ECLI:NL:GHSHE:2017:1922 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 04-05-2017 / 15/01050, 15/01051 en 15/01052

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 15/01050, 15/01051 en 15/01052

Uitspraak op de hoger beroepen van


[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 1 juli 2015, nummers AWB 14/2067, AWB 14/2068 en AWB 14/2069, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende hierna te noemen aanslagen en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 3.660 en is bij beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 367. Voorts is aan belanghebbende voor het jaar 2009 een navorderingsaanslag Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd naar een te betalen bedrag van € 723 en is bij beschikking een bedrag aan heffingsrente in rekening gebracht van € 72. Tot slot is aan belanghebbende voor het jaar 2010 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een te betalen bedrag van nihil, waarbij is afgeweken van de aangifte en het aangegeven verzamelinkomen is gecorrigeerd van € 0 naar € 7.506. Na tegen genoemde belastingaanslagen en beschikkingen gemaakt bezwaar is bij uitspraken op bezwaar van de Inspecteur de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2009 verminderd tot een bedrag van € 0 en is de beschikking heffingsrente vernietigd, is de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2009 verminderd tot een te betalen bedrag van € 670 en is de beschikking heffingsrente verminderd tot een te betalen bedrag van € 67, en is ter zake van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 het verzamelinkomen verlaagd tot een van negatief € 17.547 en is het verlies over het jaar 2010 vastgesteld op € 17.547.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van de beroepen heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende per beroep een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van die beroepen heeft de griffier van belanghebbende in de zaak met het hofkenmerk 15/01050 een griffierecht geheven van € 123.

De Inspecteur heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 20 januari 2017 te ‘s-Hertogenbosch. Gelijktijdig zijn de zaken van belanghebbende en die van zijn echtgenote, mevrouw [echtgenote] , (hierna: zijn echtgenote) (hofkenmerken 15/01038 tot en met 15/01040) behandeld.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] en mevrouw [C] .

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek in alle zaken gesloten.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in de zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende drijft een administratie- en advieskantoor. Hij drijft de onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma (hierna: de VOF) met zijn echtgenote. Belanghebbende en zijn echtgenote zijn beiden voor 50% gerechtigd tot de winst van de VOF. Naast de activiteiten in de VOF vinden administratie- en adviesactiviteiten plaats in [bedrijf] B.V. (hierna: de BV). De VOF en de BV worden hierna tezamen aangeduid als de onderneming.

2.2.

Eind jaren ’80, beginjaren ’90, hebben belanghebbende en zijn echtgenote een onroerende zaak laten bouwen, bestaande uit een woonhuis, [adres 1] 10-A te [woonplaats] , en een kantoorgedeelte, [adres 1] 10 te [woonplaats] (woonhuis en kantoorgedeelte tezamen hierna: de onroerende zaak). De onderneming werd uitgeoefend op het adres [adres 1] 10 te [woonplaats] . Belanghebbende en zijn echtgenote woonden, in de onderhavige jaren, op het adres [adres 1] 10-A.

Bij ingebruikneming van de onroerende zaak is het kantoorgedeelte, welke 35% van de waarde van de onroerende zaak vormt, aangemerkt als ondernemingsvermogen en het woongedeelte als privévermogen. De onroerende zaak is gefinancierd met vreemd vermogen. Aan het kantoorgedeelte is 35% van de destijds afgesloten hypotheek, zijnde € 58.991, toegerekend.

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben omstreeks het jaar 2014 de onroerende zaak met een fors verlies moeten verkopen, omdat zij niet langer aan hun verplichtingen konden voldoen.

2.3.

In de loop der jaren is de hypotheek gevestigd op de onroerende zaak fors toegenomen. Op 11 februari 2008 is een hypotheek op de onroerende zaak gevestigd van € 445.000. Met die verkregen hypothecaire lening zijn kredieten, leningen en de reeds op de onroerende zaak gevestigde hypotheek afgelost.

