ECLI:NL:HR:2017:984 Hoge Raad , 02-06-2017 / 15/01133

Uitspraak

2 juni 2017

Nr. 15/01133

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] Ltd. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015, nrs. 13/01216 tot en met 13/01224, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/1899 tot en met AWB 12/1904 en AWB 12/1906 tot en met AWB 12/1908) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2001 tot en met 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de vennootschapsbelasting.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van 15 februari 2017, X, C‑317/15, van het Hof van Justitie van de Europese Unie, V-N 2017/12.5.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie HR 2 juni 2017, nr. 14/00528bis, ECLI:NL:HR:2017:843).

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.

Verder lezen