ECLI:NL:GHSHE:2017:2193 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 18-05-2017 / 200.200.896_01

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 18 mei 2017

Zaaknummer: 200.200.896/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/289232 FA RK 14-7039

in de zaak in hoger beroep van:


[appellant]
,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R. Lessy,

tegen


[verweerster]
,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.W. Jongenelen.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

Regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 augustus 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 september 2016, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen - naar het hof begrijpt voor zover het de afwijzing van zijn verzoek tot een zorgregeling betreft - en opnieuw rechtdoende:

a. te bepalen dat er een contactregeling wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] en de vader de eerste maand één keer per veertien dagen een middag van 12.00 uur tot 18.00 uur in het weekend contact hebben, de tweede tot de vierde maand één keer per veertien dagen een dag van 9.00 tot 18.00 uur in het weekend en na vier maanden een weekend per 14 dagen van vrijdagavond tot zondagavond, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;

b. subsidiair te bepalen dat de vader gerechtigd is tot begeleide omgang met [minderjarige] via een omgangshuis, waarbij de omgang in nader overleg met partijen wordt opgebouwd;

c. meer subsidiair dat er een raadsonderzoek wordt opgestart waarbij een advies wordt

gegeven ter zake de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] .

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2016, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn appel, dan wel het appel ongegrond te verklaren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

-

de vader, bijgestaan door mr. Lessy;

-

de moeder, bijgestaan door mr. Jongenelen;

-

de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 juni 2016;

-

het V-formulier van de advocaat van de vader d.d. 16 maart 2017 met bijlagen, ter griffie ingekomen op 22 maart 2017.

2.5.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof besloten om de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] , die in januari 2018 twaalf jaar oud wordt, in de gelegenheid te stellen om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren (hierna te noemen: [minderjarige] ).

3.2.

De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de moeder.

3.3.

Bij beschikking van 13 februari 2015 heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover thans van belang, bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar in het kader van de Intensieve Omgangsbegeleiding, waarbij de verdere invulling - waaronder intensieve oudergesprekken - zal geschieden in nader overleg tussen partijen en Juzt in hoedanigheid van uitvoerster van voornoemd project. De rechtbank heeft partijen bevolen om aan de oproep van Juzt om in overleg te treden over de concrete uitwerking en vastlegging van de in te vullen regeling gevolg te geven en mee te werken aan de uitvoering van die regeling. Daarnaast heeft de rechtbank een informatieregeling bepaald zoals in de beschikking weergegeven. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De (verdere) behandeling van de zaak en iedere verdere beslissing is in afwachting van het rapport van Juzt over het verloop van het traject, de (begeleide) omgang en bericht van de advocaten van partijen aangehouden.

3.4.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank zowel het verzoek van de vader om, kort gezegd, een (begeleide) zorgregeling vast te stellen als het verzoek van de moeder om alleen te worden belast met het ouderlijk gezag afgewezen.

3.5.

De vader kan zich met de beslissing, voor zover het de zorgregeling betreft, niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De vader voert, samengevat, het volgende aan. Het traject bij Juzt was niet intensief en is niet zorgvuldig verlopen. In zestien maanden tijd hebben er bij Juzt slechts een kennismakingsgesprek, drie oudergesprekken, twee individuele oudergesprekken en vier kindgesprekken plaatsgevonden. Bovendien is de moeder na het eerste kindgesprek met

