ECLI:NL:HR:2017:912 Hoge Raad , 19-05-2017 / 15/00582

Uitspraak

19 mei 2017

nr. 15/00582

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 30 december 2014, nr. BK‑14/00342, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 13/8304), betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een daarbij gegeven beschikking niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Het geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 oktober 2015 is belanghebbende bericht dat de behandeling van de zaak niet kan worden afgerond alvorens het Hof van Justitie van de Europese Unie antwoord heeft gegeven op de vragen die door de Hoge Raad zijn gesteld in zijn arrest van 16 oktober 2015, nr. 14/04751, ECLI:NL:HR:2015:3022, BNB 2016/41. Bij arrest van 10 november 2016, J.J. de Lange, C‑548/15, ECLI:EU:C:2016:850, V-N 2016/60.9, heeft het Hof van Justitie op bedoelde vragen geantwoord.

Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op dit arrest.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende is geboren [in] 1976. In 2008, derhalve na het bereiken van de leeftijd van 30 jaar, is hij begonnen met een opleiding tot verkeersvlieger.

2.1.2.

Belanghebbende heeft aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Belanghebbende heeft als persoonsgebonden aftrek in zijn aangifte een bedrag van € 21.524 aan scholingsuitgaven opgevoerd. Dit betreft kosten voor zijn opleiding tot verkeersvlieger.

2.1.3.

Bij de aanslagregeling is de Inspecteur op het punt van de persoonsgebonden aftrek afgeweken van de aangifte.

2.1.4.

De Inspecteur heeft van de opgevoerde scholingsuitgaven van € 21.524 op grond van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 een bedrag van € 15.000 in aanmerking genomen.

2.1.5.

Omdat de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar, respectievelijk het inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, respectievelijk het inkomen uit aanmerkelijk belang van het jaar vermindert, maar niet verder dan tot nihil, heeft de Inspecteur een aanslag opgelegd waarbij de verschuldigde belasting op nihil is vastgesteld. Gelijktijdig met het opleggen van die aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking de niet in aanmerking genomen en aldus nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2010 vastgesteld op € 30.000 (€ 15.000 voor 2009 en € 15.000 voor 2010).

2.2.

Voor het Hof was in geschil of de beschikking ‘niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek’ door de Inspecteur tot een te laag bedrag is vastgesteld. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat het bepaalde in artikel 6.30, leden 1 en 3, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) een door de Grondwet, het EVRM en het IVBPR verboden onderscheid inhoudt naar leeftijd.

2.3.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat voor de toepassing van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 de belastingplichtigen die scholingsuitgaven doen en in leeftijd ouder zijn dan 30 jaar en zij die de leeftijd tussen 18 en 30 jaar hebben als gelijke gevallen moeten worden beschouwd.

2.3.2.

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in behandeling van deze gelijke gevallen. Daartoe heeft het Hof overwogen dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 blijkt dat de wetgever de scholingsuitgavenaftrek gedurende een standaardstudieperiode heeft verleend om jonge mensen in staat te stellen een initiële opleiding te volgen waarmee zij hun loopbaan kunnen beginnen. De wetgever heeft met name beoogd dat zij niet worden belemmerd om een dergelijke opleiding te volgen. Dit op zich is een gerechtvaardigde doelstelling, aldus het Hof.

Ook blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling dat mensen in de leeftijd ouder dan 30 jaar een eigen verantwoordelijkheid hebben ten aanzien van het volgen van een opleiding. De regeling kent weliswaar enige ruwheid maar niet kan worden gezegd dat het maken van het onderscheid berust op een evident onredelijke grond. Daarnaast is de door de wetgever beoogde eenvoud van de regeling een rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte onderscheid in leeftijd, aldus het Hof.

2.3.3.

Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de Staatssecretaris van Financiën met het Besluit van 21 januari 2010, nr. DGB 2010/372M, Stcrt. 2010, 1307 geen uitbreidende werking heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 in de zin dat 17‑jarigen langer gebruik kunnen maken van de regeling aangezien ook zij zijn gebonden aan de standaardstudieperiode van zestien kalenderkwartalen waarbinnen voor hen de verruimde aftrek geldt. De Staatssecretaris heeft slechts beoogd degenen die op 17-jarige leeftijd gaan studeren onder de regeling te brengen zonder hen daarbij langer of meer rechten op aftrek van scholingsuitgaven toe te kennen dan 18-jarigen, aldus het Hof.

2.4.1.

Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven oordeel falen de middelen op grond van hetgeen is overwogen in het heden in de zaak met nummer 14/04751bis, onderdeel 2.5 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest van de Hoge Raad.

2.4.2.

Voor zover de klachten zijn gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergegeven oordeel zij verwezen naar het eveneens ten aanzien van belanghebbende gewezen arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, nr. 14/04751, ECLI:NL:HR:2015:3022, BNB 2016/41. Uit hetgeen in onderdeel 3.1 van dat arrest is overwogen volgt dat de klachten ook in zoverre moeten worden verworpen.

2.5.

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president R.J. Koopman en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2017.