ECLI:NL:HR:2017:1339 Hoge Raad , 14-07-2017 / 16/03507

Uitspraak

14 juli 2017

Nr. 16/03507

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 mei 2016, nrs. BK-14/01547 t/m BK-14/01559, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 13/6808, SGR 13/6809, SGR 13/6811 t/m SGR 13/6813, SGR 13/6815, SGR 13/6821, SGR 13/6822, SGR 13/6824 t/m SGR 13/6826, SGR 13/6828 en SGR 13/6830) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2004 t/m 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), de ter zake van de jaren 2007 en 2008 gegeven boetebeschikkingen, de over de jaren 2007 en 2008 opgelegde navorderingsaanslagen in de Zorgverzekeringswet, de voor de jaren 2008 t/m 2010 opgelegde aanslagen in de IB/PVV en in de Zorgverzekeringswet, de bij de aanslagen IB/PVV 2008 t/m 2010 gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2 Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2017.