ECLI:NL:GHSHE:2017:299 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 25-01-2017 / 20-003090-15

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003090-15

Uitspraak : 25 januari 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 29 september 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-800502-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte ter zake van – kort gezegd – een woningoverval in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank tevens bijzondere voorwaarden verbonden. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen bij helfte toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de teruggave gelast van een in beslag genomen telefoon.

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor volgens het volwassenenstrafrecht zal veroordelen tot dezelfde straf als de rechtbank. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen met oplegging van de schadevergoedings-maatregel. Het requisitoir strekte eveneens tot teruggave van de in beslag genomen telefoon aan de verdachte.

De raadsman van de verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd. Hij heeft toepassing van het jeugdstrafrecht bepleit. Ten aanzien van de in beslag genomen telefoon is teruggave aan de verdachte verzocht. De verdediging kan zich verenigen met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring en de vorderingen van de benadeelde partijen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, schadevergoedingsmaatregel en strafmotivering alsmede de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. Voorts zal het hof de aanduiding van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen op enkele punten verbeteren.

Bewijs

Het hof verenigt zich met de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, met dien verstande dat de voetnoten op pagina 3 van het vonnis en de daaraan voorafgaande opmerking als volgt worden gewijzigd:

‘Hierna wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie-eenheid Zeeland-West-Brabant, district Tilburg, op ambtseed opgesteld door [verbalisant] , ambtenaar van politie, registratienummer 2014107297, afgesloten d.d. 29 mei 2014, houdende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-84. 1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , pagina’s 37 tot en met 41 van voormeld eindproces-verbaal;2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , pagina’s 42 tot en met 44 van voormeld eindproces-verbaal;

3. Een proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 februari 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.’

Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht
De raadsman van de verdachte heeft toepassing van art. 77c van het Wetboek van Strafrecht bepleit. Aan zijn pleidooi tot toepassing van het jeugdstrafrecht is het volgende ten grondslag gelegd. De verdachte was ten tijde van het plegen van het delict 18 jaar en 7 maanden oud en had een blanco strafblad. Zijn medeverdachten waren minderjarig. Het initiatief tot het plegen van de overval lag volgens de verdediging niet bij de verdachte, maar bij zijn mededaders. De verdachte heeft zich door hen laten overhalen tot het medeplegen van de overval. De verdachte was beïnvloedbaar. Daarvoor zijn volgens de raadsman verschillende redenen aan te voeren. Zo heeft volgens de raadsman de verdachte een beneden gemiddelde intelligentie en is blijkens de rapportage van de psycholoog sprake van onrijpheid op sociaal-emotioneel gebied. Doordat de verdachte zoekend is naar zijn identiteit is hij gevoelig voor beïnvloeding door derden, hetgeen zijn meeloopgedrag mede kan verklaren. De rechtbank heeft echter het volwassenenstrafrecht toegepast, onder meer omdat zij het gedrag van de verdachte berekenend vond. Gelet op de conclusies van de psychiater Van der Lugt zet de verdediging bij dit laatste, of de handelwijze van verdachte wel echt berekenend was of dat dit maar zo leek, vraagtekens.

De advocaat-generaal ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat meerder-jarigen volgens het volwassenenstrafrecht worden berecht. De verdachte heeft een dag vóór de overval samen met zijn mededaders een plan beraamd om een woningoverval te plegen. De volgende dag is dat plan geëffectueerd, waarbij de verdachte een grote rol had in de uitvoering. Hij heeft zelfs een mes in zijn hand gehad. Daarbij werd geweld toegepast. Het handelen van de verdachte komt veeleer berekenend en doordacht over dan dat sprake is van beïnvloeding door derden. Deze omstandigheden maken dat de advocaat-generaal zich kan verenigen met de conclusie van de psycholoog drs. Meuwese, inhoudende dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast.

Het hof overweegt als volgt.

Hoofdregel is dat meerderjarige verdachten overeenkomstig het volwassenenstrafrecht worden berecht. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechter evenwel de mogelijkheid om daarvan af te wijken, indien daartoe aanleiding bestaat op grond van de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Het hof heeft kennis genomen van de psychologische rapportage van drs. B.I. Meuwese d.d. 24 november 2014 en de psychiatrische rapportage van drs. H. van der Lugt d.d. 5 augustus 2015. De psycholoog adviseert toepassing van het volwassenenstrafrecht en de psychiater concludeert tot toepassing van het jeugdstrafrecht. Hoewel drs. Van der Lugt tot een andere conclusie komt dan drs. Meuwese, ziet het hof in het psychiatrische rapport aanknopings-punten die juist toepassing van het volwassenenstrafrecht indiceren. Drs. Van der Lugt stelt namelijk vast dat de verdachte goed lijkt te hebben nagedacht over het ten laste gelegde en het risico van de overval goed heeft ingeschat. Daarnaast vermeldt het rapport dat de verdachte zijn ouders commandeert en zij zich voegen naar zijn eisen. Op grond van die constatering lijkt het dat de verdachte juist overwicht geniet, hetgeen tegenstrijdig is met de stelling van de verdediging dat de verdachte beïnvloedbaar zou zijn.