[minderjarige] steeds bij die gesprekken aanwezig geweest. Ook was haar inzet en motivatie tijdens het traject beperkt. [minderjarige] heeft tijdens de kindgesprekken twee brieven van de vader ontvangen en hij heeft een brief teruggeschreven. De moeder heeft in het derde oudergesprek aangegeven dat zij het traject wilde stoppen, omdat [minderjarige] geen contact wilde met de vader. Het traject is vervolgens door Juzt gestopt zonder dat er een ontmoeting tussen [minderjarige] en de vader tot stand is gebracht. Juzt heeft gelet op het verloop van het traject geen deugdelijk advies kunnen geven over het contact en de mening van [minderjarige] dient niet voorop te staan. De rechtbank is dan ook ten onrechte met Juzt van oordeel dat het forceren van contact niet in het belang van [minderjarige] is en zelfs averechts zou kunnen werken. Verder betwijfelt de vader of de moeder [minderjarige] op een neutrale manier begeleidt en of zij de vader levend houdt voor hem, zoals door de rechtbank is overwogen. Ook vraagt de vader zich af of de moeder [minderjarige] de juiste statusvoorlichting heeft gegeven. Anders dan de rechtbank ziet de vader wel meerwaarde in een onderzoek door de raad en in een mediationtraject. In een dergelijk onderzoek kan uitgebreid onderzocht worden of contact(herstel) tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is en door middel van mediation kunnen partijen (leren) overleggen over de uitoefening van het gezamenlijk gezag.

3.7.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan. Het traject bij Juzt heeft op deugdelijke wijze plaatsgevonden. Er hebben vijf gesprekken met [minderjarige] en drie gezamenlijke oudergesprekken plaatsgevonden. Daarnaast zijn er nog individuele contactmomenten en telefoongesprekken met de ouders en Juzt geweest. Het traject heeft plaatsgevonden binnen een tijdsbestek van iets meer dan een half jaar en is begeleid door opgeleide en ervaren jeugdhulpverleners. [minderjarige] weet goed wat hij wil en hij is stellig in zijn mening. Het traject bij Juzt is intensief geweest voor [minderjarige] en hij heeft daar hevig geëmotioneerd op gereageerd. Juzt heeft geconstateerd dat het forceren van contact niet in het belang van [minderjarige] is en heeft het traject beëindigd. Ook de raad heeft zich ter zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat het forceren van contact niet in het belang van [minderjarige] en mogelijk zelfs schadelijk is. Ook een nader onderzoek achtte de raad destijds te belastend en mogelijk zelfs schadelijk, aangezien [minderjarige] daarbij dient te worden betrokken. De moeder ziet geen heil in mediation. De weerstand zit bij [minderjarige] zelf en wordt niet weggehaald door gesprekken tussen partijen. Het traject bij Juzt is bovendien intensiever geweest dan een mediationtraject. De moeder heeft het belang van [minderjarige] altijd voorop gesteld en daarom heeft zij haar volledige medewerking verleend aan het traject bij Juzt. Uit alles blijkt dat het niet in het belang van [minderjarige] is als contact met de vader wordt geforceerd. De vader lijkt alleen zijn eigen belang voorop te stellen. Het is aan [minderjarige] om te bepalen of hij contact wil. Er is op dit moment geen contact omdat de vader het jarenlang heeft laten afweten, er dus nooit een band is ontstaan en de herinneringen van [minderjarige] aan de vader zijn vervaagd. [minderjarige] weet wie zijn biologische vader is en de moeder probeert hem levend te houden voor [minderjarige] .

3.8.

De raad heeft ter zitting verklaard dat [minderjarige] grote weerstand heeft tegen contact met de vader. Het traject bij Juzt is zorgvuldig verlopen en het forceren van het contact zou averechts werken. De moeder heeft wel de belangrijke verantwoordelijkheid om contactherstel te stimuleren. De moeder stuurt de vader e-mails in het kader van de informatieregeling. Zij zou de vader hierop via e-mail of social media kunnen laten reageren richting [minderjarige] . De ouders zouden ook eens in de zoveel tijd (in het kader van

informatieverstrekking en consultatie) kunnen afspreken om een voorbeeld te stellen voor [minderjarige] . De raad kan niet vaststellen of het negatieve vaderbeeld van [minderjarige] wordt

ingegeven door de moeder. Mocht dat echter zo zijn, dan zou dat zeer schadelijk voor [minderjarige] zijn. Dit beeld zou wel kunnen worden bijgesteld als er contact is in de toekomst.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1.

De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Dit ouderlijk gezag omvat op grond van artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de plicht en recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. Daarnaast omvat het ouderlijk gezag op grond van de wet mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de band van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

3.9.2.

