ECLI:NL:HR:2017:1336 Hoge Raad , 14-07-2017 / 16/05760

Uitspraak

14 juli 2017

nr. 16/05760

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 oktober 2016, nr. 16/00119, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 15/254) betreffende de aan belanghebbende in rekening gebrachte aanmaningskosten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2 Beoordeling van de klacht

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Met dagtekening 24 september 2014 is aan belanghebbende een aanmaning gestuurd. Deze aanmaning ziet op het niet tijdig betalen van de gemeentelijke heffingen voor het jaar 2014 van € 794,04. Bij die aanmaning is € 15 aan kosten van de aanmaning in rekening gebracht.

2.1.2.

Belanghebbende heeft tegen de kosten van de aanmaning bezwaar gemaakt.

2.1.3.

Op 15 januari 2015 heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar.

2.1.4.

Bij uitspraak van 23 juli 2015 is het beroep met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk verklaard.

2.1.5.

Het hiertegen door belanghebbende gedane verzet is bij uitspraak van 8 oktober 2015 gegrond verklaard.

2.1.6.

In haar uitspraak van 21 januari 2016 heeft de Rechtbank het beroep inhoudelijk behandeld. In die uitspraak heeft de Rechtbank zowel het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar als het beroep tegen de kosten van de aanmaning ongegrond verklaard. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht en of belanghebbende in aanmerking komt voor een aan hem uit te betalen dwangsom en een proceskostenvergoeding ter zake van de procedure voor de Rechtbank.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een vergoeding van zijn proceskosten. Daartoe heeft het Hof overwogen dat het hoger beroep enkel gegrond is omdat de Rechtbank een onjuiste beslissing heeft genomen, die evenwel niet door de invorderingsambtenaar is uitgelokt. In die omstandigheid ziet het Hof aanleiding om de invorderingsambtenaar niet te veroordelen in de proceskosten.

2.3.1.

Tegen dit oordeel richt zich de klacht. Deze betoogt dat het Hof de invorderingsambtenaar ten onrechte niet heeft veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure.

2.3.2.

Indien een belanghebbende in een belastingzaak een rechtsmiddel aanwendt en dit ertoe leidt dat hij geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, geldt als hoofdregel dat het bestuursorgaan in de kosten van het geding wordt veroordeeld. Deze hoofdregel geldt ook indien het gaat om het rechtsmiddel van verzet (zie HR 18 februari 2011, nr. 10/00480, ECLI:NL:HR:2011:BP4781, BNB 2011/114), en ook indien de rechterlijke uitspraak op het punt waarop het beroep of het verzet gegrond is bevonden, niet door het bestuursorgaan is uitgelokt of is verdedigd (zie HR 12 februari 2010, nr. 09/01205, ECLI:NL:HR:2010:BL3600, BNB 2010/134).

2.3.3.

Gelet op het hiervoor in 2.3.2 overwogene geeft ’s Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.3.4.

De bestreden uitspraak kan in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3 Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de invorderingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank en het verzet bij de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover het Hof aanleiding heeft gezien de invorderingsambtenaar niet te veroordelen in de proceskosten van het verzet bij de Rechtbank,

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 124,

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 495 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de invorderingsambtenaar van de gemeente Arnhem in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 495 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 495 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het verzet bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 124 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.