangetekend verzonden post voor risico van de Inspecteur komt, omdat hij heeft gekozen de naheffingsaanslag met een dagtekening van 24 december 2013 op een dusdanig laat moment en tijdens de voor PostNL drukke Kerst- en Nieuwjaarsperiode te verzenden. Belanghebbende heeft berekend dat bij een 48-uurs bezorging van een poststuk op 24 december 2013, gelet op de zon- en feestdagen, ontvangst van dat poststuk pas op 31 december 2013 mogelijk zou kunnen zijn geweest.

4.2.

De Inspecteur betoogt dat de naheffingsaanslag tijdig is opgelegd en verzonden. Hieraan voegt hij toe dat voor de adressering van de naheffingsaanslag net als van de aanmaning gebruik wordt gemaakt van het geautomatiseerde systeem, waaruit het woonadres van belanghebbende volgt. De brief van 8 november 2013 is handmatig aangemaakt en daarbij is een ander adres gehanteerd. Voorts wijst de Inspecteur op de (aangepaste) rapportage van 14 augustus 2014 en concludeert dat met de postaanbieding op 20 december 2013 en de met PostNL afgesproken 48-uur postbezorging de naheffingsaanslag tijdig zal zijn bezorgd. Verder voert de Inspecteur aan dat belanghebbende bekend is met het nog verschuldigde bedrag aan omzetbelasting, omdat dat bedrag als balansschuld uit de jaarcijfers blijkt.

4.3.

De Rechtbank heeft overwogen:

“Bekendmaking naheffingsaanslag

4.3.

De rechtbank acht op grond van de stukken aannemelijk dat de inspecteur met dagtekening 24 december 2013 de onderhavige naheffingsaanslag heeft vastgesteld in het geautomatiseerd proces van de Belastingdienst. Tevens acht de rechtbank aannemelijk dat het woonadres van belanghebbende dat binnen dat geautomatiseerde proces in het systeem “Beheer van Relaties” is geregistreerd vanaf 8 oktober 2008 “ [adres 1] 40, [postcode 2] [woonplaats] ” is.

4.4.

Op grond van de door de inspecteur overgelegde rapport van de Belastingdienst / Centrale Administratie te Apeldoorn van 14 augustus 2014, betreffende de verzending van de naheffingsaanslag met aanslagnummer [aanslagnummer] , is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur tegenover de betwisting van belanghebbende, aannemelijk heeft gemaakt dat die naheffingsaanslag op 20 december 2013 ter verzending is aangeboden aan PostNL. Uit die rapportage blijkt immers dat de naheffingsaanslag is aangemaakt en dat deze deel uitmaakte van bestelnummers [nummer 1] - [nummer 2] en [nummer 3] - [nummer 5] . Tevens blijkt uit dat rapport dat deze ordernummers zonder problemen volledig zijn geleverd aan PostNL. Uit het gegeven dat sinds 8 oktober 2008 “ [adres 1] 40, [postcode 2] [woonplaats] ” als belanghebbendes woonadres is geregistreerd leidt de rechtbank af dat de naheffingsaanslag aan dat adres is verzonden.

4.5.

Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de door hem overgelegde rapport van 14 augustus 2014 en de systeemuitdraaien aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag tijdig is verzonden. De rechtbank acht tevens aannemelijk dat de naheffingsaanslag naar het juiste adres is verzonden. Het feit dat de inspecteur ook brieven ten behoeve van belanghebbende die niet via Apeldoorn zijn verzonden, heeft verzonden naar het bedrijfsadres aan de [adres 2] in [plaats] , doet aan dat oordeel niet af. De rechtbank is tevens van oordeel dat de naheffingsaanslag dan binnen de uiterste termijn van artikel 20 van de AWR is vastgesteld en bekendgemaakt.”

4.4.

Het Hof is van oordeel dat de Rechtbank met deze overwegingen op goede gronden terecht heeft beslist dat de naheffingsaanslag tijdig is vastgesteld en bekendgemaakt en het Hof maakt deze gronden tot de zijne.

4.5.