Het uitgangspunt is dat [minderjarige] en de vader recht hebben op contact met elkaar en dat de vader daartoe ook de verplichting heeft. De rechter kan slechts een (tijdelijk) verbod aan

een ouder opleggen om met het kind contact te hebben, indien sprake is van een of meer van de in artikel 1:377a lid 3 BW genoemde ontzeggingsgronden. De rechter kan dientengevolge een (tijdelijk) contactverbod opleggen indien:

a. contact ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot contact;

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen contact met zijn ouder heeft doen blijken;

d. contact anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

3.9.3.

Uit artikel 8 EVRM vloeit de verplichting voort van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, om zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken. Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouders minder - of zelfs geen - goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014, 154).

3.9.4.

Het hof acht de door de moeder aangevoerde gronden, namelijk dat [minderjarige] geen contact wil met de vader en dat het forceren hiervan niet in het belang van [minderjarige] en mogelijk zelfs schadelijk is, vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt om te concluderen dat van een van de in artikel 1:377a BW opgesomde gevallen sprake is.

3.9.5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof niet duidelijk geworden waarom [minderjarige] geen contact wil met de vader. Het contact is verbroken toen [minderjarige] twee jaar oud was en de vader zou dus in die zin een vreemde voor [minderjarige] moeten zijn. Toch lijkt [minderjarige] een extreme weerstand tegen de vader te hebben. Zo omschreef de moeder in een e-mail van 30 november 2015 aan de vader dat [minderjarige] compleet overstuur was, bleef huilen, bang en totaal in shock was toen hij de vader onverwacht op het schoolplein had gezien. Ook uit de terugkoppeling van Juzt aan de rechtbank blijkt dat [minderjarige] in de gesprekken erg emotioneel werd en het lastig vond om over de vader te praten. Het hof acht, gelet op het vorenstaande, aannemelijk dat de extreme weerstand van [minderjarige] niet uit hem zelf komt, maar voortkomt uit het (gezin)systeem om [minderjarige] heen. Het hof heeft ter zitting de extreme

weerstand van de moeder richting de vader waargenomen en acht het voorstelbaar dat [minderjarige] die weerstand heeft overgenomen. De situatie baart het hof zorgen.

3.9.6.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende

voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Daarbij betrekt het hof ook dat de onder 3.9.5. omschreven zorgen tijdens het traject bij Juzt niet in ogenschouw lijken te zijn genomen. De moeder is bij vier van de vijf kindgesprekken aanwezig geweest, zo bleek ter zitting van het hof. Ook speelt een rol dat het hof zelf niet met [minderjarige] heeft gesproken, omdat hij van de gelegenheid daartoe geen gebruik heeft gemaakt. Het hof zal de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de vraag of er sprake is van ernstige bezwaren die in de weg staan aan contact tussen de vader en [minderjarige] , die ook niet door te overwegen maatregelen kunnen worden weggenomen, en zo nee, welke contactregeling het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. Het hof acht het van belang dat er tijdens het onderzoek een situatie wordt gecreëerd waarin [minderjarige] zich vrij voelt om zich te uiten. Het hof verzoekt de raad dan ook om buiten de aanwezigheid van de moeder en op neutraal terrein [minderjarige] in het onderzoek te betrekken. Het hof laat het verder aan (de beoordeling van) de raad over om eventueel tijdens het onderzoek een fysiek contactmoment tussen [minderjarige] en de vader te organiseren. Verder verzoekt het hof de raad om in zijn rapport specifiek in te gaan op de onder 3.9.5. omschreven zorgen. Tot slot geeft het hof de raad in overweging om (ambtshalve) te onderzoeken of er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging.

3.9.7.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak zes maanden aanhouden, teneinde de resultaten van het onderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het rapport van de raad.

3.10.

Op grond van het vorenstaande zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 3.9.6. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

houdt iedere verdere beslissing pro forma aan tot 1 november 2017.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, C.A.R.M. van Leuven en A.E. van Solinge en is op 18 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.