ECLI:NL:GHSHE:2017:3108 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 12-07-2017 / 20-001387-15

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001387-15

Uitspraak : 12 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s Hertogenbosch, van 24 april 2015 in de strafzaak met parketnummer 01-865130-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1959,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder A en B aan verdachte ten laste is gelegd en hem ter zake van feit A zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, en verdachte ter zake van feit B zal veroordelen tot hechtenis voor de duur van 2 weken, alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren en met verbeurdverklaring van de Audi A6 met kenteken [kenteken 1] .

Ter zake van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dezelfde beslissingen te nemen als de rechtbank heeft gedaan, dus toewijzing aan [verbalisant 2] van het gehele gevorderde bedrag van € 508,- en aan [verbalisant 1] een deel van het vorderde gedrag namelijk van € 508,- met afwijzing van het overige, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedings-maatregel.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit ter zake van feit A. Ter zake van feit B refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. In het licht van de bepleitte vrijspraak heeft de verdediging het hof verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Ter zake van het beslag op de Audi heeft de verdediging aangegeven de verbeurdverklaring, die is gekoppeld aan feit B, buitenproportioneel te vinden.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

A:hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (aan) [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] , werkzaam als politieambtenaren van politie Eenheid Oost-Brabant, van het leven te beroven, althans opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto (Audi) met hoge, althans aanmerkelijke snelheid een (naast hem rijdende) (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, heeft getracht van de weg te drukken en/of heeft afgesneden en/of vervolgens

met dat opzet, met die door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge, althans aanmerkelijke snelheid op die tegemoetkomende (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

B:

hij op of omstreeks 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Meester van Coothstraat,

- niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur midden op de weg heeft gereden en/of slingerend naar rechts en naar links (wisselend van rijstrook) is gereden, terwijl toen en daar een ander voertuig (politievoertuig) reed, welke moest uitwijken en/of (krachtig) moest afremmen teneinde een aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen en/of

- heeft gereden op de rijstrook bestemd voor het hem, verdachte, tegemoetkomende verkeer, waardoor een ander voertuig (politievoertuig) met hoge, althans aanzienlijke snelheid (ongeveer 80 kilometer per uur) ver in de berm moest uitwijken teneinde een frontale aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover er in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder A en B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

A:hij op 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werkzaam als politieambtenaren van politie Eenheid Oost-Brabant, van het leven te beroven, met dat opzet, met die door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid op die tegemoetkomende (politie)auto, waarin zich voornoemde opsporingsambtenaren bevonden, is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

B:

hij op 28 oktober 2014 te Lith, gemeente Oss, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Meester van Coothstraat, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden, maar met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur midden op de weg heeft gereden en slingerend naar rechts en naar links is gereden, terwijl toen en daar een ander voertuig (politievoertuig) reed, welke moest afremmen teneinde een aanrijding met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig te voorkomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
1

Het hof acht voor zijn oordeel de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

In het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

van de politie Eenheid Oost-Brabant van 29 oktober 20142 staat vermeld dat zij

op dinsdag 28 oktober 2014 belast waren met de algehele surveillance in de eenheid Oost-Brabant. Zij reden in een onopvallend dienstvoertuig in Lith en zagen dat twee voertuigen van het woonwagencentrum af kwamen rijden; een Audi en een Honda. Nadat de verbalisanten de twee auto’s hebben laten passeren, zijn zij de auto’s gevolgd en zagen zij dat de auto’s uit eigen beweging tot stilstand kwamen. De verbalisanten zagen dat beide bestuurders hun voertuigen verlieten en op imponerende wijze naar hen toe liepen. [verbalisant 1] herkende de bestuurder van de Audi, type 6, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , ambtshalve als [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats] . De verbalisanten zagen dat de bestuurder van de Honda, voorzien van het kenteken [kenteken 2] , kennelijk schrok en naar zijn personenauto liep met versnelde pas, waarna hij instapte en weg reed. De verbalisanten zagen dat [verdachte] hen tegelijkertijd aansprak. De verbalisanten hebben er vervolgens voor gekozen om de bestuurder van de Honda een stopteken te geven ter controle van de regels gesteld in de Wegenverkeerswet 1994, RVV alsmede het Voertuigreglement. De verbalisanten reden enkele meters met het dienstvoertuig, waarna zij het transparante stopbord activeerden en een stopteken gaven aan de bestuurder van de Honda.

