ECLI:NL:OGEAA:2017:405 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 23-05-2017 / EJ nr. 2098 van 2016

Uitspraak

Beschikking van 23 mei 2017

Behorend bij EJ nr. 2098 van 2016

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[Verzoeker]
,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

procederend in persoon,

tegen

[Verweerster]
,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

procederend in persoon.

Belanghebbenden:

[naam minderjarige], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 6 december 2016, waarbij de Voogdijraad is verzocht om met betrekking tot het verzoek tot gezagswijziging onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover een rapport uit te brengen en waarbij een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige is bepaald. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-

het rapport van de Voogdijraad van 6 maart 2017,

-

de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 11 april 2017, waaruit blijkt dat partijen in persoon zijn verschenen. Namens de Voogdijraad waren aanwezig mevrouw A. Emannuel.

Hierna is de uitspraak bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Aan de orde is het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het ouderlijk gezag over de minderjarige te belasten en om een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen.

Gezag

2.2

Zoals het gerecht reeds in haar tussenbeschikking van 6 december 2016 heeft overwogen kan de tot het gezag bevoegde vader die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (hierna: BWA), de rechter verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten. Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (lid 2).

2.2

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen.

2.3

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat de ouders in staat zijn om op een adequate manier met elkaar te communiceren met betrekking tot aangelegenheden die de minderjarige aangaan en dat de ouders allebei hun best doen om de minderjarige niet te belasten met hun problemen. Verder staat in het rapport van de Voogdijraad dat tijdens het onderzoek niet is gebleken dat er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders indien zij met het gezamenlijk gezag worden belast. De Voogdijraad concludeert dat de ontwikkeling van de minderjarige niet verstoord dreigt te raken indien ouders het gezag gezamenlijk uitvoeren en adviseert derhalve dat de ouders gezamenlijk belast worden met het gezag over de minderjarige.

2.4

Ter zitting heeft de vader zich met dit advies verenigd. De moeder is het er niet mee eens. De moeder vreest in het bijzonder dat de vader haar geen toestemming zal verlenen om met de minderjarige naar het buitenland te reizen.

2.5

De omstandigheid dat de moeder bang is dat de vader, bij het toekennen van gezamenlijk gezag, geen toestemming zal geven om met de minderjarige naar het buitenland te reizen, levert geen grond op om het verzoek af te wijzen. Zoals reeds in punt 2.2 overwogen, veronderstelt gezamenlijk gezag dat er tussen de ouders overleg kan worden gevoerd over hun kinderen en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans, in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond de kinderen kunnen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. In dat verband overweegt het gerecht als volgt.

Uit onderzoek van de Voogdijraad en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat de ouders op een adequate wijze met elkaar communiceren omtrent aangelegenheden die de minderjarige aangaan. Verder is niet gebleken dat er een onaanvaardbare risico bestaat dat de minderjarige klem of verloren zal raken indien de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen. Gelet hierop acht het gerecht partijen geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden zij in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van partijen mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat. Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat beide ouders worden belast met het gezag over hem.

Omgang

2.6

Uitgangspunt is dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Ingevolge artikel 1:377 a lid 3 BWA ontzegt de rechter het recht op omgang slechts indien er één of meer van de limitatieve afwijzingsgronden van bovengenoemd artikel zich voordoen.

2.7

Ter zitting is gebleken dat de huidige voorlopige omgangsregeling naar tevredenheid verloopt. Partijen hebben verder afgesproken dat de omgang tussen de vader en de minderjarige uitgebreid zal worden naar drie dagen in de week. Het gerecht zal, gelet hierop, de navolgende omgangsregeling vaststellen.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de vader, [verzoeker], voortaan gezamenlijk met de moeder, [verweerster], het gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], zal uitoefenen,

bepaalt de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige als volgt:

- elke dinsdag, woensdag en elke donderdag van 10:00 uur tot 16:00 uur, waarbij de vader de minderjarige ophaalt en weer naar huis brengt.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, ter zitting van 23 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.