ECLI:NL:GHSHE:2017:1626 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 13-04-2017 / 16/00081 tot en met 16/00085

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 16/00081 tot en met 16/00085

Uitspraak op het hoger beroep van


[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 december 2015, nummers AWB 15/1046 tot en met 15/1050 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden informatiebeschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Met dagtekening 10 juni 2014 is aan belanghebbende een informatiebeschikking uitgereikt (hierna: de informatiebeschikking) zoals bedoeld in artikel 52a, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) met betrekking tot de heffing van inkomstenbelasting/ premieheffing volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2009 tot en met 2012 en de heffing van omzetbelasting voor tijdvakken vallend in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013.

1.2.

De informatiebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, voor zover deze ziet op de IB/PVV voor de jaren 2009 tot en met 2011 en omzetbelasting voor tijdvakken vallend in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013, bij uitspraak van de Inspecteur gedagtekend 6 januari 2015, gehandhaafd. Het bezwaar tegen het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012 is gegrond verklaard en de informatiebeschikking is voor zover het bedoeld deel betreft bij dezelfde uitspraak op bezwaar vervallen verklaard.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 24 maart 2017 te ‘s‑Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens de Inspecteur, [A] en [B] . Belanghebbende is, middels de op 17 februari 2017 aangetekend naar het adres [adres] 104, [postcode] in [plaats] verstuurde brief, opgeroepen om ter zitting te verschijnen, maar is niet verschenen. Hij heeft middels zijn brief gedagtekend 22 maart 2017, welke per fax door het Hof is ontvangen op 23 maart 2017, om uitstel van de zitting verzocht met als reden dat hij lichamelijk en geestelijk niet in staat is ter zitting te verschijnen. De griffier heeft belanghebbende daarop telefonisch verzocht een doktersattest te overleggen waaruit blijkt dat zijn gezondheidstoestand zodanig is dat hij niet in staat is op de zitting te verschijnen. Belanghebbende heeft dit attest, alhoewel door hem toegezegd, niet overgelegd. Het Hof heeft belanghebbendes verzoek om uitstel afgewezen. Niet is gebleken dat belanghebbende op de geplande zittingsdatum niet in staat was om op de zitting te verschijnen.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting stelt het Hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

2.1.

Belanghebbende heeft gedurende de periode 2009 tot medio 2013 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak gedreven, onder de naam ‘ [bedrijf 1] ’. De ondernemingsactiviteiten bestonden uit in- en verkoop van handtassen en kleding. Medio 2013 heeft belanghebbende deze activiteiten gestaakt en is de handelsnaam van de eenmanszaak gewijzigd in ‘ [bedrijf 2] ’. De ondernemingsactiviteiten zijn medio 2013 gewijzigd naar de handel in schoonmaakartikelen.

2.2.

De controleambtenaar heeft op 22 april 2014, bevestigd middels een brief met dagtekening 24 april 2014, belanghebbende in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 23 mei 2014 de administratie van ‘ [bedrijf 1] ’ opnieuw op te zetten. Bij brief met dagtekening 26 mei 2014 heeft de controleambtenaar bevestigd dat het boekenonderzoek op 5 juni 2014 zou worden voortgezet. Uit het rapport (paragraaf 2.3.1) blijkt dat belanghebbende geen gereconstrueerde administratie van zijn eenmanszaak heeft aangeleverd bij de Belastingdienst.

2.3.

Bij belanghebbende is in de periode april tot en met juli 2014 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting voor de jaren 2009 tot en met 2013 en de aangiften omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. Betreffende dit onderzoek heeft de controleambtenaar met dagtekening 28 juli 2014 een rapport opgesteld (hierna: het rapport) en hierin staat onder meer:

2.3 Administratie

[belanghebbende] verzorgt de dagelijkse administratie. Op basis van persoonlijke omstandigheden heeft [belanghebbende] de gehele financiële administratie een aantal jaren geleden geheel vernietigd. Van deze administratie zijn ook geen back-ups aanwezig. Wij hebben [belanghebbende] een redelijke termijn gegeven om de financiële administratie opnieuw op te stellen. Hij is hierin echter niet geslaagd.