In het proces-verbaal beschrijven zij voorts de volgende twee situaties:

Situatie 1

“Wij, verbalisanten, zagen dat de personenauto van het merk Honda de personenauto van het merk Audi aan de linkerzijde passeerde. Wij, verbalisanten, zagen dat [verdachte] ons dienstvoertuig opzettelijk blockte daar hij midden op de weg ging rijden en ons kennelijk expres hinderde zodat de personenauto van het merk Honda kon ontkomen. Wij, verbalisanten, trachtten op meerdere manieren de betreffende Audi in te halen echter [verdachte] sneed bij iedere poging tot inhalen ons de weg af. Wij reden met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, volgens de geijkte snelheidsmeter van het dienstvoertuig. Wij verklaren dat de acties van [verdachte] zeer veel gevaar opleverde daar verbalisant meerdere malen hard moest remmen om een aanrijding te voorkomen. Wij, verbalisanten, verklaren dat [verdachte] vanaf nu zal worden aangeduid als verdachte ter zake het opzettelijk belemmeren van ambtshandelingen alsmede artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.”

Situatie 2

“Wij, verbalisanten, zien vervolgens dat de betreffende Honda bij de rotonde aankomt welke de meester van Coothstraat met de Velmerweg en de Provinciale weg (..). Wij, verbalisan-ten, zagen dat de bestuurder van de Honda een gehele ronde reed over de rotonde en weer de Meester van Coothstraat op reed in de richting van Lith. Wij, verbalisanten, hebben daarop ook de rotonde volledig rond gereden en kwamen daarop weer uit op de Meester van Coothstraat in de richting van Lith. Ik, [verbalisant 2] , versnel daarop zo snel mogelijk het dienstvoertuig. Ik, [verbalisant 1] , zag dat de geijkte snelheidsmeter van het dienstvoertuig ongeveer 80 kilometer per uur aangaf. Wij, verbalisanten, zagen daarop dat de betreffende Audi met hoge snelheid in onze richting kwam rijden. Wij, verbalisanten, zagen dat nadat de Honda de Audi personenauto was gepasseerd dat [verdachte] zijn personenauto recht op onze dienstauto afstuurde. Wij, verbalisanten, zagen dat hij kennelijk voornemens was om ons van de weg te rijden. Wij, verbalisanten, verklaren dat wij beide ernstig vreesde voor een frontale aanrijding. Ik, [verbalisant 2] , heb in een reflex het dienstvoertuig naar onze rechterzijde gestuurd. Wij, verbalisanten, zagen en voelden dat we met de twee rechterbanden ver in de berm kwamen. Ik, [verbalisant 2] , verklaar dat ik het dienstvoertuig net onder controle kon houden. Wij, verbalisanten, verklaren dat er vele bomen langs de betreffende weg aanwezig zijn. Wij, verbalisanten, verklaren dat een aanrijding net is afgewend door de reflexmatige beweging van collega [verbalisant 2] Wij, verbalisanten, verklaren dat een aanrijding danwel het verlies van de controle over het voertuig dodelijk zou zijn geweest gezien de plaats, snelheid en manier waarop de aanrijding zou hebben plaatsgevonden. (…) Ik, [verbalisant 1] , verklaar dat ik portofonisch de poging doodslag van [verdachte] heb gemeld bij de centralist van het Gemeenschappelijk meldcentrum te ’s-Hertogenbosch.”

[verbalisant 2] heeft ook aangifte gedaan. In zijn aangifte van

29 oktober 20143 heeft [verbalisant 2] ter zake van situatie 1 verklaard:

"Ik zag dat na een korte afstand de Honda de Audi inhaalde. Ik heb geprobeerde vervolgens ook de Audi in te halen. (…) ik wilde het voertuig aan de linkerzijde inhalen. Ik zag op het laatste moment dat de Auto naar links kwam. Ik moest hierdoor hard remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik schrok hier erg van omdat de snelheid rond de 80 kilometer per uur lag (…) Na de mislukte inhaalmanoeuvre ben ik achter de Audi gaan rijden. Ik zag dat de Audi een slingerende beweging maakte."

