ECLI:NL:HR:2017:843 Hoge Raad , 02-06-2017 / 14/00528

Uitspraak

2 juni 2017

Nr. 14/00528bis

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 december 2013, nr. 12/00640, na beantwoording van de door de Hoge Raad bij een arrest aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) gestelde vragen.

1 De loop van het geding in cassatie tot dusver

Voor een overzicht van het geding in cassatie tot aan het door de Hoge Raad in dit geding gewezen arrest van 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913, BNB 2015/128, wordt verwezen naar dat arrest, waarbij de Hoge Raad aan het HvJ heeft verzocht een prejudiciële beslissing te geven over de in dat arrest geformuleerde vragen.

Bij arrest van 15 februari 2017, X, C-317/15, ECLI:EU:C:2017:119, heeft het HvJ in antwoord op die vragen voor recht verklaard:

“1) Artikel 64, lid 1, VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat het van toepassing is op een nationale regeling die een beperking stelt aan het in die bepaling bedoelde kapitaalverkeer, zoals de verlengde navorderingstermijn die in het hoofdgeding aan de orde is, zelfs wanneer deze beperking tevens van toepassing is in situaties die niets van doen hebben met directe investeringen, vestiging, het verrichten van financiële diensten of de toelating van waardepapieren tot de kapitaalmarkten.

2) Het openen van een effectenrekening door een ingezetene van een lidstaat bij een bankinstelling buiten de Europese Unie, zoals aan de orde in het hoofdgeding, valt onder het begrip „kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten” in de zin van artikel 64, lid 1, VWEU.

3) De mogelijkheid die artikel 64, lid 1, VWEU de lidstaten biedt om beperkingen toe te passen op het kapitaalverkeer in verband met het verrichten van financiële diensten, geldt ook voor beperkingen zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verlengde navorderingstermijn, die zich niet richten tot de dienstverrichter en evenmin de voorwaarden of de wijze van dienstverlening regelen.”

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest (hierna ook: het arrest van het HvJ).

2 Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel

Met betrekking tot het door belanghebbende voorgestelde middel verwijst de Hoge Raad naar zijn oordeel daarover in het hiervoor in onderdeel 1 vermelde arrest van 10 april 2015.

3 Nadere beoordeling van de door de Staatssecretaris voorgestelde middelen

3.1.1.

Uit de hiervoor in onderdeel 1 weergegeven verklaring voor recht, en de door het HvJ daaraan ten grondslag gelegde overwegingen, vermeld in de punten 20 tot en met 35 van zijn arrest, volgt dat artikel 64, lid 1, VWEU, de zogenoemde standstillbepaling, kan worden ingeroepen bij de beoordeling of toepassing van artikel 16, lid 4, AWR verenigbaar is met het Unierecht in een geval als het onderhavige, waarin de belanghebbende een (effecten)rekening aanhoudt bij een bank in Zwitserland.

3.1.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 64, lid 1, VWEU in een geval als het onderhavige niet kan worden ingeroepen. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1.1 is overwogen, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het daartegen gerichte tweede middel slaagt.

3.2.1.

De enkele omstandigheid dat de inspecteur een navorderingsaanslag niet voortvarend heeft opgelegd, brengt niet mee dat de wettelijke navorderingsbevoegdheid vervalt, en leidt er evenmin toe dat uitoefening van die bevoegdheid door de inspecteur in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel (vgl. HR 23 januari 2009, nr. 43299, ECLI:NL:HR:2009:BD4446, BNB 2009/213). De andersluidende opvatting die belanghebbende verdedigt in zijn reactie op het arrest van het HvJ, moet daarom worden verworpen.

3.2.2.

Indien de inspecteur binnen de termijn van 12 jaar van artikel 16, lid 4, AWR belasting navordert die op grond van de wet verschuldigd is, brengt de omstandigheid dat de inspecteur daarbij niet voortvarend te werk is gegaan evenmin mee dat de belastingplichtige wordt geconfronteerd met een buitensporige last. De Hoge Raad verwerpt daarom ook het door belanghebbende in zijn reactie op het arrest van het HvJ bepleite standpunt dat navordering in zo’n geval in strijd komt met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

3.3.

Gelet op hetgeen hiervoor in de onderdelen 2 en 3.1.2 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur moet ongegrond worden verklaard, zoals de Rechtbank heeft gedaan.

4 Proceskosten

Wat betreft het cassatieberoep van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Wat betreft het cassatieberoep van de Staatssecretaris acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart beide beroepen in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 118, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.