ECLI:NL:GHSHE:2017:2274 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-05-2017 / 200.178.258_01

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.178.258/01

arrest van 23 mei 2017

in de zaak van

1 [appellante 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellant 2],wonende te [woonplaats 1] , België,

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellante 1] en [appellant 2] ,

advocaat: mr. T.H.J. van Beek te Zundert,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats 3] ,

3. [geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats 4] , Spanje,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. M.H. den Otter te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 1 juli 2015, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellante 1] en [appellant 2] als gedaagden en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/288403 HA ZA 14-720)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het tussenvonnis van 10 december 2014.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-

de dagvaarding in hoger beroep;

-

de memorie van grieven met producties;

-

de memorie van antwoord in principaal appel en van grieven in incidenteel appel tevens houdende vermeerdering van eis met producties;

-

de memorie van antwoord in incidenteel appel;

-

het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

[appellant 2] is woonachtig in België. De rechtbank heeft terecht overwogen dat zij op grond van artikel 24 EEX-Verordening bevoegd was kennis te nemen van de vordering tegen [appellant 2] . Voorts is de rechtbank er bij de beoordeling van uitgegaan dat [geïntimeerden] en [appellant 2] hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Nu dat uitganspunt van de rechtbank in hoger beroep door geen van partijen is bestreden, zal ook het hof uitgaan van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

3.2.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [geïntimeerden] zijn de eigenaren van de in 1968 gebouwde woning aan de [adres 1] te [plaats] (hierna: de woning). Zij hebben de woning vanaf juni 2012 verhuurd aan de heer en mevrouw [huurder] (hierna: [huurder] ). Zij zijn daarbij bijgestaan door mevrouw [gemachtigde] , handelende onder de naam Rent Estate. Rent Estate bemiddelt bij het tot stand komen van huurovereenkomsten. De woning heeft een puntdak dat is bedekt met cementleien

  2. [appellant 2] is de directeur van [appellante 1] BVBA (een vennootschap naar Belgisch recht) die sinds 25 januari 2002 actief is. Op 7 november 2011 is [appellante 1] opgericht. Hiervan is [appellante 1] BVBA één van de bestuurders. [appellant 2] is (indirect) bestuurder van beide vennootschappen. [appellante 1] maakt gebruik van de website ‘www. [website] .nl’.

  3. Omstreeks februari of maart 2012 heeft hovenier [hovenier] werkzaamheden verricht in de tuin rondom de woning. [hovenier] heeft een boom geveld die op het dak van de woning terecht is gekomen. [hovenier] heeft dit gemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [hovenier] heeft [dakhersteller] B.V. opdracht gegeven om het beschadigde dak te herstellen. [dakhersteller] B.V. heeft op 23 augustus 2012 bij de gemeente [gemeente] een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een vergunning voor de verwijdering van een stuk asbesthoudend dak van de woning. Bij de aanvraag is gevoegd een rapport asbestinventarisatie d.d. 10 augustus 2012. Uit dit rapport blijkt onder andere dat de dakleien op het dak van het woonhuis asbest bevatten.

  4. [geïntimeerden] hebben bij Rent Estate geïnformeerd naar iemand die het mos van de dakleien van de woning zou kunnen verwijderen. Op aanvraag van Rent Estate is op briefpapier van ‘ [handelsnaam] ’ op 12 mei 2012 een offerte uitgebracht voor het ontmossen en coaten van het dak van de woning. De offerte is ondertekend door ‘ [appellant 2] ’. De offerte beliep een bedrag van € 2.975,= +€ 178,50 btw.

  5. Op 26 augustus 2012 stuurt [hovenier] aan [echtgenoot geïntimeerde 2] , echtgenoot van mevrouw [geïntimeerde 2] (geïntimeerde in principaal appel sub 2, tevens appellante in incidenteel appel, sub 2), een e-mail met de volgende inhoud:

“hoi [echtgenoot geïntimeerde 2]

hierbij de startdatum van [dakhersteller] .