[verbalisant 2] heeft ter zake van situatie 2 het volgende verklaard:

“Toen ons dienstvoertuig gedeeltelijk in de berm reed zag ik dat de Audi met de nog steeds hoge snelheid reed in de richting van de bestuurdersdeur. (...) Doordat ik met ons dienstvoertuig in de berm reed heeft de Audi ons op een ontzettend kleine afstand gepasseerd.”

Er is voorts een proces-verbaal ‘Wegverloop na aanleiding van een achtervolging’

opgemaakt, waarin foto’s zijn opgenomen. Op een tweetal foto’s4 staat de weg afgebeeld,

waarop verbalisanten en verdachte in tegengestelde richting reden ten tijde van situatie 2.

Het hof constateert dat deze weg was bestemd voor verkeer in beide rijrichtingen en

bestond uit twee rijbanen; één rijbaan voor elke rijrichting. De weg grenst aan beide kanten

direct aan een berm van gras, waarin op korte afstand van de weg en op beperkte afstand

van elkaar, bomen staan.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte het navolgende verklaard:5

“Ik vroeg toen wij de auto van de anderen, naar later bleek een Volkswagen Golf, zagen staan: “wat moeten jullie?”. Ze zeiden dat ze Koos moesten hebben. Ik zag die politie-pakken, maar dat waren net nieuwe politiepakken toen. Ik zei toen “ze moeten jou hebben Koos”.”

“Ik ben toen tussen mijn broer en de Golf in gaan zitten om ze af te houden (situatie 1). Het klopt dat ik geblokt, geslingerd en geremd . Ik weet niet meer hoe hard we reden, 80 kilometer per uur zou kunnen.”

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte het volgende verklaard:6

“Het klopt dat ik ze, toen mijn broer en de agenten bij de rotonde reden, tegemoet ben gereden.”

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft [medeverdachte] het volgende verklaard:7

“Het klopt dat er langs die weg in de berm veel bomen staan. De bomen staan twee meter van de weg vandaan.”

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit ter zake van de aan verdachte impliciet primair onder A ten laste gelegde poging tot doodslag alsmede de impliciet subsidiair onder A ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Daartoe heeft hij – kort en zakelijk weergegeven – de volgende punten naar voren gebracht.

1. Het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die in deze zaak niet alleen verbalisant maar ook aangever zijn, is op punten aangedikt en overdreven. Daarnaast hebben voornoemde verbalisanten deels identieke processen-verbaal opgesteld. Om deze redenen zet de raadsman van verdachte vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verbalisanten en de door hen opgemaakte processen-verbaal.

2. De handelingen van verdachte moeten worden bezien in het licht dat zijn broer [medeverdachte] op een liquidatielijst staat. De verbalisanten reden in een onopvallende politieauto, de agenten waren de auto niet uit geweest en door een autoruit kan men vaak niet goed zien wie er in de auto zit. Ook uit de politie-uniformen had verdachte niet hoeven afleiden dat het daadwerkelijk om politie ging, daar criminelen zich vaker kleden als politieagent. Verdachte twijfelde of de verbalisanten in de auto echte politieagenten waren en was – indachtig de liquidatielijst waarop zijn broer staat – bang dat de inzittenden het gemunt hadden op zijn broer. Temeer nu de auto waarin zijn broer op dat moment zat, niet zijn eigen auto was, maar op naam stond van een jonge vrouw en waarmee dus geen link met [medeverdachte] te leggen was.

3.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] blijkt dat zij het gedrag van verdachte op dat moment hebben ervaren als het belemmeren van ambtshandelingen en als overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, maar niet als een poging tot doodslag, noch als poging tot zware mishandeling.

Het in de richting rijden van de verbalisanten kan evenmin als een poging tot doodslag of poging tot zware mishandeling worden gekwalificeerd. De verbalisanten reden met een relatief lage snelheid en de snelheid die verdachte had op dat moment is niet bekend. Voorts kan niet worden vastgesteld dat verdachte daadwerkelijk een sturende beweging naar links heeft gemaakt om op de auto van de verbalisanten in te rijden. Evenmin kan worden vastgesteld dat het in de berm aangetroffen spoor afkomstig is van het voertuig van de verbalisanten, gelet op het tijdsverloop tussen het incident en het nemen van de foto’s van de berm. Daarbij komt dat het niet aannemelijk is dat verdachte de aanmerkelijke kans op een frontale botsing, waarbij hij ook zelf om het leven had kunnen komen, bewust heeft aanvaard. In dit kader verwijst de raadsman naar het zogenoemde Porsche-arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 1995 (NJ 1997, 199). Als verdachte al een kans heeft aanvaard, dan was het die op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

Ter zake van de onder B aan verdachte ten laste gelegde overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de impliciet primair onder A ten laste gelegde poging tot doodslag wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt als volgt.

