ECLI:NL:OGAACMB:2017:29 Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba , 29-05-2017 / GAZA nr. 1508 van 2016

Uitspraak

Uitspraak van 29 mei 2017

GAZA nr. 1508 van 2016

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klaagster],

wonende te Aruba,

KLAAGSTER,

gemachtigde: mr. L.A. Hernandis,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras Orman (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 24 mei 2016 no. 5 (hierna: de bestreden beschikking), door klaagster ontvangen op 30 mei 2016, is met toepassing van artikel 83, eerste lid sub e en derde lid sub d van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) aan klaagster een disciplinaire straf opgelegd van terugzetting in bezoldiging voor het bedrag van de laatste periodieke verhoging voor de duur van één jaar.

Hiertegen heeft klaagster op 24 juni 2016 een bezwaarschrift ingediend bij dit gerecht.

Op 22 juli 2016 heeft verweerder een contramemorie, met producties, ingediend.

Het bezwaar is behandeld ter zitting van 31 oktober 2016, alwaar zijn verschenen klaagster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en verweerder bij zijn procesgemachtigde.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Klaagster wordt in de bestreden beschikking verweten dat zij op 1 en 2 december 2014 ongeoorloofd afwezig was, en dat zij zich op 9 december 2014 niet behoorlijk heeft gedragen door zich zowel verbaal als fysiek agressief op te stellen. Daarnaast wordt klaagster verweten dat zij zich consequent recalcitrant gedraagt en dat er vrijwel elke maand een issue is waarover wordt geklaagd. Het gedrag van klaagster wordt als een grove overtreding zowel tegenover haar superieuren als tegenover haar collega’s beschouwd.

2.2

Klaagster kan zich niet verenigen met de opgelegde disciplinaire straf en stelt zich op het standpunt dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Daartoe heeft zij - kort samengevat - betoogd dat zij niet ongeoorloofd afwezig was op 1 en 2 december 2014 en dat de stelling van verweerder dat gedurende de jaren nagenoeg elke werknemer en collega een conflict heeft gehad met klager, niet is onderbouwd of bewezen. Wat betreft het incident op 9 december 2014, stelt klaagster dat sprake was van een woordenwisseling tussen haar en een collega en dat de opgelegde disciplinaire straf disproportioneel is.

2.3

Het gerecht overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 47, eerste lid van de Lma, is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Het derde lid bepaalt dat de ambtenaar zich behoort te onthouden van het bezigen van vloeken en van ruwe of onzedelijke taal.

Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

2.4

Bij de beantwoording van de vraag of klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, gaat het gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.4.1

Klaagster is administratief medewerker bij het Instituto Biba Saludabel y Activo (IBISA).

2.4.2

Bij brief van 27 maart 2015 is klaagster ter verantwoording geroepen ter zake van vermeend ongeoorloofd verzuim op 1 en 2 december 2014 en haar onbehoorlijk en agressief gedrag op 9 december 2014.

2.4.3

Klaagster heeft in haar verantwoordingsbrief van 28 april 2015 verwezen naar haar brief van 9 december 2014, waarin zij stelt dat zij wel degelijk een verzoek voor het opnemen van twee vrije dagen op 1 en 2 december 2014 had ingediend, maar dat er op dat moment geen enkele Chef aanwezig was. Voorts heeft klaagster gesteld dat het juist de collega was die een hoge stem had opgezet en dat er geen sprake was van fysiek gedrag op 9 december 2014.

2.4.4

Uit de verklaring van mevrouw [X], bureaumanager, van 12 december 2014 volgt dat klaagster op 9 december 2014 een brief aan mevrouw [X] heeft overhandigd die bestemd was voor de directeur. Klaagster was het er niet mee eens dat de bureaumanager de brief las, deze voor ontvangst stempelde en tekende en een kopie wilde maken. Zij eiste op hysterische wijze haar brief terug en wilde deze uit handen van de bureaumanager trekken. De bureaumanager heeft op een gegeven moment – met verheven stem – klaagster uit haar kantoor gezet.

2.5

Naar het oordeel van het gerecht is uit de stukken en het ter zitting besprokene weliswaar gebleken dat op 9 december 2014 tussen klaagster en de bureaumanager een woordenwisseling is ontstaan, maar dat klaagster zich daarbij fysiek of verbaal agressief heeft opgesteld tegenover haar collega(‘s) is niet vast komen te staan. Dit verwijt levert derhalve geen plichtsverzuim op. Verder is het verwijt dat klaagster zich consequent recalcitrant gedraagt niet nader onderbouwd en levert het evenmin plichtsverzuim op.

2.6

Wat betreft het vermeende ongeoorloofd verzuim op 1 en 2 december 2014 overweegt het gerecht als volgt.

Niet is gebleken dat klaagster tijdig een verzoek voor het opnemen van vrije dagen op 1 en 2 december 2014 heeft ingediend, immers een daartoe strekkende aanvraag is door klaagster niet overgelegd. Nu klaagster geen toestemming had om die twee dagen vrij te nemen, is zij die dagen ongeoorloofd afwezig geweest en heeft zij zich daarmee schuldig gemaakt aan plichtsverzuim.

2.7

Wat betreft de vraag of de door verweerder opgelegde straf evenredig is, overweegt het gerecht dat gelet op de aard en de ernst van het gepleegde plichtsverzuim, verweerder had kunnen volstaan met een lichtere disciplinaire straf, te meer nu klaagster laatstelijk bij Landsbesluit van 17 augustus 2006 de lichtste disciplinaire straf van schriftelijke berisping heeft gekregen wegens ongeoorloofd verzuim.

2.8

Het vorenstaande leidt derhalve tot gegrondverklaring van het bezwaar van klaagster.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar gegrond;

vernietigt het Landsbesluit van 24 mei 2016 no. 5;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure voor zover aan de zijde van klaagster gevallen en tot op heden begroot op Afl. 700,-.

Deze uitspraak is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken te Aruba en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 mei 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, La).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, La).