ECLI:NL:GHSHE:2017:3235 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 14-07-2017 / 20-000545-16

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000545-16

Uitspraak : 14 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 18 februari 2016 in de strafzaak met parketnummer

02-700037-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De verdachte is door de eerste rechter ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) en 4 tenlastegelegde (rijden terwijl het rijbewijs was ingevorderd) vrijgesproken. Verdachte is ter zake van het onder 1 primair en daar impliciet subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd), het onder 2 tenlastegelegde (verlaten plaats ongeval) en het onder 3 tenlastegelegde (rijden onder invloed van alcohol) veroordeeld. Aan de verdachte is opgelegd een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarde – kort gezegd – dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Novadic-Kentron, waarbij de reclassering opdracht is gegeven toezicht te houden op naleving van die voorwaarde. Daarnaast is als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 9 maanden. Tevens is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens de akte instellen hoger beroep onbeperkt ingesteld en daardoor ook gericht tegen de vrijspraak door de eerste rechter van het onder 4 tenlastegelegde feit. Aangezien een verdachte geen hoger beroep kan instellen tegen een vrijspraak, moet hij in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen ten aanzien van de bewezenverklaring en de verdachte ter zake van het onder 1 primair en daarvan het impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, 2 en 3 tenlastegelegde zal veroordelen tot een werkstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast is geëist dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] volledig zullen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Door en namens verdachte is primair bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair in zijn geheel tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde en de opgelegde straf.

De kwalificatie van dat feit behoort te luiden als hieronder vermeld.

In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog aangevoerd dat het onder 1 tenlaste-gelegde niet bewezen kan worden omdat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .

Het hof is, met de advocaat-generaal en de raadsman, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood dan aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] zoals onder 1 primair is tenlastegelegd. De door de verdachte verrichte gedragingen zijn naar het oordeel van hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm echter wel aan te merken als de eveneens onder 1 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Het hof verwijst in dit verband naar de overwegingen van de rechtbank en neemt deze over.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Namens verdachte is verzocht om aan de verdachte een werkstraf op te leggen in plaats van een gevangenisstraf. Het hof is voorts in overweging gegeven om daarnaast eventueel een langere voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de rechtbank heeft opgelegd, eventueel gecombineerd met een geldboete, maar de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid om te zetten in een geheel voorwaardelijke rij-ontzegging, dan wel een zeer beperkt deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid onvoorwaardelijk op te leggen, nu verdachte sinds kort werkt als monteur bij [werkgever] en daarvoor zijn rijbewijs nodig heeft.

De verdachte is, terwijl hij onder invloed van alcohol was, ingereden op twee verbalisanten, die ter plaatse waren gekomen nadat verdachte eerder die avond met zijn auto een gepar-keerde Opel Zafira had geraakt en de plaats van het ongeval had verlaten, zonder gegevens achter te laten. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de verbalisanten en schade en overlast veroorzaakt aan de eigenaar van de Opel Zafira. Daarnaast heeft de verdachte de verkeersveiligheid in het gevaar gebracht door onder invloed van alcohol deel te nemen aan het verkeer. Drie kwartier nadat verdachte op de verbalisanten was ingereden is nog een ademalcoholgehalte in zijn adem gemeten van 845 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

Het hof heeft ten nadele van de verdachte meegewogen dat hij, blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 mei 2017, reeds eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie in verband met overtreding van Wegenverkeerswet ’94 en agressiedelicten, waaronder een onherroepelijke veroordeling ter zake van bedreiging.

Uit het reclasseringsadvies van 15 juni 2015 blijkt dat bij de verdachte sinds enige jaren sprake is van overmatig alcoholgebruik. Ten tijde van het opmaken van het rapport was verdachte enige maanden abstinent van alcohol, nadat hij daartoe een behandeling had ondergaan bij Novadic-Kentron. Het toezicht is afgerond omdat bij vonnis de geschorste voorlopige hechtenis is opgeheven en de bij de straf opgelegde voorwaarde nog niet van kracht is geworden doordat appel is ingesteld. Uit het afloopbericht van 29 maart 2016 blijkt dat verdachte zich goed aan de afspraken heeft gehouden en stappen heeft gezet om zijn leven beter op de rails te krijgen. Ter terechtzitting van het hof is niet gebleken dat bij de verdachte sprake is van problematisch drankgebruik, maar dat hij in de weekenden nog wel drinkt. In dat verband heeft de verdachte verklaard dat hij opnieuw hulp wil aanvaarden van Novadic-Kentron om (weer) volledig abstinent van alcohol te raken. Ook is ter terechtzitting gebleken dat verdachte sinds 21 maart 2017 werk heeft gevonden als vliegtuigonderhouds-monteur en dat voor de uitvoering van dat werk een rijbewijs noodzakelijk is.

Hoewel het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde op zichzelf rechtvaardigt dan aan de verdachte enige tijd onvoorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen wordt ontzegd, zal het hof verdachte tegemoet komen ten aanzien van de rijontzegging en deze bijkomende straf geheel voorwaardelijk opleggen. Dat betekent wel dat om de ernst van deze reeks feiten tot uitdrukking te brengen de voorwaardelijke gevangenisstraf hoger moet zijn dan door de rechtbank was opgelegd en dat ook de taakstraf meer uren dient te bedragen dan de rechtbank had gepaald. Dit brengt met zich dat de hoogte van voornoemde taakstraf hoger is dan de advocaat-generaal heeft geëist.

Het hof is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte die feiten heeft begaan met zich meebrengen dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden dient te worden opgelegd.

Met oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Aan deze straf zal het hof de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaar stelt onder behandeling van Novadic-Kentron, waarbij de reclassering toezicht houdt op de naleving van die voorwaarde.

Daarnaast zal het hof de verdachte veroordelen tot de maximale taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht wordt op die straf in mindering gebracht.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde voor een duur van 12 maanden aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. Zoals al gezegd ziet het hof in hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen aanleiding te bepalen dat deze bijkomende straf voorwaardelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van reclassering Nederland, Novadic-Kentron, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor zijn alcoholverslaving.

Geeft reclassering Nederland, Novadic-Kentron, opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, inclusief de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen.

Aldus gewezen door

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 14 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.