We hebben de werkzaamheden inmiddels in de planning opgenomen, deze is als volgt:

Dinsdag 11 september; plaatsen rolsteiger

Woensdag 12 september; asbestsanering

Donderdag 13 september; monteren nieuwe leien.

Ik zorg dat de bewoners op de hoogte worden gebracht.”

De heer [echtgenoot geïntimeerde 2] heeft deze e-mail op 27 augustus 2012 doorgestuurd naar mevrouw [gemachtigde] , met de volgende inhoud:

“Ter info de planning van de reparatie van het dak.

Als dit gedaan is gaan we in gesprek met de dakreiniger.”

Op 10 oktober 2012 is door ‘ [handelsnaam] ’ een tweede offerte uitgebracht in dezelfde opmaak als de hiervoor genoemde eerste offerte. De offerte behelsde voor ontmossen en coaten van het dak een bedrag van € 2.800,- + € 168,= btw In de offerte wordt als werkwijze omschreven: “2. Verwijderen van mos met een hogedrukreiniger. De machine is voorzien van een roterende spuitkop zodat de druk wordt gespreid ter voorkoming van schade aan uw dakbedekking. Tevens zal er met een maximale druk van 100 bar gespoten worden.”

[appellante 1] heeft op 26 oktober 2012 aan [geïntimeerden] een factuur van € 1.484,= (€ 1.400,= + € 84,= btw) gestuurd voor het uitvoeren van het eerste deel van de werkzaamheden.

[huurder] heeft op 17 mei 2013 een asbestinventarisatie (risico-inventarisatie) voor de verbouw van de woning laten uitvoeren door [Asbestonderzoek] Asbestonderzoek (hierna: [Asbestonderzoek] ). [Asbestonderzoek] heeft hiervan op 31 mei 2013 een Asbestinventarisatierapport type A opgesteld. De samenvatting van dit rapport luidt als volgt:

“Door de opdrachtgever is de woning aan de [adres 1] te [plaats] recent (2012) gehuurd. De woning is voorzien van dakleien en was behoorlijk bemost. In opdracht van de verhuurder is het mos van de dakleien verwijderd waarbij een deel van het verwijderde mos op de grond rondom de woning terecht is gekomen. Door de opdrachtgever is wat mos verzameld en aan ons ter analyse ter beschikking gesteld. Dit monster is in onze opdracht geanalyseerd waaruit bleek dat het mos zowel bevat zowel chrysotiel als crocidoliet. Naar aanleiding van dit resultaat is door ons een visueel onderzoek uitgevoerd waarbij de dakleien als zodanig zijn beoordeeld. Tevens is er een kleefmonster genomen aan de buitenzijde van het terrasscherm achter de woning en een kleefmonster op de onderdorpel van het buitenkozijn op de 1e verdieping (ook achter). Van de leien is ook nog een materiaal monster genomen. Alle drie de monsters bleken na analyse inderdaad asbesthoudend te zijn. Na onze visuele beoordeling is door opdrachtgever aangegeven dat er ook nog asbest leien in voorraad liggen opgeslagen en dat er resten asbestleien op het terrein liggen. Visueel is vastgesteld dat de leien die oorspronkelijk van een coating zijn voorzien, deels verweerd zijn waarmee geen afschermend effect meer is.

Ons advies is derhalve om de leien te verwijderen. Tevens dient aanvullend onderzoek (…) te worden uitgevoerd waarbij middels luchtmetingen wordt vastgesteld of er sprake is van een asbestbesmetting in de woning en dienen er aanvullende kleefmonsters te worden genomen (zoals onder het dakbeschot) om de omvang van een mogelijke besmetting en de noodzaak van sanering verder vast te stellen.”

Voorts is op pagina 9 van dit rapport het volgende vermeld:

“Overigens is het schoonmaken van de asbesthoudende dakleien met een hoge druk reiniger (bron: opdrachtgever) niet in overeenstemming met de wetgeving inzake het omgaan met asbesthoudende materialen (Produktenbesluit; het is verboden om asbesthoudende materialen op enigerlei wijze te bewerken).”

