ECLI:NL:HR:2017:1046 Hoge Raad , 09-06-2017 / 16/00303

Uitspraak

9 juni 2017

Eerste Kamer

16/00303

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. Y.E.J. Geradts,

t e g e n

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),zetelende te Den Haag,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.

Eisers zullen hierna ook ieder worden aangeduid als [eiser 1] en [eiseres 2] en gezamenlijk als [eisers] en verweerder als de Staat.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/16/388731/KL ZA 15-88 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 29 april 2015;

b. het arrest in de zaak 200.171.031/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. C.M. Bergman. De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 17 februari 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Voor zover in cassatie van belang kan van het volgende worden uitgegaan.

-

i) Op 27 oktober 2000 hebben de Belgische fiscale autoriteiten het Nederlandse Ministerie van Financiën op grond van art. 4 van Bijstandsrichtlijn 77/799/EEG fotokopieën verstrekt van afdrukken van microfiches afkomstig uit de interne administratie van Kredietbank Luxemburg (hierna: KB-Lux). De fiches vermelden bankrekeningsaldi van Nederlands ingezetenen bij KB-Lux op 31 januari 1994.

-

ii) Vanaf 2002 heeft de Inspecteur van rijksbelastingen (hierna: de Inspecteur) [eisers] meermalen verzocht dan wel gesommeerd opgave te doen van (het verloop van) de na 31 december 1989 respectievelijk na 1 januari 1990 door hen aangehouden buitenlandse bankrekeningen(en).

-

iii) [eisers] hebben erkend een rekening met rekeningnummer [001] bij KB-Lux te hebben gehad.

-

iv) De Staat heeft [eisers] meermalen gemeld dat zij niet (naar behoren) aan de hiervoor onder (ii) bedoelde verzoeken hebben voldaan om door middel van het beantwoorden van vragen en het verstrekken van bescheiden, waaronder kopieën van afschriften, opgaaf te doen van de door hen aangehouden buitenlandse bankrekening(en). De Staat wenst dat [eisers] opnieuw de formulieren “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” invullen.

-

v) [eiser 1] heeft in elk geval in 2002 en 2011 laatstgenoemde formulieren ingevuld. [eiseres 2] heeft deze formulieren in elk geval in 2011 ingevuld. Naar aanleiding van het vonnis van de voorzieningenrechter in deze procedure hebben beiden op 11 mei 2015 het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” ingevuld.

-

vi) In 2003 heeft de Inspecteur aan [eiser 1] navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd voor de jaren 1991 tot en met 1999 en in de vermogensbelasting voor de jaren 1992 tot en met 2000, met verhogingen dan wel boeten. [eiser 1] heeft fiscale procedures tegen deze aanslagen gevoerd. In die procedures heeft hij zich onder meer beroepen op een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1] , die als volgt luidt:

“Refererend aan ons onderhoud inzake ons “Luxemburg/België” plan uit 1993 en jouw geschil met de Nederlandse belastingdienst dienaangaande, deel ik je hierdoor mede dat ik geen problemen heb om in rechte een verklaring af te leggen over de gebeurtenissen. In het kader van de verkoop van jouw aandelen TWBA/Cabbac in 1993 en het daaraan gekoppelde concurrentiebeding hebben wij overleg gevoerd om gezamenlijk in een Belgische-Luxemburgs reclamebureau te participeren.

Dat leek in de loop van 1994 te gaan lukken en daartoe heb ik jou geadviseerd in verband met allerhande financiële en juridische aspecten een vennootschap op te richten naar Amerikaans recht en een rekening te openen bij een Luxemburgse bank. Bij mijn weten heb je daar toen enkele tienduizenden guldens gestort.

De deal met het reclamebureau (...) is destijds niet door gegaan omdat deze aanvullende voorwaarden stelt die onredelijk en onhaalbaar waren. Hoewel we nog geruime tijd hebben getracht ze op andere gedachten te brengen hebben we begin 1995 besloten in te gaan op een aanbod van (...) om de N.V. Alrecon (dochter van NS) te herstructureren. Jij als gedelegeerd commissaris en ik - als statutair directeur teneinde een turn-around bij de onderneming te bewerkstelligen en deze wederom winstgevend te maken. Na de verkoop van N.V. Alrecon in 1999 hebben wij beiden een vergelijkbare turn-around gedaan bij Instituut Praeheb. Na ons contact in 1993/4 is het dus allemaal anders verlopen dan oorspronkelijk beoogd.