De verdachte woonde ten tijde van het delict op zichzelf. Hij had geld nodig en zocht naar manieren om daaraan te komen waaronder het eventueel plegen van strafbare feiten (rapport psychiater Van der Lugt, p. 18). Toen hij een sms kreeg van een bekende waarin het voorstel werd gedaan om strafbare feiten te plegen, zag hij zijn kans om zijn geldbehoefte te kunnen bevredigen. Vervolgens heeft hij een hele nacht de gelegenheid gehad om na te denken of hij mee zou doen aan de woningoverval. De keuze om mee te doen heeft hij uiteindelijk zelf gemaakt. Deze denk- en handelwijze komt berekenend over en past niet bij de door de verdediging veronderstelde aanwezigheid van impulsiviteit en gevoeligheid voor beïnvloeding.

Het hof heeft tevens acht geslagen op de indruk die de persoon van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gemaakt. Tijdens de beantwoording van vragen van het hof heeft de verdachte blijk gegeven van een doordachte wijze van antwoorden. De verdachte gaf immers weloverwogen op sommige vragen antwoord en op bepaalde vragen juist niet. Voorts is geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bij de verdachte geconstateerd. Er is dus geen aanleiding tot afwijking van de hoofdregel dat meerderjarige verdachten overeenkomstig het volwassenstrafrecht worden berecht.

Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn om af te wijken van deze hoofdregel. Het hof verenigt zich met het rapport van drs. Meuwese en legt de conclusies daarvan ten grondslag aan zijn beslissing tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. Aan het verzoek van de verdediging tot toepassing van het jeugdstrafrecht wordt aldus geen gehoor gegeven.

Op te leggen straf

Bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een gewelddadige woningoverval in vereniging.

De rechtbank heeft de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, oplegging van bijzondere voorwaarden en aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte tot diezelfde straf zal worden veroordeeld.

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het hof zal volstaan met oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen waarvan 193 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel zouden de bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden zoals deze door de rechtbank zijn opgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Voor wat betreft de op te leggen straf heeft het hof de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt genomen. Voor een woningoverval met ander geweld dan een enkele ruk of duw, geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. Gelet op de relatief jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde en de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld, ziet het hof echter aanleiding om daarvan in matigende zin vanaf te wijken.

De ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van het hof in de straf die door de rechtbank is opgelegd, door de advocaat-generaal is gevorderd en door de raadsman is bepleit echter onvoldoende tot uitdrukking. Een woningoverval, zeker met geweld, is voor de slachtoffers een zeer traumatische gebeurtenis. Dat blijkt ook uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen. Door het bewezen verklaarde handelen hebben de verdachte en zijn mededaders de slachtoffers ernstig in hun psychische en lichamelijke integriteit aangetast. De kwetsbare slachtoffers waren bang dat de overvallers hen iets ernstigs zouden aandoen en voelen zich thans niet meer veilig in hun eigen woning. Bij de uitvoering heeft de verdachte en grote rol gespeeld. Na zijn aanhouding heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Het hof rekent de verdachte het bewezen verklaarde feit zeer zwaar aan. Hij heeft er kennelijk niet bij stilgestaan wat voor leed en nare gevolgen zijn handelen bij de slachtoffers teweeg zou kunnen brengen. Blijkbaar heeft enkel geldelijk gewin in zijn keuze een rol gespeeld.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf en acht het hof oplegging van een langere gevangenisstraf dan geëist, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 2] en [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij [aangever 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.521,00, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente. Beide vorderingen zijn door de rechtbank bij vonnis waarvan beroep bij helfte toegewezen met toewijzing van de wettelijke rente. De benadeelde partijen hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd.

De verdediging heeft beide vorderingen niet inhoudelijk betwist.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en diens mededaders rechtstreeks materiële en immateriële schade hebben geleden. De vorderingen zijn niet betwist en liggen voor toewijzing gereed. Anders dan de rechtbank zal het hof de gehele vorderingen hoofdelijk toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en diens mededaders rechtstreeks schade aan de slachtoffers [aangever 2] en [aangever 1] is toegebracht tot een bedrag van respectievelijk € 2.600,00 en € 2.521,00. De verdachte en diens mededaders zijn jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot respectievelijk € 2.600,00 en € 2.521,00, welke bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en met een beslissing omtrent de hoofdelijkheid als hierna vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde straf, schadevergoedingsmaatregel en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen, en doet in zoverre opnieuw recht:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 2] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.600,00 (zegge: tweeduizend zeshonderd euro) bestaande uit € 100,00 (zegge: honderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 36 (zesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] of aan de Staat;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever 1] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 2.521,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdeenentwintig euro) bestaande uit € 21,00 (zegge: eenentwintig euro) materiële schade en € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] of aan de Staat;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.600,00 (zegge: tweeduizend zeshonderd euro) bestaande uit € 100,00 (zegge: honderd euro) materiële schade en € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.521,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderdeenentwintig euro) bestaande uit € 21,00 (zegge: eenentwintig euro) materiële schade en € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het vorenoverwogene.

Aldus gewezen door:

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 25 januari 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.