ECLI:NL:GHSHE:2017:2184 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-05-2017 / 200.202.327_01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 mei 2017

Zaaknummer: 200.202.327/01

Zaaknummer eerste aanleg: 4984454 BM VERZ 16-1542

in de zaak in hoger beroep van:


[appellant]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat: mr. E.G.W. Hendriks,

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

- de heer [belanghebbende] , werkzaam bij Bureau Inkomens Beheer B.V. te [vestigingsplaats] , (hierna te noemen: de bewindvoerder).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 juli 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 oktober 2016, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en rechtdoende te bepalen dat het verzoek opheffing van het bewind alsnog wordt gehonoreerd.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de rechthebbende, bijgestaan door mr. Hendriks;

-

de bewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de rechthebbende d.d. 18 november 2016;

-

de brief van de bewindvoerder d.d. 2 december 2016;

-

het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de rechthebbende d.d. 27 maart 2017.

3 De beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 28 september 2011 heeft de rechtbank Limburg, Sector Kanton, locatie Maastricht, over de goederen die appellant als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren bewind ingesteld, met benoeming van Bureau Inkomens Beheer B.V. te [vestigingsplaats] tot bewindvoerder.

3.2.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind afgewezen.

3.3.

De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De rechthebbende voert het volgende aan. Hij is thans weer in staat om zijn eigen vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Ook is zijn financiële situatie stabiel. Hij heeft geen schulden meer gemaakt en zijn administratie is op orde.

De rechthebbende is destijds in de financiële problemen gekomen aangezien zijn plan - om in Afrika zaken te gaan doen - niet goed is verlopen. Hij ziet thans in dat hij zich destijds beter had moeten voorbereiden en laten adviseren.

Op dit moment bestaat er geen grondslag meer voor voortduring van het bewind.

Uit het door hem overgelegde overzicht van inkomsten en uitgaven, blijkt ook dat de rechthebbende voldoende financiële ruimte heeft om aan zijn financiële verplichtingen te voldoen.

3.5.

De bewindvoerder heeft in zijn brief van 2 december 2016 te kennen gegeven dat hij zich kan vinden in de zienswijze van de kantonrechter. Ter zitting heeft de bewindvoerderzijn bezorgdheid uitgesproken over de situatie van de rechthebbende indien het bewind nu zou worden opgeheven. Toen het bewind werd ingesteld, was er niet alleen het probleem van het mislukken van het project in Afrika, maar ook waren er problemen in de flat waar rechthebbende woont. Juist omdat een aantal zaken via het bewind goed zijn geregeld, gaat het nu goed met de rechthebbende. Hoewel de bewindvoerder de rechthebbende in de afgelopen jaren een groei heeft zien doormaken, is het naar zijn mening thans nog te vroeg om het bewind op te heffen.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de (kanton)rechter het bewind opheffen, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, zulks op verzoek van de bewindvoerder of degene die gerechtigd is het bewind te verzoeken als bedoeld in artikel 1:432 BW, alsmede ambtshalve.

3.6.2.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, begrijpt het hof dat de rechthebbende medio juli 2011 de aanvraag voor het bewind heeft gedaan in verband met financiële problemen als gevolg van een door hem geïnitieerd project in Afrika.

Op 20 augustus 2013 is ten aanzien van de rechthebbende de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken, welke regeling op 26 mei 2015 bij vonnis van de rechtbank Limburg is beëindigd vanwege het feit dat de rechthebbende een zodanig bedrag aan de boedel heeft betaald dat hiermee alle vorderingen van de schuldeisers ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkte, zijn voldaan.

Hoewel het hof de door de bewindvoerder ter zitting geuite bezorgdheid over de situatie van de rechthebbende begrijpt, ziet het hof hierin onvoldoende aanleiding om het bewind in stand te laten. Naar het oordeel van het hof heeft rechthebbende in de afgelopen twee jaren laten zien dat hij in staat is om rond te komen van zijn (beperkte) leefgeld. Ook zijn er in deze periode geen nieuwe schulden ontstaan. Bovendien heeft de rechthebbende, zoals hij heeft gesteld en de bewindvoerder niet heeft betwist, nog kans gezien om een bedrag te sparen.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat voldoende is gebleken dat de noodzaak tot het bewind niet meer bestaat, zodat er grond is voor opheffing van het bewind.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook vernietigen en het inleidend verzoek van de rechthebbende tot opheffing van het bewind alsnog toewijzen. Het hof zal uit praktische overwegingen het bewind met ingang van heden opheffen.

3.6.3.

Het hof zal voorts bepalen dat een kopie van deze beschikking wordt gezonden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, Team Toezicht, zittingsplaats Maastricht, van 20 juli 2016, voor zover het de betreft de periode vanaf heden en in zoverre opnieuw rechtdoende:

heft het bewind over de goederen van [appellant] , geboren te [geboorteplaats] (Angola) op [geboortedatum] 1964, wonende aan [adres] , te [postcode] [woonplaats] , met ingang van heden op;

bepaalt dat de bewindvoerder binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak de eindrekening en -verantwoording aflegt aan de betrokkene en een - zo mogelijk door hen voor akkoord ondertekend - exemplaar ervan aan het Bewindsbureau van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, overlegt;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in artikel 1:391 BW een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht in verband met aantekening in het Curatele- en Bewindregister.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein, A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Verder lezen