Uiteraard ben ik bereid om deze verklaring persoonlijk te bevestigen. Ik verblijf echter veelal in het buitenland, maar ben gaarne bereid om speciaal daarvoor naar Nederland te komen dan wel mijn agenda aan te passen.”

(vii) In de belastingprocedure tussen [eiser 1] en de Inspecteur heeft het gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak van 5 juli 2012 onder meer overwogen:

“4.5.1.7 Vast staat dat belanghebbende op 31 januari 1994 rekeningen bij de KB-Luxbank had. Uit de fotokopieën van de microfiches blijkt dat het saldo op deze rekeningen op die datum ruim fl. 65.000 bedroeg. Belanghebbende heeft (…) als jaar van opening van de rekeningen het jaar 1993 vermeld, zij het met toevoeging van een vraagteken. Voorts wordt in de (…) verklaring van [betrokkene 1] melding gemaakt van een “Luxemburg/België plan” uit 1993, waartoe belanghebbende is geadviseerd een rekening te openen bij een Luxemburgse bank. Uit deze bewijsmiddelen vloeit een zodanige verdenking ten nadele van belanghebbende voort, dat die vraagt om een uitleg van zijn kant. Deze uitleg heeft hij niet althans onvoldoende gegeven. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat belanghebbende reeds in de loop van 1993 over de rekeningen bij de KB-Luxbank beschikte, daarop toen een bedrag heeft gestort van ongeveer fl. 65.000 en daaruit ook reeds in dat jaar rente heeft genoten.

4.5.1.8 In de verklaring van de gemachtigde (…) stelt hij dat de rekening volgens belanghebbende vrij snel na de storting weer leeg is geraakt. De (…) verklaring van [betrokkene 1] houdt in dat begin 1995 definitief is afgezien van voortzetting van de geplande activiteiten in Luxemburg. Ook hieruit vloeit wat betreft het jaar 1995 een zodanige verdenking ten nadele van belanghebbende voort, dat die vraagt om een uitleg van zijn kant. Deze uitleg heeft hij niet althans onvoldoende gegeven. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat de rekeningen van belanghebbende bij de KB-Luxbank ook in 1995 nog enige tijd hebben bestaan en dat hij ook in dat jaar daaruit nog rente heeft genoten.

4.5.1.9 (…) Het op die fotokopieën vermelde saldo is niet zodanig hoog, dat moet worden aangenomen dat ook vóór 1993 of na 1995 een saldo aanwezig moet zijn geweest. Daarbij is mede van belang dat het hier gaat om zichtrekeningen (en dus niet om beleggingsrekeningen), waarover belanghebbende geloofwaardig heeft gesteld dat zij dienden voor het zo nodig doen van betalingen vanwege zakelijke transacties.”

Het beroep in cassatie tegen deze uitspraak is verworpen in HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:150.

(viii) De Inspecteur heeft aan [eiser 1] op 21 mei 2013 een informatiebeschikking als bedoeld in art. 52a lid 1 AWR afgegeven en deze in bezwaar gehandhaafd. Het door [eiser 1] ingestelde beroep is door de rechtbank Gelderland op 30 juli 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat [eiser 1] de aan hem gestelde vragen, die ertoe strekken te achterhalen wat er is gebeurd met het op de rekening bij KB-Lux aangehouden vermogen, niet heeft beantwoord, dat hij de daarin verzochte informatie niet heeft verstrekt en dat hij als zodanig niet aan zijn wettelijke informatieplicht heeft voldaan. De rechtbank overwoog in dat verband onder meer:

“Eiser heeft in 2002 bevestigd dat hij houder was van een bankrekening bij de KB-Lux. Een rechtstreekse en volledige reactie op het informatieverzoek met betrekking tot de bankrekening(en) is dan ook vereist. Eiser is op grond van artikel 47 van de AWR verplicht om de gestelde vragen te beantwoorden en deze verplichting is niet aan een termijn gebonden. Eisers stelling inhoudende dat hij niet meer over afschriften en stukken met betrekking tot deze rekening(en) beschikt, ontslaat hem niet van de verplichting om de vragen te beantwoorden. Eiser heeft met zijn antwoord dat het op 31 januari 1994 aangehouden saldo in 1994 is teruggeboekt naar een Nederlandse bankrekening geen volledig antwoord gegeven op de vraag waar het vermogen in 2010 is aangehouden. Ook met de door hem overgelegde verklaring van KB-Lux heeft eiser geen antwoord gegeven op de vraag waar het eerder op de rekening bij de KB-Lux gestalde vermogen in 2010 is aangehouden dan wel waarvoor dit vermogen is aangewend.”