Op 13 juni 2013 heeft [Asbestonderzoek] het hiervoor genoemd aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hiervan heeft [Asbestonderzoek] op 22 juni 2013 een rapport opgesteld. In de samenvatting (p.3) is onder meer vermeld: “(..) Door ons is een aanvullend onderzoek ingesteld (..) Visueel is vastgesteld dat er in de woning een partij asbestcementleien liggen opgeslagen en dat er in de tuin achter de woning bouw puin is gestort waarbij tevens resten asbestcementleien liggen. Zowel het opslaan van asbestcementleien in de woning als het storten van asbesthoudend puin zijn in overtreding met het productenbesluit Asbest artikel 4. (..) Van de 10 kleefmomsters die in de woning zijn genomen blijken er 3 positief te zijn beoordeeld op de aanwezigheid van chrysotielvezels. (…)”In de conclusie is vermeld: “In de woning is een asbestbesmetting aangetroffen op basis van de resultaten van een tiental kleefmonsters die met een lichtmicroscoop zijn beoordeeld. Op het terras achter de woning is ook een kleefmonster genomen dat asbesthoudend blijkt te zijn. De aangetroffen asbestbesmetting is afkomstig van het dak van asbestcementleien. Dit dak is in oktober 2012 gereinigd en ontdaan van mos waardoor de binnen- en buitenruimte besmet is geraakt met asbestvezels.”

De gemeente [gemeente] heeft van [geïntimeerden] geëist dat de dakleien van de woning worden vervangen. [geïntimeerden] zijn daartoe overgegaan.

[Asbestonderzoek] heeft op 29 juni 2013 een ‘Asbestinventarisatierapport type 0’ opgesteld waarin onder andere het volgende is vermeld:“Samenvatting: (…) In oktober 2012 is het mos van het leien (asbesthoudend) dak verwijderd waarbij dit mos in de tuin rond de woning is terechtgekomen.(..) Resultaten: (…) Geconcludeerd kan (…) worden dat de besmetting met asbestvezels niet zodanig is dat er direct gevaar bestaat voor de omgeving en dat de besmetting zich beperkt tot de ruimte direct om de woning. (..)”

“Geadviseerd wordt om de vegetatie rondom de woning (tot circa 5m1) in zijn geheel te verwijderen en de bodem 5 cm af te graven. Tevens wordt geadviseerd om het dak van de woning, bestaande uit asbestcement leien, te verwijderen daar deze leien in slechts staat zijn waarbij geen sprake meer is van hechtgebonden asbestvezels in de cementstructuur van de leien en dat de beschermlaag van de leien op veel plaatsen ontbreekt.”

Met het oog op de sanering van de binnenzijde van de woning is door AA&C Nederland B.V. nader onderzoek verricht naar de omvang van de besmetting met asbest. In de rapporten van 11 juli 2013 en 15 juli 2013 wordt geconstateerd dat zowel in als om de woning asbest aanwezig is en dat er dient te worden gesaneerd.

Bij brief van 21 juni 2013 heeft de raadsman van [geïntimeerden] [appellant 2] aansprakelijk gesteld voor de schade, die volgens [geïntimeerden] is ontstaan doordat het dak van de woning op zodanige wijze is ontmost dat daarbij asbest is vrijgekomen. Bij brief van 30 september 2014 aan [appellant 2] heeft de raadsman de schade begroot op een bedrag van € 88.882,26 en betaling hiervan verzocht.