In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2009 en 2010 heeft belanghebbende een bedrag van respectievelijk € 26.478 en € 26.483 als betaalde rente en kosten geldleningen eigen woning in aftrek gebracht.

2.4.1.

In het jaar 2012 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2007 tot en met 2010 van belanghebbende en zijn echtgenote en naar de aangiften omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010. Naar aanleiding van dat onderzoek zijn diverse correcties voorgesteld, welke onder meer hebben geresulteerd in aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2009 (hierna tezamen ook als: de navorderingsaanslagen) en een aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 (hierna: de aanslag), waarbij is afgeweken van de aangifte.

2.4.2.

Tijdens het boekenonderzoek heeft de Inspecteur geconstateerd dat de volgende hypothecaire leningen o/g per 31 december 2010 op de balans van de VOF waren opgenomen:

- Hypotheek Rabobank [nummer 1] , groot € 58.991;

- Hypotheek [nummer 2] , groot € 10.259;

- Hypotheek Zwitserleven [nummer 3] (hierna: de lening Zwitserleven), groot € 112.996.

De Inspecteur heeft vastgesteld dat de verantwoording van deze leningen niet overeenstemde met de feiten, omdat de hypotheek Rabobank, groot € 58.991 en de hypotheek, groot € 10.259, inmiddels waren afgelost middels de verstrekking van een nieuwe hypothecaire lening van Hypotrust, [nummer 4] (hierna: de lening Hypotrust), groot € 455.000.

De Inspecteur heeft het totaal bedrag van voornoemde hypothecaire leningen als privévermogen aangemerkt, behoudens het oorspronkelijk aan het kantoorgedeelte toegerekende bedrag van € 58.991. De rente betrekking hebbende op de door de Inspecteur als privévermogen geëtiketteerde hypothecaire leningen zijn bij het bepalen van de winst van de VOF gecorrigeerd (2009: € 2.675, 2010: € 3.100).

2.4.3.

Voorts heeft de Inspecteur een drietal leningen die door cliënten aan de VOF zouden zijn verstrekt, en die door belanghebbende en zijn echtgenote als vreemd vermogen van de VOF zijn aangemerkt, als privévermogen aangemerkt. Het betreffen leningen die zouden zijn verstrekt door;

- de heer [D] (hierna: [D] ), groot € 60.000;

- de heer [E] (hierna: [E] ), groot € 25.000;

- de heer [F] (hierna: [F] ), groot € 10.000.

2.5.1.

Belanghebbende is tegen de, naar aanleiding van de hierboven beschreven bevindingen, opgelegde navorderingsaanslagen en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 in bezwaar gekomen, waarna belanghebbende met de Inspecteur in gesprek is geraakt. Als resultaat van deze gesprekken is een vaststellingsovereenkomst gesloten. Partijen bij de vaststellingsovereenkomst zijn de BV, belanghebbende, zijn echtgenote en de Inspecteur.

2.5.2.

In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat het aanbod van de Inspecteur geldt tot 17 januari 2014. Bij schrijven van 23 januari 2014 deelt belanghebbende de Inspecteur mede dat hij, mede namens de BV en zijn echtgenote, de vaststellingsovereenkomst aan de Inspecteur doet toekomen. Bij schrijven van 30 januari 2014 stuurt de Inspecteur belanghebbende de ondertekende vaststellingsovereenkomst retour. Als datum van ondertekening is vermeld 29 januari 2014; de vaststellingsovereenkomst is ondertekend door belanghebbende, namens zichzelf en de BV, door zijn echtgenote, en, namens de Inspecteur door [G] en [H] .

2.5.3.