(ix) Bij brief van 14 augustus 2014 heeft KB-Lux, naar aanleiding van een verzoek van [eisers] om informatie over de rekening met rekeningnummer [001] , onder meer gemeld:

“Wij refereren hierbij aan uw verzoek van 25 juni 2014 om de bank over te laten gaan tot een onderzoek inzake rekening nr. [001] (de “Rekening”). Deze rekening werd meer dan tien (10) jaar geleden afgesloten.

Het is volgens de Luxemburgse wettelijke bepalingen inzake de archivering van documenten vereist dat het cliëntendossier alsmede de financiële gegevens van een rekening (de “Gegevens”) bewaard worden voor een minimale duur van tien jaar met ingang van respectievelijk (i) de sluiting van voornoemde rekening of (ii) de datum van uitvoering van de financiële transactie.

Hier vloeit uit voort dat, behoudens een speciale beslissing of fout, het informaticasysteem van KBL regelmatig overgaat tot vernietiging van de Gegevens.

Wij kunnen bevestigen dat grondig onderzoek in onze systemen heeft aangetoond dat dit het geval was bij bovengenoemde Rekening en dat alle Gegevens zijn vernietigd, inclusief de identiteit van de titularis van deze Rekening.”

3.2

In het onderhavige geding vordert de Staat, samengevat, veroordeling van [eisers] tot voldoening aan de op grond van art. 47 AWR op hen rustende informatieplicht over de periode vanaf 1994 tot heden. De voorzieningenrechter heeft de vordering van de Staat (goeddeels) toegewezen.

3.3

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en de vordering van de Staat in gewijzigde vorm toegewezen. Het heeft [eisers] :

  1. veroordeeld aan de Staat te verstrekken alle gegevens (waaronder gegevens betreffende de opheffing en de bestemming van de saldi bij opheffing) aangaande de door hen in de periode vanaf 31 januari 1994 tot op heden aangehouden bankrekeningen bij KB-Lux;

  2. veroordeeld verklaring en opgave te doen van deze gegevens door middel van het invullen van het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en het verstrekken van de op dit formulier vermelde bescheiden betreffende de genoemde bankrekeningen;

  3. bevolen mondelinge toelichting te geven op de onder a. en b. genoemde inlichtingen, verklaring en/of bescheiden en op het ontbreken daarvan binnen een door de Inspecteur te bepalen termijn.

Daarbij heeft het hof een termijn bepaald waarbinnen [eisers] aan deze veroordelingen dienen te voldoen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per (gedeelte van een) werkdag, tot een maximum van € 250.000,--. Het hof heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en bepaald dat de verklaringen en toelichtingen die [eisers] dienen af te leggen ter voldoening aan de uit art. 47 AWR voortvloeiende verplichting niet mogen worden gebruikt ten behoeve van een boeteoplegging.

De overwegingen die het hof aan zijn oordelen ten grondslag heeft gelegd zullen voor zover nodig hierna worden weergegeven.

3.4.1

Onderdeel 1 van het middel is gericht tegen rov. 3.23, tweede alinea en rov. 3.24, eerste volzin van het arrest van het hof. De desbetreffende passages luiden als volgt:

“3.23 (…)

In haar brief van 14 augustus 2014 [hiervoor in 3.1 onder (ix) weergegeven] heeft KB-Luxbank geschreven dat zij niet beschikt over gegevens betreffende de rekening van [eisers] – die rekening zou meer dan 10 jaar voordien zijn opgeheven –, maar de Staat heeft aannemelijk gemaakt dat KB-Luxbank vaker een brief met die inhoud en strekking heeft gestuurd aan een gewezen rekeninghouder, terwijl achteraf bleek dat KB-Luxbank niettemin beschikte over relevante informatie en die informatie ook beschikbaar stelde. Er kan op grond van enkel deze brief dan ook niet (zonder meer) van worden uitgegaan dat KB-Luxbank niet meer beschikt over voor de belastingheffing relevante informatie, zoals informatie over het verloop van de rekening, betalingen van en naar die rekening naar en van andere (buitenlandse) rekeningen van [eisers] en informatie over het tijdstip van opheffing van de rekening, het saldo en de bestemming van het saldo bij opheffing.

