ECLI:NL:OGEAA:2017:434 Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba , 31-05-2017 / A.R. nr. 2114 van 2013

Uitspraak

Vonnis van 31 mei 2017

Behorend bij A.R. nr. 2114 van 2013

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

FATUM GENERAL INSURANCE ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Fatum,

gemachtigde: de advocaat mr. D.C.A. Crouch,

tegen:

[naam gedaagde],

wonende in Nederland te Swifterbant, voorheen voor deze zaak gedomicilieerd ten kantore van zijn in Aruba gevestigde doch per 25 juli 2016 gedesisteerde advocaat mr. D.L. Emerencia,

gedaagde,

hierna ook te noemen: G*,

thans procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot 9 september 2015 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

-het proces-verbaal van bewijslevering zijdens Fatum van 26 november 2015;

-het aan dit Gerecht gerichte schrijven van de Chef van het Korps Politie Aruba van 27 november 2015, onder meer inhoudende de overlegging van een door de politie (te weten verbalisant [naam politieagent]) met betrekking tot G* opgesteld proces-verbaal van ademanalyse van 6 juli 2010 met als mutatienummer 60433_20100706_231113;

-de op 8 januari 2016 door Fatum bij dit Gerecht ingediende akte nadere bewijslevering en opgave van personalia van te horen getuigen;

-het proces-verbaal van bewijslevering zijdens Fatum van 26 augustus 2016;

-het proces-verbaal van bewijslevering zijdens Fatum van 19 september 2016;

-het door dit Gerecht op 19 september 2016 uitgevaardigde doch niet uitvoerbaar gebleken bevel medebrenging van de getuige [naam politieagent] voor de terechtzitting van 3 oktober 2016;

-het proces-verbaal van bewijslevering zijdens Fatum van 3 oktober 2016;

-de op 25 oktober 2016 door Fatum bij dit Gerecht ingediende akte nadere bewijslevering;

-het door dit Gerecht op 3 oktober 2016 opnieuw uitgevaardigde en uitgevoerde bevel medebrenging van de getuige [naam politieagent] voor de terechtzitting van 31 oktober 2016;

-het proces-verbaal van bewijslevering zijdens Fatum van 31 oktober 2016;

-de ter rolzitting 23 november 2016 tegen G* verleende akte van niet dienen van een akte uitlating ter zake van de vraag of G* al dan niet contra-enquête wenste te houden;

-de door Fatum genomen conclusie na bewijslevering;

-de door G* op 15 maart 2017 genomen antwoordconclusie na bewijslevering.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Het Gerecht volhardt in zijn in het tussenvonnis neergelegde overwegingen en beslissingen.

2.2

G* heeft geen gebruik gemaakt van de aan hem geboden gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de vraag of hij contra-enquête wilde houden. Hierop heeft het Gerecht bewijslevering gesloten en de zaak naar de rol verwezen voor akte en vervolgens antwoordakte na bewijslevering.

2.3

Het Gerecht ziet geen grond om, zoals verzocht door G*, de van het onderhavige dossier deeluitmakende getuigenverklaringen en nadere door Fatum overgelegde processen-verbaal van politie buiten beschouwing te laten. Die verklaringen en processen-verbaal zijn immers rechtens toelaatbare bewijsmiddelen.

2.4

Die bewijsmiddelen - en dan met name het door Fatum bij haar akte aanvulling nadere bewijslevering overgelegde proces-verbaal van politie van 7 juli 2010 van verhoor van G* (waarin is neergelegd de door G* afgelegde en door hem ondertekende verklaring dat hij voorafgaande aan het ongeval wijn had gedronken) en het eveneens bij die akte door Fatum overgelegde (door verbalisant [naam politieagent] opgemaakte en ondertekende en als getuige ter zitting herkende) proces-verbaal van politie van 6 juli 2010 van analyse van de adem van G*, waarin staat gerelateerd dat het resultaat van die analyse hoger was dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, namelijk 745 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht - brengen met zich dat het Gerecht het aannemelijk oordeelt dat G* ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet in staat was de auto naar behoren te besturen. Een bestuurder van een auto waarbij door de politie middels een ademanalyse 745 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht wordt vastgesteld, heeft naar het oordeel van het Gerecht te gelden als zwaar beschonken. Eén en ander betekent dat Fatum is geslaagd in de aan haar opgedragen bewijsopdracht.

2.5

Vorenstaande brengt onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.4 van het tussenvonnis met zich dat de vorderingen van Fatum zullen worden toegewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen. De wettelijke rente is verschuldigd per de hierna vermelde ingangsdatum, omdat blijkens de bij het verzoekschrift overgelegde aan Van de Wals uitgebrachte aanmaningsbrief Van de Wals ter zake van betaling van het in hoofdsom gevorderde bedrag vanaf 18 oktober 2011 in verzuim is geraakt.

2.6

G* zal, als zijnde de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Fatum, tot aan deze procedure begroot op (750,-- + 194,-- + 213,80 + 224,15 + 224,15 + 229,30 =)

Afl. 1.835,40 aan verschotten (griffiegelden en kosten van oproepingen) en

Afl. 10.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (7 punten van liquidatietarief 6, ad

Afl. 1.500,-- per punt).

3 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-veroordeelt G* om aan Fatum te betalen Afl. 54.994,30, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 18 oktober 2011 tot aan de algehele voldoening;

-veroordeelt G* in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Fatum, tot aan deze procedure begroot op Afl. 1.835,40 aan verschotten en

Afl. 10.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 31 mei 2017 in aanwezigheid van de griffier.