ECLI:NL:HR:2017:1277 Hoge Raad , 04-07-2017 / 16/02876

Uitspraak

4 juli 2017

Strafkamer

nr. S 16/02876

SB/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 mei 2016, nummer 22/002183-15, in de strafzaak tegen:


[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980.

1 De bestreden uitspraak

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 13 mei 2015 waarbij hij is veroordeeld ter zake van 1. mishandeling, 2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, 3. mishandeling begaan tegen zijn levensgezel, en 4. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, met ter zake van de feiten 1 en 2 beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij], zoals in het vonnis omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de benadeelde partij [benadeelde partij]. Namens deze hebben M.P. de Klerk, advocaat te 's-Gravenhage, Th.O.M. Dieben en R.A. Korver, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1.

Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 26 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7011, NJ 2003/557). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.

3.2.

Bij de vraag of en zo ja, in welke omvang door een benadeelde partij beroep in cassatie zou moeten kunnen worden ingesteld, zijn verschillende keuzes denkbaar waarbij uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken zijn, en die moeten voldoen aan de eisen die aan een samenhangend stelsel van rechtsmiddelen kunnen worden gesteld. Gelet daarop valt het openstellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij buiten de rechtsvormende taak van de Hoge Raad en moet dit aan de wetgever worden overgelaten. Overigens heeft de minister een voorstel tot wetswijziging aangekondigd dat ten behoeve van het slachtoffer dat zich als de benadeelde partij heeft gevoegd, beoogt te voorzien in "de mogelijkheid zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen beslissingen over zijn vordering bij de strafkamer van het hof dan wel (indien het hof al over de vordering heeft beslist) cassatie in te stellen bij de strafkamer van de Hoge Raad" (Kamerstukken II 2016/17, 34 236, F, p. 6).

3.3.

Anders dan in de schriftuur wordt aangevoerd, kan de benadeelde partij ook niet aan het EVRM of het Unierecht het recht ontlenen cassatieberoep in te stellen indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Daartoe is het navolgende van belang.

3.4.1.

De schriftuur strekt allereerst ten betoge dat art. 14 EVRM en art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, waarin - kort gezegd - discriminatieverboden zijn vastgelegd, nopen tot een zodanige uitleg en toepassing van art. 427, eerste lid, Sv, dat de benadeelde partij het recht toekomt cassatieberoep in te stellen ook indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Daartoe wordt aangevoerd dat, waar het gaat om de toegang tot de cassatierechter, het ontbreken van zo een recht leidt tot ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van de benadeelde partij ten opzichte van de verdachte.

3.4.2.

Het beroep op genoemde verdragsbepalingen kan niet slagen, reeds in aanmerking genomen dat het slachtoffer zich niet alleen als benadeelde partij kan voegen in een strafprocedure, maar tevens de mogelijkheid heeft om in een civiele procedure - en derhalve overeenkomstig de bepalingen van burgerlijk procesrecht, met inbegrip van de daarbij geldende regeling van de rechtsmiddelen - schadevergoeding te vorderen.

3.5.1.

Voorts wordt in de schriftuur een beroep gedaan op de rechtstreekse werking van art. 16 Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU L 315/57). Deze bepaling luidt als volgt:

"1. De lidstaten waarborgen het slachtoffer het recht om in de loop van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing inzake schadevergoeding door de dader te verkrijgen, tenzij in het nationale recht is bepaald dat deze beslissing in een andere gerechtelijke procedure moet worden genomen.

2. De lidstaten bevorderen maatregelen om de dader ertoe te bewegen de schade op passende wijze aan het slachtoffer te vergoeden."

De omzettingstermijn van Richtlijn 2012/29/EU is verstreken op 16 november 2015 (art. 27, eerste lid).

3.5.2.

Art. 16 Richtlijn 2012/29/EU houdt niets in omtrent de rechtsmiddelen die het slachtoffer dat zich als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd, kan instellen tegen de beslissing inzake schadevergoeding door de dader. Dit voorschrift betreft dan ook niet een zodanige onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig geformuleerde bepaling dat de benadeelde partij daaraan het recht kan ontlenen cassatieberoep in te stellen ook indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld. Het beroep dat in de schriftuur wordt gedaan op de rechtstreekse werking van art. 16 Richtlijn 2012/29/EU, faalt dan ook.

3.6.

De schriftuur bevat het (voorwaardelijke) verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Gelet op hetgeen onder 3.5 is overwogen, bestaat geen aanleiding tot het stellen van vragen van uitleg.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juli 2017.