(…).

3.24

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat aan het eerste vereiste voor (geclausuleerde) toewijzing van de vordering van de Staat, te weten dat het gevorderde materiaal bestaat, is voldaan. (…)”

3.4.2

Het onderdeel klaagt dat het hof ten onrechte de door [eisers] in hoger beroep overlegde brief van KB-Lux van 24 juni 2015 niet in zijn oordeel heeft betrokken. Volgens de klacht wordt in deze brief uiteengezet waarom KB-Lux de gegevens met betrekking tot het rekeningnummer van [eisers] niet meer heeft en waarom dat in andere zaken van andere rekeninghouders mogelijk anders ligt, ook na een periode van tien jaar. Het hof had volgens het onderdeel niet ongemotiveerd aan deze brief mogen voorbijgaan.

3.4.3

De brief van 24 juni 2015 luidt:

“(…)

Geachte heer,

Wij verwijzen naar het in rand vermelde schrijven van u. Wij hebben u in augustus 2014 een verklaring toegezonden waarin vermeld stond dat alle informatie met betrekking tot rekening nr. [001] verwijderd/vernietigd was.

Zoals wij u reeds in de vermelde verklaring aangaven, is het mogelijk dat er in het systeem van onze bank wat de verwijdering of vernietiging van gegevens ouder dan 10 jaar betreft: hetzij (i) om redenen verband houdende met een specifieke interne beslissing van de bank inzake een bepaalde rekening of (ii) om redenen verband houdende met een mogelijke dysfunctionaliteit van het systeem bij verwijdering of vernietiging van gegevens, bepaalde informatie inzake bepaalde rekeningen (en dit dus desondanks de beoogde verwijdering of vernietiging hiervan) dan toch bewaard is gebleven in de systemen van de bank. Dit was evenwel niet het geval voor rekening nr. [001] .

Het is derhalve in de praktijk best mogelijk dat informatie uit vergelijkbare periodes, maar betrekking hebbende op verschillende rekeningen, op een verschillende wijze is behandeld.

Dientengevolge kon (en kan) de bank geen uitgebreidere informatie verstrekken met betrekking tot de rekening nr [001] .”

3.4.4

Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat de rechtbank in rov. 4.7 heeft geoordeeld dat het op basis van door de Staat verstrekte voorbeelden niet uitgesloten is te achten dat KB-Lux min of meer gelijktijdig met de brief van 14 augustus 2014 de rekeninghouder ook inzicht heeft gegeven in bijvoorbeeld de opening en sluiting van de desbetreffende rekening dan wel bankafschriften heeft verstrekt. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar producties van de Staat. De Staat had aan de hand van die stukken onder meer gesteld dat het in de praktijk altijd mogelijk is om een bewijs van opheffing van een rekening bij KB-Lux te verkrijgen (inleidende dagvaarding onder 9.4.3).

In het oordeel van het hof in rov. 3.23, tweede alinea, ligt een gelijksoortig oordeel als dat van de rechtbank besloten.

3.4.5

[eisers] hebben voor het hof de betekenis van de brief van 24 juni 2015 ten opzichte van die van 14 augustus 2014 aldus toegelicht, dat uit de brief van 24 juni 2015 zou blijken dat bij verschillende rekeninghouders verschillend kan zijn gehandeld en dus onjuist is het standpunt van de Staat dat uit de gang van zaken in andere gevallen volgt dat de gang van zaken bij [eisers] daarmee vergelijkbaar zou zijn geweest (memorie van antwoord in incidenteel appel nr. 23 en pleitnota in hoger beroep, nr. 12). In het licht van deze toelichting maakt de omstandigheid dat het hof niet ook deze brief in zijn motivering heeft vermeld, zijn beslissing niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het hof was kennelijk en niet onbegrijpelijk van oordeel dat de inhoud van de brief van 24 juni 2015 geen ander licht op deze kwestie werpt.