Bij brief van 24 mei 2014 deelt [Asbestonderzoek] aan de raadsman van [geïntimeerden] het volgende mede:

“De firma [appellant 2] is bekend of dient bekend te zijn geweest met het feit dat kunstleien (dit zijn leien niet zijnde natuurleien) asbesthoudend kunnen zijn. Visueel had de firma [appellant 2] vast kunnen stellen dat het hier niet om natuurleien ging. Gezien de ouderdom van de woning (ruim voor 1993) had de firma [appellant 2] de leien tenminste als asbestverdacht moeten beschouwen. Een eenvoudige laboratorium analyse van het leimateriaal had vervolgens uitsluitsel kunnen geven over het al dan niet asbesthoudend zijn van de betreffende leien. Overigens vertonen de leien aan de achterzijde de typische wafelstructuur waaraan veel asbesthoudende producten zijn te herkennen.”

Bij brief van 16 juni 2014 schrijft ing. [deskundige] namens de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland (VEBIDAK) onder ander het volgende:

“Het is sinds 1 juli 1993 verboden om asbesthoudende materialen in voorraad te hebben. Er mag ervan uitgegaan worden dat na deze datum er geen asbesthoudende (kunstleien) dakbedekking meer is verwerkt in Nederland. Voor deze datum is de kans groot dat asbest is verwerkt in kunstleien. (…) Het reinigen en coaten van asbesthoudende dakbedekking (leien en golfplaten) is alleen toegestaan als maatregelen worden genomen die voorkomen dat asbestvezels uit de dakbedekking vrijkomen. Het is algemeen bekend dat bij gebruik van een hogedrukreiniger nagenoeg zeker asbestvezels vrijkomen daarom niet is toegestaan. Het reinigen met behulp van een hogedrukreiniger is een agressieve reinigingsmethode voor (asbest-) vezelcement leien. (…)

Het onderscheiden van asbesthoudende en niet asbesthoudende leien is niet eenvoudig. Laboratoriumonderzoek is noodzakelijk om zekerheid te verkrijgen. Er is maar één pragmatische manier om ervan uit te mogen gaan dat de leien niet asbesthoudend zijn: aantonen dat de leien zijn aangebracht (ruim) na 1993. Indien dit niet kan worden aangetoond, dan moeten de leien worden beschouwd als asbestverdacht.

Woning [adres 1] te [plaats] . Op basis van de foto’s van de betreffende woning is duidelijk een bouwstijl te herkennen uit de jaren ’70 van de vorige eeuw. Niets duidt erop dat de woning na 1993 zou zijn gebouwd. Op basis hiervan is het dan ook hoogst onwaarschijnlijk dat de oorspronkelijke leien dakbedekking in deze voor leien relatief korte levensduur inmiddels vervangen zou zijn door niet asbesthoudende leien”.

[geïntimeerden] hebben ten laste van [appellant 2] bewarend beslag op zijn woning in België laten leggen.

3.3.

In de onderhavige procedure hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg veroordeling van [appellante 1] en/of [appellant 2] gevorderd tot betaling van € 88.882,26, vermeerderd met rente en kosten, daaronder begrepen de beslagkosten en de nakosten.

3.3.1.

[appellante 1] en [appellant 2] hebben verweer gevoerd.

3.4.

In het vonnis waarvan beroep van 1 juli 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [appellant 2] veroordeeld om aan [geïntimeerden] te betalen het bedrag van € 49.712,32 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2014 tot de dag van volledige betaling. Voorts heeft de rechtbank [appellant 2] veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] en [geïntimeerden] veroordeeld in de proceskosten van [appellante 1] De rechtbank heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat [geïntimeerden] een overeenkomst hebben gesloten met [appellant 2] en niet met [appellante 1] B.V, nu [geïntimeerden] uit de offertes van 12 mei 2012 en van 10 oktober 2012 mochten afleiden dat de overeenkomst werd gesloten met [appellant 2] . Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de overeenkomst tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] kan worden aangemerkt als een overeenkomst van aanneming nu de werkzaamheden – het ontmossen en coaten van het dak van de woning – leiden tot een kwalitatief beter dak. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat [geïntimeerden] hun mededelingsplicht hebben geschonden nu zij op de hoogte hadden kunnen zijn van de asbestsanering en op hen de plicht rustte aan [appellant 2] mede te delen dat in verband met de reparatie van het dak asbestsanering heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [appellant 2] zowel bij het aangaan als bij het uitvoeren van de overeenkomst niet heeft voldaan aan zijn waarschuwingsplicht en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de aan [appellant 2] toe te rekenen omstandigheden voor twee derde deel aan de schade hebben bijgedragen en die van [geïntimeerden] voor een derde deel.