Voor zover in hoger beroep relevant, heeft de vaststellingsovereenkomst betrekking op de (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 2007 tot en met 2010. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer overeengekomen dat de door de Inspecteur aangebrachte rentecorrecties van € 2.675 voor het jaar 2009 en € 3.100 voor het jaar 2010 komen te vervallen, dat deze vermindering voor 50% ten goede komt aan belanghebbende en voor 50% aan zijn echtgenote en dat de correcties die door de controlerend ambtenaar zijn aangebracht op het eigen vermogen van de firmanten zoals die staan op de balans van de VOF komen te vervallen.

2.5.4.

In het onder 2.5.2 vermelde schrijven van 23 januari 2014 van belanghebbende heeft belanghebbende een voorbehoud gemaakt, namelijk:

‘Voor de IB zijn de drie opgenomen leningen van klanten zakelijke leningen. De rente daarvoor is dan ook zakelijke onkosten. De nog niet in de winst en verliesrekening geboekte rente mag alsnog geboekt worden in jaarrekening van het betreffende jaar of van 2014. Op dit punt doe ik dus een verzoek om de nog niet ingevoerde en niet betaalde rente over deze leningen van klanten in aftrek te brengen. Dit is dus in feite een voorbehoud voor de vaststellingsovereenkomst.

De hypotheekrente is in zijn geheel aftrekbaar. Een deel in de onderneming en een deel bij het punt inkomsten uit eigen woning.’

2.5.5.

In het eveneens onder 2.5.2 vermelde schrijven van 30 januari 2014 van de Inspecteur reageert de Inspecteur op het schrijven van 23 januari 2014 door, voor zover te dezen van belang, te schrijven:

‘Voorts verzoek ik u een overzicht te geven van de rentekosten (per jaar) die u alsnog wil opvoeren. De regels van goedkoopmansgebruik zijn beslissend voor de vraag in welk jaar de rentelast moet of kan worden genomen.

Voorts wil ik nog opmerken dat in de kostensfeer de foutenleer niet van toepassing is.

(…)

Wanneer ik de aanvullende informatie omtrent de rentekosten heb ontvangen, dan zal ik dit eventueel meegenomen kunnen worden met de afwerking van de bezwaarschriften inkomstenbelasting.’

2.6.

Gedagtekend 29 maart 2014, 12 april 2014 en 14 april 2014 doet de Inspecteur uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2009, de navorderingsaanslag IB/PVV 2009 respectievelijk de aanslag IB/PVV 2010.

2.7.

Gedagtekend 30 en 31 maart 2014 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraken op bezwaar. Blijkens de beroepschriften zijn de beroepen ingesteld, omdat nog geen rekening is gehouden met aftrekbare rente verschuldigd dan wel betaald ter zake van ‘enkele leningen (die) geëtiketteerd zouden blijven als zakelijke leningen’.

2.8.1.

Nadat de beroepen zijn ingesteld hebben partijen, in het bijzonder de Inspecteur, gepoogd een gang naar de rechter te vermijden. De Inspecteur heeft belanghebbende en haar echtgenoot meerdere keren in de gelegenheid gesteld om inzichtelijk te maken tot welke bedragen de VOF rente verschuldigd is aan [D] , [E] en [F] in de jaren 2007 tot en met 2010, teneinde deze rente alsnog in aanmerking te nemen.

2.8.2.

Op 14 april 2014, twee weken na het instellen van de beroepen door belanghebbende, neemt de Inspecteur contact op met belanghebbende inzake de onder 2.8.1 vermelde rente. Gedagtekend 19 april 2014, ingekomen bij de Inspecteur op 25 april 2014 stuurt belanghebbende de Inspecteur een overzicht van de rente voor het jaar 2008. Uit dit overzicht blijkt niet tot welke bedragen de VOF aan [D] , [E] en [F] rente verschuldigd is.

Op 15 mei 2014 bevestigt de Inspecteur dat op 20 juni 2014 een boekenonderzoek zal worden ingesteld om zodoende, op het kantoor van belanghebbende, te beoordelen of, en zo ja tot welke bedragen, over de jaren 2007 tot en met 2011 rente in aanmerking kan worden genomen.

2.8.3.