3.5

Onderdeel 2.2 bevat onder meer de klacht dat de Staat nimmer heeft gevraagd om bescheiden van MeesPierson. Volgens deze klacht volgt uit het woord ‘desgevraagd’ in art. 47 AWR dat uitsluitend gegevens die door de belastingdienst zijn gevraagd, behoeven te worden verstrekt. Deze klacht faalt. De belastingdienst heeft gevraagd naar “schriftelijk bewijs van de bestemming van het saldo dan wel de saldi na opheffing”. Ter voldoening aan dit verzoek (‘desgevraagd’) dienden [eisers] bewijsstukken ter zake van de bestemming van het saldo dan wel de saldi over te leggen. Niet valt in te zien waarom de omstandigheid dat [eisers] MeesPierson als mogelijke bestemming van het saldo of de saldi hadden genoemd, zou meebrengen dat de belastingdienst expliciet die bank in zijn verzoek had moeten vermelden. Bovendien mocht de belastingdienst ermee rekening houden dat het saldo of de saldi geheel of ten dele elders terecht waren gekomen.

3.6.1

Onderdeel 4 is gericht tegen de rov. 3.13-3.14. In deze overwegingen heeft het hof in het midden gelaten of juist is dat [eisers] , zoals zij betogen, moeten worden aangemerkt als administratieplichtigen in de zin van art. 52 AWR voor wie een bewaarplicht van zeven jaar geldt. [eisers] stellen terecht voorop dat in cassatie daarom veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dient dat zij administratieplichtigen zijn. Hiervan uitgaande, klagen zij onder meer dat het hof heeft miskend dat de Belastingdienst in verband met beginselen van behoorlijk bestuur de gevraagde gegevens na zeven jaar niet meer van hen mag opvragen.

3.6.2

Het hof heeft het standpunt van [eisers] verworpen onder verwijzing naar een tweetal van zijn eerdere uitspraken. Het hof had daarin onder meer overwogen dat een administratieve bewaarplicht niet op één lijn is te stellen met de informatieplicht van art. 47 AWR, dat het al dan niet gelden van een administratie- of bewaarplicht niet van invloed is op de verstrekkingsplicht, en dat de Staat niet afgifte van of inzage in de administratie vordert, maar informatie over een onderwerp dat voor de belastingheffing van belang is, te weten de banksaldi bij buitenlandse banken, alsmede afgifte van bescheiden betreffende dat onderwerp.

3.6.3

Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.6.1 vermelde klacht wordt het volgende vooropgesteld. Art. 52 lid 4 AWR verplicht administratieplichtigen hun administratie gedurende zeven jaar te bewaren. Deze verplichting is in beleidsregels – thans het Besluit Fiscaal Bestuursrecht (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 februari 2016, Stcrt. 2016, 9680) en voordien in besluiten van de staatssecretaris van Financiën – aldus vormgegeven, dat deze bewaarplicht van zeven jaren geldt voor de onderdelen grootboek, debiteuren- en crediteurenadministratie, loonadministratie en voorraadadministratie, en dat de administratieplichtige voor overige gegevensdragers met de belastingdienst afspraken kan maken voor een kortere bewaartijd. In de onderhavige zaak moet worden aangenomen dat de belastingdienst tevens publiekelijk heeft bekendgemaakt dat de ‘basisgegevens’ – waarmee klaarblijkelijk wordt gedoeld op grootboek, debiteuren- en crediteurenadministratie, loonadministratie en voorraadadministratie – na de termijn van zeven jaar niet meer zullen worden opgevraagd (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.20).

3.6.4

De klacht faalt. Art. 47 AWR en art. 52 AWR bevatten van elkaar te onderscheiden verplichtingen. Art. 47 AWR verplicht tot het – desgevraagd – verstrekken van gegevens en inlichtingen. Deze verplichting geldt voor alle (vermoedelijk) belastingplichtigen en is niet aan een termijn gebonden. Voor zover administratieplichtigen vertrouwen kunnen ontlenen aan de hiervoor in 3.6.3 bedoelde mededelingen van de belastingdienst, hangt dat vertrouwen samen met de uit hoofde van art. 52 AWR op hen rustende verplichting tot het voeren en bewaren van een administratie, en betreft het alleen de hiervoor in 3.6.3 bedoelde onderdelen van de administratie (grootboek, debiteuren- en crediteurenadministratie, loonadministratie en voorraadadministratie). De klacht vermeldt niet dat de door de belastingdienst opgevraagde gegevens deel uitmaken van deze onderdelen van de administratie van [eisers]

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 9 juni 2017.