3.5.

[appellante 1] en [appellant 2] hebben in principaal hoger beroep dertien grieven aangevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] . met veroordeling van [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant 2] van hetgeen [appellant 2] op basis van het beroepen vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan en met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

3.6.

[geïntimeerden] hebben in incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd. Zij hebben na vermeerdering van eis geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover de rechtbank daarin heeft geoordeeld dat de schade voor tweederde deel door [appellant 2] vergoed dient te worden en voor zover daarin de gevorderde kosten van juridische bijstand als buitengerechtelijke kosten worden gekwalificeerd en daarvan slechts

€ 1.520,87 is toegewezen. Zij concludeerden verder dat het hof, opnieuw rechtdoende na gedeeltelijke vernietiging, primair [appellant 2] en subsidiair [appellante 1] zal veroordelen om aan [geïntimeerden] € 103.435,21 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag van algehele betaling, € 88.882,26 vanaf de dag van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg en € 14.552,95 vanaf de dag van de memorie van [geïntimeerden] en voorts primair [appellant 2] en subsidiair [appellante 1] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de nakosten en wettelijke rente.

3.7.

Tegen het oordeel van de rechtbank dat de verrichte werkzaamheden dienen te worden gekwalificeerd als aanneming van werk zijn geen grieven gericht, zodat hiervan in hoger beroep zal worden uitgegaan.

3.8.

In de eerste grief in principaal appel komen [appellante 1] en [appellant 2] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] een overeenkomst hebben gesloten met [appellant 2] .

3.8.1.

[appellante 1] en [appellant 2] stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerden] de overeenkomst hebben gesloten met [appellante 1]

[geïntimeerden] hebben de stellingen van [appellante 1] betwist. Zij hebben aangevoerd dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling, te weten het Kribbebijter arrest (HR 11 maart 1977, NJ 1977, 521). [geïntimeerden] betwisten dat mevrouw [gemachtigde] van Rent Estate wist dat [appellant 2] als vertegenwoordiger van [appellante 1] zou hebben gehandeld. [geïntimeerden] werden in hun onderhandelingen met [appellant 2] niet door mevrouw [gemachtigde] vertegenwoordigd. Zij fungeerde slechts als “doorgeefluik” voor de berichten tussen [geïntimeerden] en [appellant 2] . Dat de factuur door [appellante 1] is uitgebracht speelt geen rol. In de offerte en e-mailcorrespondentie is er geen enkele verwijzing naar [appellante 1] Deze naam komt in de offertes niet voor. Het Belgische mobiele nummer van [appellant 2] , die in België woonachtig is staat op de offertes vermeld en hij heeft ook de offertes ondertekend.

3.8.2.

Het hof overweegt als volgt.

Met wie [geïntimeerden] een overeenkomst hebben gesloten hangt af van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen redelijkerwijs mochten afleiden.

Beide offertes zijn uitgebracht door [handelsnaam] met als adres [adres 2] , [postcode] te [vestigingsplaats] . Op beide offertes wordt verwezen naar de website van [handelsnaam] . [appellante 1] stelt dat [handelsnaam] een handelsnaam is van [appellante 1] , hetgeen door [geïntimeerden] niet wordt betwist. De factuur voor de verrichte werkzaamheden is opgesteld door [appellante 1] met als adres [adres 2] , [postcode] te [vestigingsplaats] , het adres dat ook op de offerte staat vermeld. Deze factuur is door [geïntimeerden] zonder protest behouden en betaald.