2.3.1

Administratieplicht (artikel 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen) en bewaarplicht (artikel 52, lid 4 Algemene wet inzake rijksbelastingen)

De belastingplichtige heeft niet voldaan aan de administratie- en bewaarplicht. Geen enkel onderdeel van de administratie kon ons getoond worden. Op basis hiervan is op 10 juni 2014 een informatiebeschikking wegens niet voldaan aan art. 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen aan [belanghebbende] verzonden.

(…)

4 Omzetbelasting

4.1

Algemeen

[belanghebbende] heeft verklaard, dat hij de gehele financiële administratie van [bedrijf 1] vernietigd heeft. Alhoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] geen enkel onderdeel van de administratie kunnen reconstrueren. Geen enkele factuur dan wel bankafschrift kon ons getoond worden. (…)’.

2.4.

Met dagtekening 10 juni 2014 heeft de Inspecteur de informatiebeschikking genomen wegens het niet voldoen aan de administratieplicht van artikel 52, van de AWR. Belanghebbende heeft hiertegen op 19 juli 2014 bezwaar gemaakt. Op 14 oktober 2014 is belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure gehoord; de verslaglegging hiervan is gedagtekend 21 oktober 2014 en hieruit blijkt dat belanghebbende contact heeft opgenomen met het hoofdkantoor van inkooporganisatie [bedrijf 2] in Duitsland teneinde stukken boven water te krijgen. Op 13 november 2014 stuurt belanghebbende aan de Inspecteur afschriften van een aantal facturen van [bedrijf 2] , geadresseerd aan belanghebbende en betreffende inkopen die belanghebbende in 2013 heeft gedaan bij [bedrijf 2] .

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 6 januari 2015 heeft de Inspecteur het bezwaar tegen het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012 gegrond verklaard. De Inspecteur heeft de overige bezwaren tegen de informatiebeschikking ongegrond verklaard. Belanghebbende komt van deze uitspraak in beroep bij de Rechtbank. In diens beroepschrift merkt belanghebbende op dat hij door omstandigheden maar gedeeltelijk aan de bewaarplicht heeft voldaan. Voorts stuurt belanghebbende medio september 2015 aan de Rechtbank een tweetal afschriften van facturen van [bedrijf 2] , gedagtekend 21 december 2013 en geadresseerd aan belanghebbende, betreffende inkopen die belanghebbende in 2013 heeft gedaan bij [bedrijf 2] .

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de informatiebeschikking terecht is genomen. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de informatiebeschikking, alles, naar het Hof begrijpt, voor zover het betreft de IB/PVV 2009 tot en met 2011 en omzetbelasting over tijdvakken vallend in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de informatiebeschikking betrekking heeft op de IB/PVV voor de jaren 2009 tot en met 2011 en omzetbelasting voor de tijdvakken vallend in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1.

De Inspecteur heeft de informatiebeschikking uitgereikt aan:

‘ [bedrijf 1]

[belanghebbende]

[adres] 104

[postcode] [plaats] ’

Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de informatiebeschikking enkel van toepassing is op de activiteiten van belanghebbende binnen diens onderneming ‘ [bedrijf 1] ’.

4.2.

Blijkens de onder 2.5 vermelde uitspraak op bezwaar is het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012 komen te vervallen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende voor dat deel van de informatiebeschikking (met betrekking tot de IB/PVV 2012) door het hoger beroep niet in een betere positie kan komen te verkeren. Belanghebbende is dan ook niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012.

Ten aanzien van het geschil

4.3.

Artikel 52, van de AWR luidt voor zover hier van belang als volgt:

1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2.Administratieplichtigen zijn:

a. (…);

b.natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genieten;

c. (…);

d.natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen 3.91, 3.92 en 3.92b van de Wet inkomstenbelasting 2001 verrichten.

3. (…)

4.Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

5.De op een gegevensdrager aangebrachte gegevens, uitgezonderd de op papier gestelde balans en staat van baten en lasten, kunnen op een andere gegevensdrager worden overgebracht en bewaard, mits de overbrenging geschiedt met juiste en volledige weergave der gegevens en deze gegevens gedurende de volledige bewaartijd beschikbaar zijn en binnen redelijke tijd leesbaar kunnen worden gemaakt.