Op 20 juni 2014 heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek plaatsgevonden. Van dit onderzoek is een verslag opgemaakt. Uit dat verslag blijkt dat ter discussie staan de lening Hypotrust, de lening Zwitserleven en de leningen verschuldigd aan [D] , [E] en [F] .

In het verslag is vermeld dat belanghebbende zich niet goed op het boekenonderzoek heeft voorbereid. Vastgesteld wordt dat er verschillen zijn tussen zakelijke schulden zoals die blijken uit de jaarstukken en de zakelijke schulden, zoals verantwoord in de aangiften. Voorts kan belanghebbende tijdens het boekenonderzoek niet de verschillen verklaren tussen de ten laste van de winst gebrachte rente en de rente, zoals die is opgenomen op de renteoverzichten.

2.8.4.

Tijdens het boekenonderzoek komt aan het licht dat belanghebbende een procedure heeft lopen tegen (enkele van) zijn broers en zussen inzake de erfenis van zijn overleden vader. Een succesvol verloop van die procedure zou de financiële zorgen van belanghebbende in hoge mate verlichten en hem in staat stellen om zijn schuld aan de Ontvanger van, naar belanghebbende stelt, ongeveer € 80.000 te voldoen. In dat geval overweegt belanghebbende zijn beroep tegen de onderhavige (navorderings)aanslag(en) in te trekken. Op 23 juni 2014 zou inzake voornoemde erfrechtelijke procedure door de Rechtbank een zitting zijn gepland.

Mede in verband met het vorenstaande spreken de Inspecteur en belanghebbende af dat belanghebbende de Rechtbank verzoekt de belastingzaken met de nummers AWB 14/2067, AWB 14/2068 en AWB 14/2069 aan te houden.

2.8.5.

Door tussenkomst van de Inspecteur wordt uiteindelijk uitstel van de behandeling van de onderhavige belastingzaken verkregen van de Rechtbank. De Inspecteur krijgt uitstel tot het indienen van een verweerschrift tot 31 december 2014.

Op 30 juli 2014 informeert de Inspecteur per mail naar de ontwikkelingen inzake de procedure aangaande de erfenis van belanghebbendes overleden vader. Eveneens op 30 juli 2014 antwoordt belanghebbende dat de zitting in de genoemde procedure is aangehouden, eerst tot 24 juli 2014 en vervolgens tot 27 augustus 2014.

2.8.6.

Bij mail van 2 oktober 2014 informeert de Inspecteur wederom naar de stand van zaken inzake de erfrechtelijke procedure en deelt mede dat, als belanghebbende niet afziet van het beroep tegen de onderhavige (navorderings)aanslagen, hij overzichten wenst te ontvangen van de leningen zoals die op balans van de VOF staan per 31 december 2008, 31 december 2009 en 31 december 2010, alsmede een overzicht van de ter zake van die leningen betaalde rente in de jaren 2009 en 2010 en de rente die is betaald dan wel schuldig is gebleven op de leningen van [D] , [E] en [F] . Op 15 oktober 2010 antwoordt belanghebbende dat in voormelde erfrechtelijke procedure op zijn vroegst over zes weken meer duidelijkheid kan worden verschaft en dat hij volgende week verder gaat met het opzoeken van de gevraagde informatie.

2.8.7.

Op 13 november 2014 informeert de Inspecteur wederom bij belanghebbende over de stand van zaken en wijst hij er, nogmaals, op de in de mail van 15 oktober 2014 beloofde informatie te willen ontvangen. Eveneens op 13 november 2014 antwoordt belanghebbende dat hij tot 5 januari 2015 in Portugal verblijft en niet bij zijn dossier in [woonplaats] kan. Ten aanzien van de erfeniskwestie meldt belanghebbende dat de comparitie in de eerste drie maanden van 2015 staat gepland. Belanghebbende besluit zijn mail met de mededeling dat hij zo vlug mogelijk op de zaak terugkomt.

