ECLI:NL:HR:2017:934 Hoge Raad , 19-05-2017 / 16/04135

Uitspraak

19 mei 2017

Eerste Kamer

16/04135

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. B.J. van Dorp,

t e g e n

[de man] ,wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak C/09/483515 FA RK 15-1391 van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.179.745/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

De man heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De vrouw en de man hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben drie thans nog minderjarige kinderen.

(ii) De man is in loondienst van [A] B.V. (hierna: [A] ), van welke vennootschap hij directeur-grootaandeelhouder is.

3.2.1

De rechtbank heeft bepaald dat de man met ingang van 23 februari 2015 aan de vrouw € 261,-- per maand per kind aan kinderalimentatie dient te betalen.

3.2.2

Het hof heeft de door de man aan de vrouw met ingang van 23 februari 2015 te betalen kinderalimentatie bepaald op € 234,-- per maand per kind. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

“14. Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van een onweersproken bruto jaarinkomen uit dienstbetrekking in 2015 van € 59.640,- per jaar, te vermeerderen met een vakantietoeslag van € 4.771,- per jaar. (…)

15. (…) Het hof ziet [geen] aanleiding de in de BV gemaakte winst als inkomen aan te merken. Dat winstreserves aanwezig zijn, betekent nog niet dat ruimte is voor dividenduitkeringen. Zulks is in beginsel ter beoordeling van de bestuurder van de vennootschap, die daarbij rekening dient te houden met zijn wettelijke verplichtingen uit hoofde van boek 2 BW en de belangen van de vennootschap.”

3.3.1

Onderdeel I.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat het aan de man is om niet alleen te stellen maar, gelet op het gemotiveerde verweer van de vrouw, ook te onderbouwen waarom, gelet op de belangen van zijn onderneming, van hem in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij naast zijn salaris meer inkomsten uit zijn onderneming genereert door (een deel van) de winst uit te keren opdat hij kan voldoen aan zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen. Onderdeel I.6 voegt daaraan toe dat het oordeel van het hof over het uitkeren van winstreserves onbegrijpelijk is. Onderdeel I.7 klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op essentiële stellingen van de vrouw die inhouden dat de man meer inkomsten uit zijn B.V. kan genereren, en dat het oordeel van het hof ook om die reden onbegrijpelijk is.

3.3.2

Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt vooropgesteld dat bij het vaststellen van de draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen acht dient te worden geslagen op de inkomsten die de alimentatieplichtige zich feitelijk verwerft, maar ook op de inkomsten die hij zich in redelijkheid kan verwerven. Ingeval een directeur-grootaandeelhouder alimentatieplichtig is, gaat het bij de in aanmerking te nemen inkomsten niet alleen om zijn uit de onderneming genoten salaris, maar kan ook de in de vennootschap behaalde winst een rol spelen bij de draagkrachtberekening (HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1335, NJ 2014/297).

3.3.3

Het partijdebat, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.12-2.17, houdt, kort gezegd, het volgende in.

De vrouw heeft in haar inleidend verzoekschrift betoogd dat bij het bepalen van het inkomen van de man niet alleen zijn salaris in aanmerking moet worden genomen, maar ook de als dividend door de vennootschap aan de man uit te keren winst. De man heeft in zijn verweerschrift slechts aangevoerd dat bij de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan van zijn jaarinkomen in 2013 van € 66.459,-- bruto. Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft de man opgemerkt dat hij de winst niet wil uitkeren in verband met de continuïteit van de onderneming. De vrouw heeft daarop aangevoerd dat de onderneming goede resultaten behaalt en dat er geen noodzaak is om de winst op te potten. Ook in hoger beroep heeft de vrouw dit standpunt ingenomen; zij heeft daartoe verwezen naar de jaarstukken van [A] . De man heeft opnieuw gesteld dat bij het bepalen van zijn inkomen geen rekening dient te worden gehouden met de ingehouden dividenden, maar ook in hoger beroep heeft hij zijn betoog niet onderbouwd met bescheiden.

3.3.4

In het licht van het hiervoor in 3.3.3 weergegeven partijdebat heeft het hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd door geen kenbare aandacht te besteden aan de essentiële stellingen van de vrouw. De onderdelen slagen derhalve.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 mei 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 19 mei 2017.

Verder lezen