Ad 1.

Het hof heeft geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verba-lisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] , dit alles in het licht van hun op ambtseed opgemaakte processen-verbaal en de nadere nuanceringen in de vorm van de op verzoek van de verdediging afgenomen verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bij de rechter-commissaris en bij de raadsheer-commissaris, alsmede de in opdracht van het openbaar ministerie opgestelde aanvullende processen-verbaal. De enkele feiten dat voornoemde verbalisanten zelf betrokkenen zijn bij de ten laste gelegde feiten en dat zij bij de formulering van hun waarnemingen c.q. bevindingen gebruik hebben gemaakt van elkaars formuleringen, maakt dit niet anders. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat hun bevindingen c.q. waarnemingen zeer specifieke details bevatten en steun vinden in de overige bewijsmiddelen, in het bijzonder in de verklaringen van verdachte en van [medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 april 2015 en in de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 juni 2017, zoals hierboven opgenomen.

Ad 2.

Het hof stelt voorop dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij heeft gezien, toen hij – nadat hij het kamp was uitgereden – uitstapte en op imposante wijze met zijn broer naar de auto liep waarin zich de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] bevonden, dat die inzittenden gekleed waren in politie-uniformen. Verdachte diende er dan ook van uit te gaan dat het opsporingsambtenaren van de politie waren, tenzij er feiten en omstandigheden waren die maakten dat hij aan de echtheid daarvan konden en mochten twijfelen. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

Het hof acht het bovendien niet aannemelijk dat wanneer verdachte en zijn broer daadwerkelijk vermoedden dat de inzittenden van het onopvallende dienstvoertuig het op [medeverdachte] gemunt zouden hebben, zij dan hun auto’s tot stilstand zouden hebben gebracht en op imposante wijze de inzittenden zouden hebben benaderd. Overigens heeft de raadsman aan zijn stellingen hierover geen conclusie verbonden.

Ad 3.

In de casus van het door de verdediging aangehaalde arrest had de veroorzaker van het dodelijke ongeval voorafgaand aan zijn fatale manoeuvre, zodanig weggedrag vertoond – uitdrukkelijk duidend op lijfsbehoud en ter voorkoming van een ongeval – dat de Hoge Raad in dat geval concludeerde dat de veroorzaker geen opzet op het ongeval had.

In deze zaak is verdachte met zijn auto op een tweebaansweg waarlangs vele bomen stonden, met hoge snelheid op de verbalisanten afgereden. Het hof leidt uit verdachtes gedragingen af dat hij erop anticipeerde dat de verbalisanten zouden uitwijken, hetgeen zij ook gedaan hebben. Aldus heeft verdachte hen door zijn gedrag tot uitwijken gedwongen. De enige plek waar de verbalisanten naar toe konden uitwijken was de berm met daarin een serie bomen. Zo heeft verdachte het erop aangestuurd de bomen de schade aan (de auto van) de verbalisanten te laten toebrengen, terwijl hij niet hoefde te vrezen dat hij zelf in gevaar zou komen. Voor de verbalisanten bestond er, gezien de snelheid en de aanwezige bomen wel een aanmerkelijke kans dat zij het leven zouden kunnen laten.

Uit dit rijgedrag van verdachte, in de beschreven context, leidt het hof af dat verdachte een aanrijding met zeer ernstige gevolgen voor andere weggebruikers ook op de koop toe heeft genomen. In die zin heeft verdachte dan ook willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij door zijn gedragingen de dood van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zou veroorzaken. Daarmee is het voorwaardelijk opzet van verdachte gegeven.

Voor zover de verdediging overigens nog bewijsverweren heeft gevoerd, vinden deze hun weerlegging reeds in de gebruikte bewijsmiddelen, zodat deze geen (nadere) bespreking behoeven.