Gezien deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] hebben moeten begrijpen dat zij een overeenkomst sloten met het bedrijf dat werd uitgeoefend door de rechtspersoon [appellante 1] B.V. en niet met [appellant 2] in privé. Het feit dat [appellant 2] de offerte ondertekende en zijn mobiele telefoonnummer daarop vermeldde, geeft geen reden voor een ander oordeel, gelet op het feit dat [appellant 2] bestuurder was van de rechtspersoon waardoor het bedrijf werd uitgeoefend. Op grond van die ondertekening hebben [geïntimeerden] redelijkerwijs niet mogen aannemen dat [appellant 2] anders dan namens de rechtspersoon beoogde te handelen. De grief slaagt.

3.9.

Gelet op het hiervoor overwogene dient thans eerst de eventuele aansprakelijkheid van [appellante 1] aan de orde te komen. Het hof zal bij de bespreking van de grieven II tot en met IV daarom alleen spreken over [appellante 1] Met de grieven twee tot en met vier in principaal appel komt [appellante 1] op tegen het oordeel van de rechtbank dat zij de waarschuwingsplicht als bedoeld in artikel 7:754 BW heeft geschonden. [appellante 1] betwist dat op haar een waarschuwingsverplichting rustte. [appellante 1] is niet deskundig op het gebied van het reinigen van asbesthoudende daken, aan het dak zelf (dat geheel bemost was) was niet zichtbaar dat het een asbesthoudend dak was en [appellante 1] is daarover door [geïntimeerden] niet geïnformeerd. [geïntimeerden] waren er daarentegen wel mee bekend, nu die asbesthoudendheid al na de schade aan het dak is ontdekt. [geïntimeerden] moeten daarmee bekend zijn geweest, zulks mede gelet op het aan de echtgenoot van mevrouw [geïntimeerde 2] gezonden email van 26 augustus 2012 (zie r.o. 3.2. sub e) waarin de planning voor de herstelwerkzaamheden aan het dak en van de asbestsanering is meegedeeld. Aan [geïntimeerden] zelf moet nu juist worden verweten dat zij [appellante 1] niet hebben meegedeeld dat het om een asbesthoudend dak ging.

3.10.

Het hof acht deze door [appellante 1] aangevoerde grieven gegrond. Naar het oordeel van het hof moeten [geïntimeerden] door de schade aan het dak bij het vellen van een boom in februari 2012 en het uiteindelijke herstel dat gepaard ging met de noodzaak van een asbestsanering bekend worden geacht met het feit dat het dak asbesthoudend was. Indien zij zich niet daadwerkelijk met die gebeurtenissen zouden hebben bezig gehouden en dit aan [echtgenoot geïntimeerde 2] zouden hebben overgelaten, laat dat onverlet dat de wetenschap van [echtgenoot geïntimeerde 2] – aan wie zij deze kwestie hebben overgelaten – aan hen moet worden toegerekend. Waar zij zelf bekend waren en/of hadden moeten en kunnen zijn met het feit dat het niet ging om een leien dak maar om een kunstleien, asbesthoudend dak, komt het voor hun eigen rekening indien zij zonder opgave van die uiterst relevante omstandigheid een offerte vragen voor de ontmossing van een leien dak. In zijn in r.o. 3.2 sub b gerelateerde brief stelt [Asbestonderzoek] wel dat [appellante 1] visueel had kunnen vaststellen dat het niet om natuurleien dak ging maar [Asbestonderzoek] geeft niet aan hoe [appellante 1] dat dan had moeten vaststellen, in aanmerking genomen het feit dat in de in r.o. 3.2 onder o gerelateerde brief van ing. [deskundige] wordt opgemerkt dat het onderscheiden van asbesthoudende en niet asbesthoudende leien niet eenvoudig is. Daar komt bij dat het dak, naar door [geïntimeerden] niet is betwist, geheel met mos bedekt was en daarmee weinig zichtbaar. Gelet op het feit dat van [appellante 1] de reiniging werd gevraagd van een leien dak en in aanmerking genomen het feit dat de geoffreerde werkwijze weliswaar een reiniging met een hogedrukreiniger inhield maar wel een zodanige hoge drukreiniging dat de druk zou worden gespreid ter voorkoming van schade aan de dakbedekking, behoefde naar het oordeel van het hof van [appellante 1] geen ingrijpend eigen onderzoek te worden verwacht om na te gaan of het dak wellicht een ander soort leien bevatte dan haar door de eigenaar was opgegeven. [Asbestonderzoek] geeft als reden waarom van [appellante 1] nader onderzoek had mogen worden verlangd aan dat het ging om een woning van vóór 1993, toen asbest nog niet verboden was, en waarbij om die reden altijd rekening moet worden gehouden met mogelijke aanwezigheid van asbest. Enige indicatie dat een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam beroepsoefenaar als [appellante 1] tot een dergelijk onderzoek zou overgaan leest het hof niet zonder meer in die redengeving van [Asbestonderzoek] en [geïntimeerden] stellen daarover verder ook weinig concreets. Het hof acht de vraag of en in hoeverre dat het geval zou zijn in dit geval echter om de volgende reden niet relevant. Ook indien zou moeten worden geconcludeerd dat [appellante 1] bij nader onderzoek had kunnen weten dat het wellicht om asbesthoudende leien ging en zij [geïntimeerden] daarop had kunnen wijzen, valt een eventueel aan [appellante 1] daarvan te maken verwijt in het niet bij het voor rekening van [geïntimeerden] zelf komende feit dat zij daarmee zelf bekend waren en/of hadden behoren te zijn.