6.De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.’.

4.4.

De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende gedurende de jaren 2009 tot en met 2013 een onderneming heeft gedreven, in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende is dan met betrekking tot genoemde jaren aan te merken als administratieplichtige als bedoeld in artikel 52, van de AWR. Dit brengt, gelet op voornoemd artikel mee dat belanghebbende gehouden is van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde belanghebbendes rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Voorts is belanghebbende als dan verplicht de gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren en dient de administratie zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en dienen de gegevensdragers zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat belanghebbende over de jaren 2009 tot en met 2013 geen administratie heeft overgelegd betreffende zijn eenmanszaak (onderdelen 2.2 en 2.5). Dat leidt tot het oordeel dat belanghebbende met betrekking tot genoemde jaren, aangaande de onderneming ‘ [bedrijf 1] ’, de verplichtingen die voor hem ten aanzien van de heffing van IB/PVV en omzetbelasting voortvloeien uit artikel 52, van de AWR niet heeft nageleefd. Hierdoor is de in het zesde lid van genoemd artikel bedoelde controle door de inspecteur in het geheel niet mogelijk gebleken.

4.6.

Gelet op de conclusie weergegeven in onderdeel 4.5 heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aangaande de onderneming ‘ [bedrijf 1] ’ de informatiebeschikking terecht genomen. Daarbij staat, gelet op het ontbreken van de administratie en de daaruit volgende onmogelijkheid voor de Inspecteur om tot een juiste bepaling van belanghebbendes omzet en winst te komen, de sanctie van verzwaring en omkering van de bewijslast in een redelijke verhouding tot het gepleegde verzuim.

4.7.

De Rechtbank heeft geoordeeld (rechtsoverweging 2.7) dat zij het niet zinvol acht, gezien de aard van de tekortkomingen, om belanghebbende een herstelmogelijkheid te bieden. Gelet op het feit (onderdeel 2.2) dat belanghebbende de financiële administratie van zijn onderneming ‘ [bedrijf 1] ’ een aantal jaren geleden geheel heeft vernietigd en voorts van deze administratie geen back-up(s) heeft gemaakt, acht het Hof dit oordeel van de Rechtbank juist en acht het daarom eveneens niet zinvol om belanghebbende een herstelmogelijkheid te bieden.

Slotsom

4.8.

De slotsom luidt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012 en dat de uitspraak van de Rechtbank op dit punt dient te worden vernietigd. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Nu de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk vernietigd wordt wegens een dictumfout van de Rechtbank, bepaalt het Hof met toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb, dat het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 124, door de griffier van het Hof aan belanghebbende wordt terugbetaald. Het Hof zal deze vergoeding toekennen in de zaak met kenmerknummer 16/00084.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof:

Ten aanzien van kenmerk 16/00081

-

Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond;

-

Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2009 (kenmerk Rechtbank: BRE 15/1046).

Ten aanzien van kenmerk 16/00082

-

Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond,

-

Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2010 (kenmerk Rechtbank: BRE 15/1047).

Ten aanzien van kenmerk 16/00083

-

Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond,

-

Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2011 (kenmerk Rechtbank: BRE 15/1048).

Ten aanzien van kenmerk 16/00084

-

Verklaart het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk,

-

Vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012 (kenmerk Rechtbank: BRE 15/1049),

-

Verklaart het beroep niet-ontvankelijk,

-

Bevestigt de uitspraak van de Inspecteur voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de IB/PVV 2012,

-

Gelast dat de griffier aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt.

Ten aanzien van kenmerk 16/00085

-

Verklaart het hoger beroep van belanghebbende ongegrond,

-

Bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft het deel van de informatiebeschikking dat ziet op de omzetbelasting over de tijdvakken vallend in de periode 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013, betrekking hebbend op de onderneming ‘ [bedrijf 1] ’ (kenmerk Rechtbank: BRE 15/1050).

Aldus gedaan op 13 april 2017 door P.J.J. Vonk, voorzitter, A.J. Kromhout en J.W. Verstraate, leden, in tegenwoordigheid van A. Muller, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH

’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.