2.8.8.

De Inspecteur heeft hierna zijn pogingen om informatie te verkrijgen gestaakt en de Rechtbank bij schrijven van 17 december 2014 geïnformeerd dat hij er niet in is geslaagd om de noodzakelijke gegevens boven water te krijgen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag: kan belanghebbende voor de jaren 2009 en 2010 additioneel 50% van € 13.898,61 respectievelijk van € 12.356,63 als rentelasten in mindering brengen op zijn aandeel in de winst van de VOF?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Ter zitting is daaraan, zakelijk weergegeven, door partijen het volgende toegevoegd:

Belanghebbende

-

Ik woon thans in [woonplaats] , [adres 2] 23, bij mijn dochter. Daar kunnen de uitspraken van uw Hof naartoe gezonden worden.

-

Op uw vraag of de aan [D] , [E] en [F] verschuldigde rentebedragen zijn betaald, antwoord ik u dat soms een bedrag is betaald. Dat de betaling stokte komt door die erfeniskwestie.

-

Ik heb geld geleend, onder andere van cliënten en door middel van het ophogen van de hypotheek, om de onderneming overeind te houden. Dat ik dat heb gedaan, is aannemelijk. Ik hoef ook alleen maar aannemelijk te maken, en daaraan heb ik voldaan. Aannemelijk maken, is iets anders dan bewijzen.

-

Ik zie in dat de rentebetaling aan Hypotrust door mij dubbel in aftrek is gebracht, namelijk als rente eigen woning in de aangifte IB/PVV 2010 en nogmaals in het renteoverzicht 2010. Dat is ten onrechte gebeurd.

-

Sommige van de door mij opgevoerde bedragen betreffen schattingen. Zo is het in het rentoverzicht van het jaar 2010 opgenomen bedrag van € 10.000 ter zake van de AMRO en ING geschat. Maar het is wel een schatting aan de lage kant.

Inspecteur

-

Het punt van de interne compensatie laat ik vallen. Uw Hof wijst mij er terecht op dat wij met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de aftrekbaarheid van de rente op de lening Hypotrust in wezen hebben aanvaard.

-

Voor enkele aanslagen vraag ik mij af of er wel een belang is voor belanghebbende. Het belang dat belanghebbenden heeft bij bepaalde (navorderings)aanslagen is de vaststelling van het nog te verrekenen verlies. Ik vermoed echter dat de verliezen niet formeel zijn vastgesteld. Maar ik zal het belang verder niet ter discussie stellen en er dus vanuit gaan dat belanghebbende voor alle ter discussie staande aanslagen een belang heeft.

-

Ik vind het spijtig dat het hier tot een rechtszaak heeft moeten komen, omdat we alles geprobeerd hebben om de bewijsstukken boven tafel te krijgen.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot een verlaging c.q. vernietiging van de navorderingsaanslag Zvw 2009 en, naar het Hof begrijpt, een hogere vaststelling van het vast te stellen verlies IB/PVV over de jaren 2009 en 2010.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraken van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Het Hof stelt vast dat het geschil in de hoger beroepen zich niet langer beperkt tot rente die voor de jaren 2009 en 2010 verschuldigd zou zijn aan [D] , [E] en [F] , zoals in de procedure voor de Rechtbank, maar dat in de hoger beroepen door belanghebbende ook renteaftrek wordt geclaimd voor rente verschuldigd aan Hypotrust, Biznerbank, Zwitserleven, AMRO, ING, ANWB VISA, VISA en de ouders van belanghebbende. In de pleitnota van belanghebbende zijn voor de jaren 2009 en 2010 renteoverzichten opgenomen. Blijkens die overzichten bedraagt de voor het jaar 2009 nog niet afgetrokken rente € 13.898,61 en de voor het jaar 2010 nog niet afgetrokken rente € 35.236,83. Genoemde bedragen dienen volgens belanghebbende alsnog als kosten van de onderneming ten laste van de winst te worden gebracht, voor 50% bij hemzelf en voor 50% bij zijn echtgenote.