Uit het voorgaande volgt dat de eerste en derde grief in incidenteel appel (over de waarschuwingsplicht van [geïntimeerden] ) falen.

3.11.

De grieven in principaal appel dat [appellante 1] niet aansprakelijk is op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad slagen. Daarmee komt de vraag of [appellant 2] als bestuurder in persoon onrechtmatig handelen moet worden verweten, verder niet aan de orde.

3.12.

In de tweede grief in incidenteel appel voeren [geïntimeerden] aan dat de rechtbank bij de beoordeling van de waarschuwingsplicht ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van [geïntimeerden] dat in de offerte staat vermeld: “Verwijderen van mos met een hogedrukreiniger. De machine is voorzien van een roterende spuitkop zodat de druk wordt gespreid ter voorkoming van schade aan uw dakbedekking.” Volgens [geïntimeerden] zou het bij de beoordeling betrekken van deze stelling geleid hebben tot een andere verdeling van de schade. Uit hetgeen hiervoor in verband met de grieven in het principaal appel is overwogen vloeit voort dat deze grief in het incidenteel appel geen doel treft.

Ook de vierde grief in incidenteel appel (over de kosten van juridische bijstand) faalt gelet op het geen hiervoor is overwogen.

3.13.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog geheel afwijzen. [geïntimeerden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg en in die van het principaal en het incidenteel appel worden veroordeeld. Het hof zal de kosten van het pleidooi in hoger beroep alleen in het principaal appel meetellen. De vordering van [appellante 1] en [appellant 2] om [geïntimeerde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten te verwijzen zal worden afgewezen omdat het hof daarvoor geen grondslag ziet. De vordering van [appellant 2] tot terugbetaling van hetgeen uit hoofde van het vonnis in eerste aanleg is betaald, kan worden toegewezen.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juli 2015;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] tot terugbetaling aan [appellant 2] van al hetgeen hij aan [geïntimeerden] heeft betaald op grond van het beroepen vonnis;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg en van het principaal en het incidenteel hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante 1] en [appellant 2] op € 1.892,- aan griffierecht en op € 2.682,- aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 102,08 aan dagvaardingskosten, op € 1.937,- aan griffierecht en € 4.893,- aan salaris advocaat in principaal appel en op € 815,50,- aan salaris advocaat in incidenteel appel;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.I.M.W. Bartelds en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 mei 2017.