ECLI:NL:HR:2017:1235 Hoge Raad , 07-07-2017 / 16/04454

Uitspraak

7 juli 2017

nr. 16/04454

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 juli 2016, nr. BK-15/00649, op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 14/3785) betreffende de ten aanzien belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) en de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Rotterdam voor het jaar 2013 betreffende de onroerende zaak [a-straat] 186 te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.2. Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak.

2.1.3. Belanghebbende heeft in 2012 kosten gemaakt voor funderingsherstel. Bij de bestreden beschikking is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld naar de peildatum 1 januari 2012 en de toestanddatum 1 januari 2013.

2.1.4. Het Hof heeft – in cassatie onbestreden - geoordeeld dat het in 2012 door belanghebbende uitgevoerde funderingsherstel niet is aan te merken als een verbetering in de zin van artikel 18, lid 3, van de Wet WOZ en dat evenmin sprake is van bouw of verbouwing in de zin van artikel 18, lid 3, letter b, van de Wet WOZ. De onroerende zaak moet dus worden gewaardeerd naar de toestand op 1 januari 2012 waarbij rekening moet worden gehouden met de bouwkundige staat op dat moment, aldus het Hof.

2.1.5. Belanghebbende heeft bij het Hof het standpunt ingenomen dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak moet worden verlaagd omdat de gemeente het beleid hanteert dat indien een rapport van een funderingsonderzoek wordt overgelegd waaruit blijkt dat de fundering moet worden hersteld, een korting op de WOZ-waarde wordt gegeven ter grootte van de kosten van het herstel. Dat standpunt baseert belanghebbende op de inhoud van een brief van de wethouder Wonen en Ruimtelijke Ordening van de gemeente Rotterdam aan de Raadscommissie voor Fysieke Infrastructuur, Buitenruimte en Sport.

2.1.6. Het Hof heeft het beroep van belanghebbende op voormelde brief uitgelegd als een beroep op het vertrouwensbeginsel en geoordeeld dat ervan dient te worden uitgegaan dat sprake is van niet-gepubliceerd begunstigend beleid van het College waaraan belanghebbende het in rechte te honoreren vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak zou worden verlaagd.

3 Beoordeling van de in het principale beroep voorgestelde middelen

3.1.1. Tegen het hiervoor onder 2.1.6 weergegeven oordeel van het Hof richt zich het eerste middel. Het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat geen vertrouwen kan worden ontleend aan niet-gepubliceerd beleid.

3.1.2. Dit betoog slaagt. Bij beleid dat niet met medewerking of goedvinden van het bestuursorgaan is gepubliceerd, heeft te gelden dat aan het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur als regel geen rol toekomt (vgl. HR 12 april 1978, nr. 18452, BNB 1978/135). Dit lijdt uitzondering indien het beleid is bestemd om ook buiten het bestuursorgaan bekendheid te verkrijgen (zie HR 4 mei 1983, nr. 21488, BNB 1983/216). Omtrent dit laatste heeft het Hof echter niets vastgesteld. De honorering door het Hof van belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel is daarom gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende gemotiveerd.

3.1.3. In zoverre slaagt het middel. Het behoeft voor het overige geen bespreking.

3.1.4. De overige middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.1.5. Gelet op het onder 3.1.2 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. Voor het geval het verwijzingshof tot de slotsom komt dat in dit geval geen sprake is van beleid dat is bestemd om ook buiten het bestuursorgaan bekendheid te verkrijgen, zal dat Hof ook moeten beoordelen of de heffingsambtenaar door dat beleid niet toe te passen jegens belanghebbende heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbendes hiervoor onder 2.1.5 weergegeven betoog kan namelijk niet anders worden begrepen dan dat hij daarmee niet alleen een beroep doet op het vertrouwensbeginsel maar ook op het gelijkheidsbeginsel.

4 Beoordeling van het in het incidentele beroep voorgestelde middel

4.1.

In zijn incidentele beroep in cassatie klaagt belanghebbende erover dat het Hof niet heeft beslist op zijn verzoek om toekenning van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de beslissing van de zaak.

4.2.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. De fase van bezwaar en beroep is aangevangen op 2 juli 2013, toen de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontving, en geëindigd toen de Rechtbank op 21 mei 2015 uitspraak deed. De voor deze fase geldende termijn van twee jaar is dus niet overschreden.

4.3.

Hetzelfde heeft te gelden voor de fase van het hoger beroep. De berechting van de zaak bij het Hof is aangevangen op 15 juni 2015, toen het Hof het hogerberoepschrift ontving, en geëindigd toen het Hof op 26 juli 2016 uitspraak deed. De voor deze fase geldende termijn van twee jaar is dus evenmin overschreden.

5 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding dient te worden toegekend.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.