Aan het onder 4.3 en 4.4 overwogene voegt het Hof het volgende toe. Van het onderzoek van de heer [D] heeft de Inspecteur het rapport en het aangepaste rapport, beide van 14 augustus 2014, overgelegd. In het eerstgenoemde rapport worden met betrekking tot de partij van 3.975 stuks verschillende zogenoemde [E] -gegevens vermeld en is van het ter postverzending aan PostNL aanbieden als datum “24-010-2013” genoemd. Ter zitting heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof geloofwaardig verklaard dat het aangepaste rapport de correcte gegevens vermeld en dat de naheffingsaanslag op 20 december 2013 ter postverzending is aangeboden. Het Hof heeft geen reden aan deze verklaring te twijfelen en handhaaft het oordeel dat de naheffingsaanslag tijdig is vastgesteld en bekendgemaakt.

4.6.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een bedrag van € 32.983 aan omzetbelasting niet tijdig heeft betaald.

4.7.

Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, omdat, naar het Hof begrijpt, het initieel daarbij nageheven bedrag aan omzetbelasting ten bedrage van € 53.265 deels betrekking heeft op niet voldane omzetbelasting over tijdvakken buiten het in de naheffingsaanslag begrepen tijdvak van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008.

De Inspecteur betwist dat de naheffingsaanslag om deze reden dient te worden vernietigd.

4.8.

Het Hof stelt voorop dat de vermelding van het tijdvak van naheffing op het aanslagbiljet van de naheffingsaanslag, zoals dat in het onderhavige geval kenbaar is uit het biljet van de uitspraak op bezwaar van 16 mei 2014, een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de naheffingsaanslag en dat niet kan worden toegestaan dat belasting, verschuldigd wegens feiten gelegen buiten dat tijdvak, in de naheffingsaanslag worden begrepen (vgl. onder andere HR 17 maart 2006, nr. 41.558, ECLI:NL:HR:2006:AV5028, BNB 2006/223). Dit betekent dat in de naheffingsaanslag alleen bedragen aan belasting mogen zijn begrepen die betrekking hebben op het tijdvak waarin de daaraan ten grondslag liggende feiten zich hebben voorgedaan. Met de vermindering van de nageheven omzetbelasting tot de over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 niet tijdig betaalde omzetbelasting van € 32.983 wordt aan dit vereiste voldaan. Voor een verdere vermindering van de aanslag bestaat geen aanleiding.

4.9.

Het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag is aan de Inspecteur.

Proceskostenvergoeding

4.10.

De Inspecteur betoogt dat belanghebbende alleen in aanmerking komt voor een vergoeding van de proceskosten als de naheffingsaanslag wordt vernietigd. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende pas kort voor de zitting bij de Rechtbank gegevens heeft verstrekt aangaande de over het tijdvak 2008 nog verschuldigde omzetbelasting en dat belanghebbende het aan zichzelf heeft te wijten dat de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd. Wat er zij van dit standpunt, de Inspecteur heeft ter zitting bij het Hof verklaard dat de boete dient te vervallen en reeds daarmee faalt het betoog van de Inspecteur.

4.11.

Het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag is aan belanghebbende.

Het Hof zal aan belanghebbende een vergoeding van de proceskosten voor de gerechtelijke procedures verlenen zoals hierna is vermeld.

Slotsom

4.12.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de naheffingsaanslag tijdig is vastgesteld en bekendgemaakt. Maar, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, worden de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Daarnaast komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten van beroep en van hoger beroep.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 165 respectievelijk € 248, in totaal € 413, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt de tegemoetkoming in deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), vast, voor het beroep bij de Rechtbank, op 1,5 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 742,50 en voor het hoger beroep bij het Hof, op 2 (punten wegens proceshandelingen) x € 495 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 990, is tezamen € 1.732,50.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

-

verklaart het hoger beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

-

verklaart de bezwaren gegrond;

-

vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 32.983 aan omzetbelasting;

-

vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

-

vernietigt de boetebeschikking;

-

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze bij de Rechtbank en bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 413, vergoedt; en

-

veroordeelt de Inspecteur in een tegemoetkoming in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van in totaal € 1.732,50.

Aldus gedaan op 6 april 2017 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en W.A. Sijberden, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.