4.2.

Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat een gedeelte van de bedragen aan rente waarvoor alsnog aftrek is geclaimd op schattingen berust. Tevens heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat in het renteoverzicht van het jaar 2010 ten onrechte aan Hypotrust betaalde rente ten bedrage van afgerond € 22.880 is opgenomen, terwijl de rente betaald aan Hypotrust ook al als kosten van de eigen woning in de aangifte IB/PVV 2010 in aanmerking is genomen. De volgens belanghebbende in het jaar 2010 nog niet afgetrokken rente voor dat jaar dient derhalve (€ 35.236,83 - € 22.880 =) afgerond € 12.356 te bedragen.

4.3.

Gegeven het feit dat belanghebbende zich beroept op feiten en omstandigheden die, indien zij vast komen te staan, zullen leiden tot een lagere belastingschuld, rust de bewijslast ter zake van de additionele renteaftrek bij belanghebbende. Het Hof merkt in dit verband op dat belanghebbende niet alleen de bewijslast heeft dat er meer rente is verschuldigd c.q. betaald dan is verantwoord in de verlies- en winstrekening van de VOF, maar voorts dat de met die rente samenhangende geldleningen als zakelijk te etiketteren geldleningen hebben te gelden.

4.4.

Het Hof acht belanghebbende in de op hem rustende bewijslast niet geslaagd. Ondanks alle gelegenheden die de Inspecteur aan belanghebbende heeft geboden om inzichtelijk te maken tot welke bedragen in de jaren 2009 en 2010 rente verschuldigd zou zijn aan [D] , [E] en [F] heeft belanghebbende niets, dan wel ruimschoots onvoldoende, ingebracht. Zo zijn bijvoorbeeld nimmer overeenkomsten van geldleningen en bewijzen van rentebetalingen aan de Inspecteur verstrekt. Hetzelfde heeft te gelden voor de overige bedragen aan renteaftrek die in hoger beroep zijn geclaimd. Bank- of rekeningafschriften waaruit saldi en rentebetalingen zouden kunnen blijken, zijn door belanghebbende niet overgelegd en evenmin is daar inzage in gegeven. Daarnaast is door belanghebbende zelfs niet het begin van bewijs geleverd dat de geldleningen als zakelijk geëtiketteerd kunnen worden. Daartoe is onvoldoende dat belanghebbende heeft gesteld dat de leningen zijn opgenomen om de onderneming overeind te houden.

4.5.

In zijn pleitnota heeft belanghebbende nog gesteld dat wellicht grootboekvellen enig licht zouden kunnen werpen op de feitelijke situatie, maar dat de grootboekvellen helaas niet meer zijn uit te printen, omdat de benodigde printer een half jaar geleden kapot is gegaan en zo’n printer niet meer te krijgen is. Bovendien zou dan ook software van die printer geïnstalleerd moeten worden en die software is niet meer beschikbaar.

Dat de grootboekvellen sedert een half jaar niet meer kunnen worden uitgeprint, is een omstandigheid die voor rekening en risico van belanghebbende komt. Belanghebbende, die zelf een administratiekantoor drijft (of heeft gedreven), zou als geen ander behoren te beseffen wat het belang van het beschikbaar houden van een administratie is. Het komt het Hof bovendien merkwaardig voor dat die administratie al niet veel eerder dan een half jaar geleden is uitgeprint, te meer, omdat de Inspecteur diverse malen om inzage heeft verzocht (zie onder het feitenrelaas 2.8.1 tot en met 2.8.8).

4.6.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat belanghebbende het van hem verlangde bewijs niet heeft geleverd.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat de hoger beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraken van de Rechtbank dienen te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

-

verklaart de hoger beroepen ongegrond, en

-

bevestigt de uitspraken van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 4 mei 2017 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, A.J. Kromhout, en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.