Het hof acht de impliciet primair onder A ten laste gelegde poging tot doodslag op de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder A bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Het onder B bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking gekomen.

Verdachte heeft met zijn gedragingen welbewust een zeer groot en levensbedreigend gevaar voor de politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in het leven geroepen en heeft zich niets aangetrokken van hun belangen, noch van de gevolgen die zijn handelen voor hen kon hebben. Deze gedragingen, en in het bijzonder de poging tot doodslag, hebben een grote indruk op de beide verbalisanten gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten – ook politieagenten – ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks leven. Uit de onderbouwing van de vorderingen van de benadeelde partijen blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt het hof rekening met de omstandigheid

dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 maart 2017, reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een poging tot doodslag en dat hij zich herhaaldelijk schuldig heeft gemaakt aan verkeersdelicten.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd, omdat daarin de ernst van het bewezenverklaarde onder A onvoldoende tot uitdrukking komt. Dat die gevolgen uiteindelijk relatief zijn meegevallen, is niet aan de verdachte te danken.

Het hof is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving ter zake van het impliciet primair onder A bewezen verklaarde, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof is daarbij uitgegaan van de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en heeft in aanmerking genomen dat het hier om een poging gaat, maar ook dat het delict meermalen is gepleegd en wel tegen politieambtenaren in de uitoefening van hun ambt. Daarnaast acht het hof, mede ter bescherming van de verkeersveiligheid, het opleggen van een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaren, gekoppeld aan dit feit, passend en geboden.

Ter zake van het onder B bewezen verklaarde zal het hof hechtenis voor de duur van 2 weken opleggen.

Verbeurdverklaring

Het hof is van oordeel dat het in het dictum te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp waarvan het impliciet primair onder A ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van dat feit aan verdachte toebehoorde. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Het hof koppelt de verbeurdverklaring aan feit A en stelt vast dat van enige disproportionaliteit geen sprake is.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 2]

De benadeelde partij [verbalisant 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 508,00 ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep in zijn geheel toegewezen, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de totale toegewezen vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 2] als gevolg van verdachtes onder A bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 254,00, namelijk door het hof begroot tot de helft van gevorderde bedrag, daar de feiten die ten laste van verdachte andere feiten zijn dan die in de zaak tegen de [medeverdachte] zijn bewezen en zij ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor hun gedeelte van de bij de benadeelde partij veroorzaakte schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij [verbalisant 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 558,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 508,00, waarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte en zijn medeverdachte beide hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de totale toegewezen vordering. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de [medeverdachte] aansprakelijk is voor het resterende deel van de vordering, te weten € 50,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verbalisant 1] als gevolg van verdachtes onder A bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 254,00, namelijk door het hof begroot tot de helft van gevorderde bedrag, daar de feiten die ten laste van verdachte andere feiten zijn dan die in de zaak tegen de [medeverdachte] zijn bewezen en zij ieder afzonderlijk aansprakelijk zijn voor hun gedeelte van de bij de benadeelde partij veroorzaakte schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 45, 57, 62 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het impliciet primair onder A en het onder B ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder A en B bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ter zake van het onder A bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) jaren.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto Audi A6 met kenteken [kenteken 1] uit 2004 met goednummer 563168.

Ter zake van het onder B bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 2 (twee) weken.

Ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen:

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 2] ter zake van het onder A bewezen verklaarde tot het bedrag van € 254,00 (tweehonderd-vierenvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 2] , ter zake van het onder A bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 254,00 (tweehonderdvierenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder A bewezen verklaarde tot het bedrag van € 254,00 (tweehonderd-vierenvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verbalisant 1] , ter zake van het onder A bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 254,00 (tweehonderdvierenvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,

en op 12 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1
In de voetnoten wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar het proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost-Brabant, BBN District Maasland, BBN D2 – Districtelijke Opsporing, met dossiernummer PL2100-2014153431, afgesloten d.d. 28 november 2014 (hierna: eindproces-verbaal).
2
Eindproces-verbaal, p. 62-63.
3
Eindproces-verbaal, p. 60.
4
Eindproces-verbaal, p. 123.
5
De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 28 juni 2017.
6
De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 10 april 2015.
7
De verklaring van [medeverdachte] d.d. 10 april 2015, gevoegd in de strafzaak tegen [verdachte] .